De Dordtse Leerregels
De bewaring van onszelf
Hoofdstuk V, artikel 8 Alzo verkrijgen zij dan dit, niet door hun verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch ganselijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot het einde toe in de val blijven en verloren gaan. Hetwelk, zoveel hen aangaat, niet alleen lichtelijk zou kunnen geschieden, maar ook ongetwijfeld geschieden zou. Doch ten aanzien van God kan het ganselijk niet geschieden, terwijl noch Zijn raad veranderd, noch Zijn belofte gebroken, noch de roeping van Zijn voornemen herroepen, noch de verdienste, voorbidding en bewaring van Christus krachteloos gemaakt, noch de verzegeling des Heiligen Geestes verijdeld of vernietigd kan worden.
L. VROEGINDEWEIJ
De bewaring van onszelf.
De volharding der heiligen is geen geringe zaak. Laten we bij het begin beginnen. Dan liggen de gelovigen in de macht der duisternis. Zij zijn uitverkoren ten eeuwigen leven. Maar zij liggen in de dood. Daar is nergens gevoel van. Hoeveel jongens en meisjes zijn er niet, die geen last veroorzaken aan hun ouders. Zij zijn altijd gewillig als de kerkklok luidt. In de week volgen ze trouw de catechisatie. Ze doen op de passende tijd belijdenis, ze trouwen in de kerk, ze laten hun kinderen dopen. Maar hebben ze ooit voor God hun zonde beweend? Dat is de vraag. Ze geloven alles, maar zij beleven niets. Maar nu de uitverkorenen. In hen komt God trekkend werken. Zij liggen in de macht der duisternis. Doch uit deze macht, zo zegt de Schrift, worden de uitverkorenen getrokken. Nu krijgen zij gevoel van hun Godsgemis, schuld, verdorvenheid. Zij gaan over in Christus. Maar ze zijn eerst bij Satan in dienst geweest en in zijn macht. Die koning dienen wij graag. God dienen wij vaak traag. Daar moet ook bij de gelovige menigmaal eerst wat overwonnen worden om zijn kruis dagelijks op te nemen en Jezus na te volgen. Of niet soms? De duivel echter wordt van harte gediend. Christen uit de Christenreis heeft daaraan meegedaan. Hij zegt tot Apollyon: „Ik kom uit de stad des verderfs, een plaats waar de inwoners enkel kwaad en zonde bedenken, en ik ben op weg naar de stad Sion". Aan dat kwaad en zonde bedenken heeft Christen meegedaan. Hij behoorde Satan toe net als wij allen. Apollyon zegt dan ook: “Dan merk ik, dat gij één van mijn onderdanen zijt, want het hele land, van rivier tot rivier en van de zee tot de einden der aarde, is van mij en moet mij, als Heer en Koning, aanbidden en erkennen. Hoe hebt gij het gewaagd mij als uw koning ontrouw te worden?" “Dat is toch wel te begrijpen”, zegt Christen dan, “want uw dienst is een harde dienst. Ik heb dat ondervonden en ik heb kennis gekregen aan een andere koning”. Zo is het dus.
Voor de uitverkorene wordt de dienst van satan een harde dienst, terwijl de schijnvrome en de wereld er zijn lust in blijft hebben. Maar dat is nog niet alles. De schijnvrome en de wereld leven beide in de gelovige. Wat geeft dit een botsingen en verdriet. „Wie staat (in het geloof), zie toe, dat hij niet valle". Zal de gelovige blijven in Christus? Als het een waar gelovige is, dan wel. Maar wie is een waar gelovige? Dat kan men van buiten niet zien. Daar kan men zich in vergissen. De leer van de volharding der heiligen biedt geen vleselijke zekerheid. De mogelijkheid van afval zit in de uitverkorenen zo lang zij op aarde wonen. Zij gaan dan ook zelden een rechte gang. Het werkelijke beeld der kinderen Gods vertoont een pad vol slingeringen. Niet een keer, doch elke dag staat de gelovige op de tweesprong. Is het toch zeker, dat hij altijd weer het smalle pad zal kiezen? Door Gods genade: ja. Want dat is de grote kracht van de ontferming Gods: Hij laat nooit varen, wat Zijn hand begon, Hij houdt vol en houdt vast.
Maar dat gaat niet buiten de mens om. Vandaar dat de Schrift vele vermaningen richt tot de gelovigen, die reden geven en oorzaak zijn van werkelijke vrees. De gelovige vreest vele malen, dat duivel en zonde het toch nog zullen winnen. Zij bidden soms met grote ontroering: „Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze". Is het wonder, dat zij zo bidden? Satan gaat rond als een briesende leeuw. De begeerten van het vlees, de zorgvuldigheden des levens vormen een blijvend gevaar. Laat u niet verleiden, zegt Gods Woord. Het kan alleen goed gaan, indien gij vasthoudt. En zo vermaant de Heere, dat de zaligheid er is, maar verkregen wordt: „Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven". „Indien gij mij geboden bewaart". „Indien gij maar blijft in het geloof, gefundeerd en vast en niet bewogen wordt van de hoop des evangelies”.
Daarnaast staat het feit, dat in de H. Schrift enkele malen gesproken wordt van afval. In 1 Tim. 1 : 19 lezen we van sommigen, „die van het geloof schipbreuk geleden hebben". Daarnaast spreekt 2 Tim. 2 : 18 van hen, „die afgeweken zijn van de waarheid". Daar is zoveel meer. En is er dan toch de volharding der heiligen? Ja, die is er toch. Maar hangt niet de volharding van de gelovige zelf af? Is het niet zo, dat het geloof de volharding schept, en dat de beslissing van de mens 't laatste woord heeft? Neen, zo is het niet. God schept het geloof en dat geloof volhardt, omdat God volhardt het geloof in leven te houden.
Als dan ook de Heere Jezus Petrus waarschuwt met de andere discipelen, loopt deze waarschuwing niet uit op een vermaning: mannen houdt toch vast, mannen denk toch om het goede gebruik van je vrije wil. Neen, de Heere Jezus voegt geen vermaning toe, doch een vertroosting. Deze bestaat hierin, dat Hij heeft gebeden. Daar blijkt toch duidelijk uit, dat de Heiland de volharding van Petrus en de anderen niet van hun beslissingsvrijheid of van iets dergelijks verwacht, doch van God. De Heere Jezus roept de Vader aan, dat Hij Zijn macht en kracht moge inzetten om het geloof te doen blijven. De Heiland weet ook, dat dit geschieden zal.
Het geloof schept dus niet de volharding. Het geloof heeft geen creatieve waarde. Het geloof is een gave Gods, die geschonken wordt aan al de uitverkorenen en nooit meer teruggenomen. Dat volgt uit Rom. 11 : 29: Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk". Dit woord wordt nog versterkt door 2 Cor. 7 : 10 „Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid". De uitverkorene maakt een overgang door, die niet omkeerbaar is: e overgang uit de dood in het leven. Ons bewaren van de genade Gods bestaat in een gedurig gebed, dat God ons bij het geloof moge bewaren. In Zijn hand ligt alles. Vandaar dat Petrus schrijft: De God nu aller genade. Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben. Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundere ulieden". Het is zo duidelijk, dat de gelovige telkens opgeroepen wordt en gewaarschuwd wordt voor afval of afwijking. Johannes schrijft: Kinderkens, bewaart uzelf van de afgoden" (1 Joh. 5 : 21).
Maar de rechte wijze van bewaring ligt, naast de strijd tegen de zonde, toch vooral in het bidden, zoeken en kloppen om Gods genade. „Welzalig hij, die al zijn kracht, en hulp alleen van U verwacht”.
De bewaring van Christus.
Er staat geschreven, dat de Vader de uitverkorenen aan Christus heeft gegeven. Zo is het de Heiland, die de kinderen Gods bewaart. Aan onze kant is veel vrees, en bidden. Kinderen Gods zijn vaak bang, dat zij het werk des Heeren in hun hart te gronde zullen richten. Maar van Gods kant worden in het Woord sterke toezeggingen gedaan. Niet alleen de aanvang van het leven der kinderen Gods in de Geest, maar ook de voltooiing van hun toebereiding voor de eeuwigheid, is werk van God. Daarom zegt de apostel: Want het is God, die in u werkt, beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen". De Almachtige voert dus het welbehagen uit. De genade Gods beslist over onze zaligheid. Fil. 1 : 6 zegt dat „Hij, Die het goede werk in u begonnen is, dat zal voleindigen tot op de dag van Jezus Christus". Daarom kon de Heere Jezus zeggen: Mijn schapen horen mijn stem en Ik ken dezelve en zij volgen Mij. En ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit Mijn hand rukken". Dat schrijft Johannes 10 : 27, 28. Onmiddellijk daarop lezen we: Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders”.
Met dit laatste woord onderstreept de Zaligmaker de onaantastbaarheid van de bewaring. De hand van Christus en de hand des Vaders bewaren de schapen. Duidelijker kan de geborgenheid van deze kudde niet worden uitgedrukt. Zij zijn door de Vader aan Christus gegeven, maar blijven toch óók in de hand des Vaders. Zo zijn ze dubbel beschermd. De duivel zal geen macht over hen krijgen, doch ook geen recht over hen hebben. Jezus geeft immers op bijzondere wijze Zijn leven voor de schapen. Dan blijft er niets over dan te belijden dat de genade van God zeer duurzaam is. In de beweringen der theologen van deze eeuw wordt veel gesproken over het heen en weer springen van de genade. Vandaag is zij er, morgen niet. Dat kan voor het gevoel van de genade gelden doch niet voor de genade zelf. De gelovigen zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in der eeuwigheid. Een mens mag er niet vleselijk op betrouwen, doch wel geestelijk. Het gaat niet zonder vrees en beven, maar wel zo, dat op de zonnige ogenblikken de gelovige mag zeggen: ij is mijn rots en mijn burcht; ik zal niet wankelen. (Psalm 62 : 3, 7) Zo bewaart Christus al de Zijnen, die Hem van de Vader gegeven zijn. Calvijn tekent bij Johannes 10 : 27, 28 aan: Het is ook voor de vrome leraars geen kleine troost, dat Christus, hoewel de
grootste hoop der wereld hem geen gehoor geeft, nochtans Zijn schapen heeft, die Hij kent en die Hem kennen. Laten zij proberen de hele wereld tot de schaapskooi van Christus te verzamelen, zoveel in hen is, maar als het niet gaat, zoals ze zouden willen, laten ze daar dan mee tevreden zijn, dat de schapen, door hun dienst vergaderd zullen worden. Voorts is het een onwaardeerbare vrucht des geloofs, dat Christus ons gebiedt zonder vrees te zijn, wanneer wij door het geloof in zijn schaapskooi gebracht zijn. Zo onoverwinnelijk de macht van God is, zo zeker is de zaligheid der uitverkorenen. De woorden van Christus willen vaststellen, dat de uitverkorenen een onwankelbare grondslag hunner zaligheid mogen hebben. Wij zijn wel met geweldige vijanden omringd en onze zwakheid is zeer groot, zodat wij geen enkel ogenblik ver van de dood zijn, maar in gevaar zijn we niet, want God is sterker dan wat ook. Kortelijk, onze zaligheid is zeker, omdat zij in Gods hand is, maar niet door onze sterkte, want ons geloof is zwak en wij zijn al te zeer geneigd te wankelen.
Wie het eigendom van Christus is wordt ook in dit tijdelijke leven alzo bewaard dat zonder de wil des hemelsen Vaders geen haar van ons hoofd vallen kan, ja dat ook alle ding tot onze zaligheid dienen moet. Deze bewaring van Christus wordt niet krachteloos gemaakt.”
L.Vroegindeweij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's