De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DROOM EN WAAN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DROOM EN WAAN

10 minuten leestijd

„Toen ontzette zich Daniël, wiens naam Beltsazar is, bij een uur lang en zijn gedachten beroerden hem". Daniël 4 vers 19a.

U hebt de geschiedenis nog eens nagelezen? Als er iets nodig is, in deze tijd, dan wel het nauwkeurig onderzoeken van het Woord des Heeren. Niets komt zo spoedig in het gedrang. Menigeen zou de nieuwsberichten niet graag missen, en het journaal — als u het geloven wilt het enige waar men naar kijkt! — boeit de blik van miljoenen. Zodoende blijven wij op de hoogte. En ondertussen vervlakken wij zienderogen. Want op de hoogte brengt ons de openbaring in het woord des Heeren. Wij dienen ook in het huidige wereldgebeuren bij te blijven. Mag ik daaraan toevoegen: bij het Woord te blijven. Anders worden wij nog bedrogen: de berichtgeving schept geen orde in onze gedachten, zij dienen gericht te worden op de Heere der heirscharen.

Nebukadnezar droomt verder. Een wat geheimzinnige figuur, een wachter, een engel daalt neer uit de hemel. Op zijn bevel, wordt het loof van de boom afgestroopt, de takken en de stam worden afgekapt zodat er niets meer dan een stomp overblijft. De dieren maken zich haastig uit de voeten en de vogels vliegen weg. Die tronk blijkt dan een soort mens; alleen, z'n hart wordt veranderd in een beestenhart. De heerlijkheid van de koning zal met kruin en tak worden uitgeroeid. Nog niet met wortel en tak. Dat is het oordeel Gods over Nebukadnezar en dat is het geduld Gods in zijn oordeel.

Wat gaat er met de Koning gebeuren, met de man, die zich boven alle mensen verheven voelde? Er gaat iets vreselijks met hem gebeuren. Nauwelijks heeft hij de trotse woorden gesproken: mijn macht, mijn roem, of zij wordt van hogerhand in de rede gevallen. Het is uit met uw heerlijkheid, helemaal uit, hoewel nog niet voor goed: zeven tijden zullen over u voorbijgaan. Die tijd zal Nebukadnezar doorbrengen bij de dieren. Hij zal als een dier op handen en voeten rondkruipen, gras uit de grond rukken en water naar binnen slobberen. Zijn haren zullen wild voortwoekeren als veren van een arend, zijn nagels lang worden als klauwen. Hij zal uit de samenleving der mensen verbannen worden en die hem vroeger vreesden zullen het elkaar, niet zonder leedvermaak vertellen: de koning is krankzinnig geworden. Dat heet met een geleerd woord: insania zoantropica. De arme mens denkt dat hij een dier is, een hond of een wolf en gedraagt zich dienovereenkomstig. Hij stoot dierlijke geluiden uit die u door merg en been gaan. Nebukadnezar, de waanzinnige.

Dit vonnis velt God over hem. Hoogmoed komt voor de val. Stond hij op het toppunt van zijn heerlijkheid, nu stort hij neer in de diepte van verwarring en verdwazing. De waanzinnige, Maar was die mooie droom al geen waan? En ligt de waan, zover van onze droom? Wij leven in een waanzinnige wereld. Wat verbeelden wij ons? Dat wij meer dan mensen zijn? Dat wij het heft in handen hebben en kunnen doen wat ons belieft. Wij gaan prat op onze vrijheid, onze waardigheid, onze hoogheid. Maar dat onze is nu net het waanzinnige. Wij klimmen hoger en hoger, zo dromen we, en we zinken lager en lager. Wij roemen in de wetenschap en in de techniek, we zetten daar een dik plusteken voor: zo zullen wij de moeilijkheden en de onzekerheden te boven komen. De mens, die mettertijd alles kan en daarom alles mag. Vergeten wij niet, dat er even goed een dik minteken voor geplaatst mag worden. De wetenschap die nergens voor staat en nergens naar vraagt; de techniek die heerst! De verering voor deze machten zal ons nog wel eens opbreken, want het worden v, rare tirannen, die over alles gebieden en zich aan niets gebonden weten. Ook aan de „menselijkheid" niet. Ze kunnen zo langzamerhand van mensen dieren maken, of dingen, onderdelen van hun apparatuur. Nee, ik roep daarmee geen spoken op. Het spookt steeds duidelijker in de adembenemende ontwikkeling van wetenschap en techniek. Mens, let op uw zaak, en vergaap u niet aan hun grootheid.

De mens is geen dier, dat niet. Wanneer hij echter niet meer weet, dat hij slechts een mens is, is hij bezig grenzen te overschrijden. Zelfvergoding brengt ons dicht bij de beesten. Daarin voltrekt zich reeds het oordeel Gods. Mensen doen beestachtige dingen, en deze uitdrukking is eigenlijk beledigend voor de dieren. Mensen, ook in onze tijd, leven niet veel anders dan de dieren: ze eten en drinken, ze spelen en paren, ze sterven, zonder uitzicht. Zodoende lijkt de mensenwereld verdacht veel op een dierentuin. De dieren kijken ons door hun tralies heen aan; ze denken misschien dat wij gekooid zijn, o wee, als zij losbreken. De waan is dan als een lawine, die alles vernielt wat zij op haar weg vindt Een lawine, waaronder wij zelf bedolven worden.

Zo ongeveer droomde Nebukadnezar. Toen hij wakker werd kwelde de droom hem in hevige mate. Weer het hij zijn wijzen komen en ditmaal vertelde hij hun de droom. Konden ze hem niet duiden? Deden zij het niet uit angst? De droom was nogal duidelijk, maar wie durft in dit gezelschap de waarheid te zeggen?  De koning doet een beroep Daniel, die tegenwoordig Beltsazar heet, vernoemd naar de God van Babel. In hem is geest der goden, daarom is de uitleg hem wel toevertrouwd, meent de koning. Zo is het echter niet. Bij Daniel is het woord Gods, en in dat woord wordt de heerschappij Gods opgericht. De droom van Nebukadnezar is een herinnering aan die heerschappij. Daniel draait er niet omheen. Wanneer hij dat woord hoort, is hij ontsteld. Een tijdlang kan hij geen woord uitbrengen, Want wat hier geopenbaard wordt is verschrikkelijk en de schrik, schokt ook door Daniel heen. Hij slingert het antwoord de koning niet in het gezicht, hij spreekt niet hooghartig en met harde oordelen. Heere, als ik Uw oordelen gehoord heb, heb ik gevreesd. Zijn gedachten verontrusten hem. Zo wil het woord Gods verkondigd worden, niet onaandoenlijk, niet vanuit de hoogte, als hadden wij er niets van te vrezen. Hoe ontzettend is het lot dat de koning wacht.  Dan, na enige tijd verklaart hij hem de droom, als een getuige des Heeren, in een vreemd land en voor heidense oren. Het besluit van de Allerhoogste. Daniël is hier de prediker van de gerechtigheid Gods, net als Noach, net als al de mannen Gods. Nebukadnezar deed tekort aan de eer Gods, daarom wordt het oordeel Gods over hem van kracht. In naam van die gerechtigheid waarschuwt hij de koning nog eenmaal. Breek met uw zonden, door genade te bewijzen aan de ellendigen. Hij legt de vinger bij de wondeplek van die geweldige rijksheerlijkheid: de ellendigen. Zij vallen buiten de gezichtskring van Nebukadnezar, maar de Heere die hoog woont, ziet laag; Hij neemt het voor hen op. Daniël vermaant de koning zich te bekeren, heel concreet: breek uw zonden af, door gerechtigheid. Zon vermanning is altijd op zijn plaats, tegenover iedereen. Waar God hem vrijmoedigheid schenkt, neemt hij geen blad voor de mond.

De droom klopte als een deurwaarder aan de poort van het paleis. Er zou beslag gelegd worden op de inboedel van Babel's vorst. Daarna treedt het woord erbinnen: Daarom, o koning! De koning is er van onder de indruk; hij bekeert zich echter niet. Hij slaat de droom en het woord in de wind. Dat kost hem zijn koninkrijk, net zo lang totdat hij de heerschappij des Heeren leert prijzen: Die machtig is te vernederen, degenen, die in hoogmoed wandelen.

Het woord Gods stelt altijd de heerlijkheid Gods aan de orde; daartegenover kan geen menselijke heerlijkheid zich handhaven. Daniël zegt het kort en krachtig: nadat gij bekend zult hebben, dat de Hemel heerst! En dat wordt ons gepredikt en ingeprent, wanneer we deze geschiedenis lezen. Aan deze waarheid, wordt onze droom en onze waan gewogen en te licht bevonden. De hemel heerst echter niet willekeurig, het is niet de dommekracht van een machtig overwicht, dat alles en ieder wegdrukt, o nee! Hoe heerst de hemel? Daar zong Maria van. Hij stort machtigen van de tronen. Nóg duurt zijn geduld met u die Hem niet erkent. Onder dat geduld rijpt u voor het oordeel! Nog is dit de roepstem, waardoor uw leven overhoop geworpen wordt, ten onderste boven en ten binnenste buiten gekeerd. Wij laten ons niet gauw in de war brengen, niet waar. Wij herstellen ons al te snel van een voorbijgaande verbijstering, net als Nebukadnezar. Als dit éne maar doorklinkt: de hemel heerst. Dan raakt u dat niet kwijt, dan zult u uw gevolgtrekking daaruit moeten maken. Er is maar één goede gevolgtrekking: Bekeert u, onderwerpt u bijtijds onder deze heerschappij.

Hoe heerst de hemel? Waarbij wordt het Koninkrijk Gods vergeleken? Bij een mosterdzaad, zo onaanzienlijk in zijn aanvang. God bouwt geen Babel. God verkiest Sion. Hij begint niet grootscheeps. Hij voegt zich tot het geringe, tot het onopvallende. Maar, wanneer het opgewassen is, dan is het het meeste onder de moeskruiden en het wordt een boom, alzo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken. Het Koninkrijk Gods overleeft en overtreft dat van Nebukadnezar. Het sticht gerechtigheid en leven en samenleven. In deze boom is het goed nestelen voor de ellendigen die overal werden verjaagd en hierheen vlogen.

Nu zou ik graag even terugbladeren naar Ezechiël 17. Daar lezen we van een andere boom. God plant een klein stekje op de hoge berg van Israël. Hij zal takken voortbrengen en vruchten dragen. Onder Hem zal wonen alle gevogelte van allerlei vleugel, in de schaduw van Zijn takken zullen zij wonen. Vanwaar die hoofdletter? Omdat de profeet hier over Christus handelt. Beeld en tegenbeeld, boom tegenover boom. Christus Jezus heeft Zichzelven vernederd; een scheut uit Zijn wortelen, zegt Jesaja, meer niet. Hij die wars was van alle aardse heerlijkheid is door God tot Koning en Zaligmaker gemaakt. Hem is het Koninkrijk gegeven. God geeft het immers aan wie Hij wil. Welnu, dat wilde Hij. Zijn macht is de macht der genade, aan ellendigen bewezen.

Hoort u dat goed? Zo heerst de hemel! Zijn bewind is een weldaad voor de verschovenen en de verachten. Voor hen, die alle hoogheid lieten varen omdat ze voor de hoogheid Gods vielen. Die dachten: nu is het uit. God duldt het niet langer. Over hen breidt Christus Zijn schaduw uit, de smalle schaduw, die de kruispaal werpt. Wat zeg ik: smal? Is het kruis niet de boom des levens, en mogen daar de verontrusten en voortgedrevenen niet schuilen? Onder de takken van deze levensboom is ruimte genoeg. Zijn er onder onze lezers, die nergens rust vinden: hier wordt de rust geschonken, hier vindt ge een nest. Om mee te zingen van tussen de takken, om de vruchten van Zijn werk te genieten, om de Koning te verheerlijken, van Israëls God gegeven.

Dan kijken we anders tegen de grootheid der mensen aan. Dan dromen we de droom niet meer mee, en onze waan verdween als sneeuw voor de zon. Zijn naam en roem zal eeuwig groeien. Hij zal heersen van de zee tot aan de zee en van de rivier tot aan de einden der aarde. Wanneer wij ons ontzetten, en onze gedachten ons ontstellen wordt hier de ban van droom en waan verbroken. Om eens voor eeuwig, ontwaakt, Hem heerlijkheid en eer toe te brengen. Hem, Die op de troon zit en het Lam, dat in het midden van de troon is.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DROOM EN WAAN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's