UIT DE PERS
In memoriam prof. dr. Maarten van Rhijn.
Bij velen onzer zullen herinneringen bovengekomen zijn toen ze het bericht vernamen, dat op 3 okt. j.l. de Utrechtse hoogleraar, prof. dr. M. van Rhijn, in de leeftijd van 78 jaar van ons is heengegaan. In „Hervormd Nederland" van 15 oktober troffen we een sympathiek artikel aan, gewijd aan deze „doctor en pastor". Het is van de hand van dr. J. M. Hasselaar en is gedragen door diepe dankbaarheid voor wat God ons in prof. Van Rhijn geschonken heeft. De aard van deze rubriek brengt met zich mee dat we er niet eerder over konden schrijven. Maar het is juist deze dankbaarheid die ons ertoe beweegt om een gedeelte van Hasselaar's artikel hier over te nemen.
Ons gedenken van de Utrechtse hoogleraar Maarten van Rhijn, van ons heengegaan op 3 oktober j.l. In de leeftijd van 78 jaar, moet door een toon van innige dankbaarheid gedragen zijn. Zeer velen immers zullen zeggen: de ontmoeting en omgang met deze grote geleerde, die een begenadigd pastor was, is van beslissende invloed geweest op mijn leven. Ik denk aan de honderden scholieren en jonge studenten, die in en rondom de N.C.S.V. met hem als persoonlijke getuige van Christus in aanraking kwamen en daar op de hei, onder het tentdak of in de conferentiezaal eens-en-voor-goed gingen weten: het geloof in Christus, als in de Heer van mijn leven, is een bevrijdende en mijn leven vernieuwende zaak. Alles sprak daarvan — zijn bijbeluitleg, zijn bewuste benadering van de thema's, zijn handgebaar en intonatie — en jonge, nog zo ontvankelijke mensen ontdekten dat 't geloof een gegrepenheid is die nuchter maakt en blij en moedig.
Ik denk aan de zoekende, vaak hyperkritische theologiestudenten-in de collegezaal, die met hem als de bezielde docent in aanraking kwamen en eens-en-voor-goed gingen weten: een echte theoloog gaat voor zijn hele leven ter schole bij de groten der kerkgeschiedenis. Onvergetelijk zijn de uren die Van Rhijn ons gaf met Augustinus, Luther, Pascal en Kierkegaard. Zij werden voor ons tot een levende stem, die van de abstracte theologische overwegingen ons wegriep naar de existentiële integratie van denken, strijden en danken. En het was evident: prof. Van Rhijn kon deze geniale denkers naar ons doen grijpen, omdat hij zélf een door hen gegrepene was; die als docent zich niet kon en wilde bedwingen keer op keer te verwijzen naar het hoogste gezag waarvan deze kerkvaders zich geroepen en broze dienaren hebben geweten. — Sprekende vanuit de dankbaarheid denk ik tenslotte aan de velen voor wie prof. Van Rhijn na hun studentenjaren als begeleidend pastor in vastgelopen of verdrietige levensomstandigheden een raadsman en priester geweest is. Dat zijn natuurlijk geen dingen om verder veel over te zeggen. Maar het is evident: onze kerk heeft in prof. Van Rhijn een charismatische begadigde pastor pastorum en zielzorger zowel voor intellectuelen als voor eenvoudigen in haar midden gehad. Die zo kon zijn omdat menselijke communicatie en trouwe vriendschap met Christus een vanzelfsprekende gave en een even vanzelfsprekende opgave waren.
Hasselaar wijst er voorts op hoe prof. Van Rhijn voortkwam uit de zgn. „ethische richting" en levenslang daarvan een vertegenwoordiger gebleven is. Hij wist zich verwant aan figuren als Jonker en Gunning, wier namen en geschriften hij op college vaak met eerbied noemde. Wie het voorrecht hebben gehad te studeren in de tijd dat prof. Van Rhijn kerkhistorie doceerde zal instemmen met de typering van Hasselaar: „een onvergetelijke leermeester", een man die pastor en geleerde was, bij wie een college over Luther of Augustinus kon uitlopen op een Bijbellezing of meditatie. En wie zich wil overtuigen wat hij daarin aan zijn studenten meegaf leze de bundels „Gedachten en gestalten uit de Evangeliën". Sterke nadruk legde prof. Van Rhijn op de ontmoeting met Christus, in wie God goddelozen begenadigt om niet. Het woord „ontmoeting" dreigt in de theologische discussie van vandaag uitgehold te worden tot een aangelegenheid in het horizontale vlak. Wil de boodschap der Kerk waarlijk het verlossende woord zijn in de wereld van vandaag dan zal ze weer voluit aandacht moeten schenken aan datgene wat Van Rhijn ons telkens inprentte: Het getuigenis van Gods genade in Christus jegens zondaren. Dat getuigenis beluisterde hij in de Schrift, die hij voor zijn studenten op een aangrijpende wijze menigmaal wist te vertolken. Dat getuigenis vond hij terug bij de grote kerkvaders, die in de wereld van hun tijd geleefd en gearbeid hebben vanuit dit hart van het Evangelie. Met eerbied en dankbaarheid gedenken wij prof. dr. Maarten van Rhijn.
Veranderingen in de Gereformeerde wereld.
Drs. G. Puchinger heeft een vruchtbare pen. Na zijn paperback met gesprekken over de verhouding Rome-Reformatie zijn thans verschenen de interviews met allerlei vooraanstaande figuren over de vraag: „Is de Gereformeerde wereld veranderd? "De gesprekken zijn gevoerd met leden van de Geref. Kerken, alsmede vrijgemaakten; met enkele figuren die gebroken hebben met de Geref. kerken (o.a. Han Lammers, minister Den Uijl); en met een aantal figuren uit andere kerken, o.a. Van Niftrik, Visser 't Hooft, Anton van Duinkerken. We geven hier uiteraard geen bespreking van het boek. Men leze het boek zelf. Het gesprek en het interview zijn op het ogenblik modeverschijnselen. Niemand zal ontkennen dat daardoor op levendige wijze allerlei zaken aan de orde gesteld kunnen worden. Het vereist uiteraard wel de nodige gesprekstechniek om inderdaad ook bij de zaak te blijven. Het gevaar van een interview is, dat bepaalde kwesties wat „flitsend" gesteld worden en de persoon in kwestie „vastgespijkerd wordt" op uitlatingen in gespreksvorm gedaan. Maar dat neemt niet weg: Puchinger en de gespreksgenoten stellen een aantal interessante punten aan de orde die de aandacht verdienen. In de kerkelijke pers is enige aandacht besteed aan zijn boek. Een drietal reacties willen we hier kort weergeven.
Prof. dr. H. N. Ridderbos: Te personalistisch.
In het „Geref. Weekblad" (Uitgave Kok, Kampen) van 14 oktober geeft de eindredacteur zijn indrukken over Puchinger's boek. Volgens hem bevat het boek meer waarneming dan profetie. Hier zijn z.i. mensen aan het woord, van wier oordeel men kan leren, mensen die in de meeste gevallen de veranderingen positief waarderen. De toon van heimwee met betrekking tot het verleden ontbreekt nagenoeg. Al is er wel grote waardering en respect. Ridderbos heeft ook critiek:
Mijn eigenlijke kritiek ligt echter in iets anders, nl. hierin, dat het boek als geheel mij wel wat te personalistisch is. Er wordt mi. wat te veel over personen gesproken, doden en levenden, en het schijnt soms, dat de belangstelling meer uitgaat naar hetgeen „deze en gene nu van die en die vindt" dan naar de koers waarin „de geref. wereld" gestuurd moet worden, zal ze die naam verdienen. Deze grote belangstelling voor personen maakt het boek enerzijds zo interessant en soms pikant, maar daardoor verliest het aan diepte. Wel is ook hier veel onderling verschil. Het tweegesprek met Dooyeweerd en Van Peursen mist dit personalistische geheel en is daarom een van de stukken met de meeste blijvende waarde. Maar andere stukken wemelen van namen, oordelen over mensen en soms wordt er —zoals ik iemand deze week tekenend hoorde zeggen — zelfs wat geroddeld. Dat personalistische ligt mede aan de manier van vragen stellen, ik zou zelfs durven zeggen aan de manier waarop de auteur bij het heden en verleden van het gereformeerde leven geïntereseerd is. Drs. Puchinger is, zoals bekend, vrijgemaakt en hij heeft indertijd als student in de vrijgemaakte beweging een belangrijke plaats ingenomen en vele jongeren achter Schilder gebracht. Nog neemt in dit boek de figuur van Schilder een ongeproportioneerde plaats in. Thans gaat zijn belangstelling echter kennelijk niet meer de vrijgemaakte kant uit, maar naar wat er in wijdere kerkelijke kring gebeurt, speciaal naar de roomsen en de gereformeerden. En als men op Puchingers vragen let, vooral in dit laatste boek, begrijpt men ook waarom. Puchinger is daar waar hij de meeste geestelijke golfslag voelt en waar mensen zijn, die hem boeien. Daarom heeft hij als journalist zulk een neus voor mensen en een ongelooflijk flair om ze aan de praat te krijgen, tot minister-presidenten, kardinalen en Karl(s) Barth toe. Maar deze personalistische inslag maakt ook, dat dit boek eigenlijk meer een verzameling schetsen is van en over de meest uiteenlopende interessante gereformeerde (e.a.) mensen — honderdtallen gaan er letterlijk over de tong! —1 dan van de veranderingen in het gereformeerde leven. Natuurlijk was het anders ook niet half zo interessant geworden. Maar zo heeft iedere kwaliteit nu eenmaal óók zijn schaduwzijde, zelfs de kwaliteit van de vrijgemaakte Puchinger om zich als kind in huis bij Roomsen, Gereformeerden en wie niet al te bewegen en ze over elkaar zó te laten redeneren, dat men zich zo nu en dan op een geweldige theevisite waant...
Dr. J. Schelhaas: Te eenzijdig.
Dat is het oordeel van de hoofdredacteur van „Waarheid en Eenheid", het orgaan van de verontrusten in de Geref. Kerken. Hij betreurt het dat niemand uit deze kring door Puchinger geïnterviewd is. Te meer daar „Waarheid en Eenheid" bestreden is in dit boek door prof. De Gaay Fortman. Deze oordeelt dat „Waarheid en Eenheid" de kerk verengt, en meningen bestrijdt die men zelf niet kent. Schelhaas gaat op deze be(ver)oordeling in in het nummer van 6 oktober. Hij schrijft onder meer:
Ik begrijp uit het eerste citaat, dat prof. De Gaay Fortman ons repristinatie en kerkelijke engheid verwijt.
Wij zijn anders de mensen, die voor de grootgereformeerde gedachte zijn opgekomen en daar met inzet van onze weliswaar geringe krachten aan hebben gegeven. Wij hebben de beperktheid en de engheid van de synode die dr. Schilder en dr. Greijdanus in benauwdheid heeft gebracht, steeds bestreden. Wij hebben altijd weer naar voren gebracht, dat de uitspraken van onze synodes te eng waren gebonden. Ik dacht, dat Dè Gaay Fortman dat kon weten.
Wie hebben voor opheffing van de Vervangingsformule gepleit? Wie hebben er steeds weer op aangedrongen, dat alle beletselen van onze zijde voor de zo gewenste samenspreking met de Vrijgemaakten zouden worden weggedaan? Mij dunkt, ons verleden getuigt juist van een gereformeerde ruimte, die bij „de synodalen" helaas niet gevonden werd en bij de die-hards nog niet gevonden wordt.
Daarom had m.i. de heer De Gaay Fortman met het woord repristinatief wat voorzichtiger moeten omgaan. Hij had moeten bedenken, dat het moeilijk aanvaardbaar is, dat mensen, die in het kerkelijk conflict voor de ruimte en tegen de engheid gestreden hebben, nu door de repristinatie en de engheid zouden worden beheerst.
Hij moest toch wel tot de gedachte komen, dat er bij zulke strijders voor de gereformeerde ruimte een ander oogmerk achter hun instelling en positiebepaling moet schuilen.
Wat mij daarbij bewoog kan hij wel moeilijk begrijpen. Hij is immers een volgeling van ds. Geelkerken geweest en is het nog steeds met zijn vroegere binding eens. Dan kun je niet zo gemakkelijk vatten, dat mensen, die het met Assen eens waren en zijn, geen „engerds" zijn.
Maar toch is dat zo. Ik heb persoonlijk altijd grote bezwaren gehad tegen het Asser kerkrecht. Ik behoorde ook niet in mijn jonge tijd tot de mensen, die meenden, dat de synode maar snel moest worden samengeroepen. Ik had vóór de beslissing van Assen viel heel wat bezwaren. Maar met die uitspraak ben lik het eens geweest vanaf het ogenblik, dat ik haar onder ogen kreeg. En ik ben er nog diep van overtuigd, dat zij juist geweest is, en dat zij gehandhaafd moet worden.
Maar dat zit niet in engheid noch in repristinatie. Dat zit daarin, dat bij alle breedheid en grondslag van de H. Schrift als het onfeilbare Woord van God moet worden gehandhaafd en dat heel de H. Schrift als betrouwbaar en waar moet worden geloofd en gehoorzaamd.
Al bestaat in dergelijke kwesties altijd het gevaar dat men zich persoonlijk geraakt weet, we kunnen toch de uitlatingen van Schelhaas verstaan. Inderdaad is het jammer dat uit deze kring niemand deelgenomen heeft aan de gesprekken. Dat zou het totaalbeeld ten goede gekomen zijn. En bovendien, het „Anliegen" van „Waarheid en Eenheid", de bewaring van het reformatorisch erfgoed temidden van allerlei verwarring is geen kleine zaak. De Geref. Kerken zijn in vele opzichten op drift geraakt. Daarin staan ze niet alleen.
Waar leven is, is beweging. En beweging betekent verandering. Wij mogen niet vluchten in de verstarring. Wij hebben echter temidden van de veranderingen wel te waken voor verwarring, waarin het gezag van de Schrift wordt ingeruild voor allerlei theologoumena. Symptomen voor een dergelijke verwarring zijn ook in de Geref. wereld volop aanwezig. Dat is de zorg van „Waarheid en Eenheid". Die zorg delen we met hen. Het zou tot schade van de Geref. Kerken zijn als ze aan deze zorg voorbij zou gaan.
Ds. L. H. Ruitenberg: Erg vanuit Geref. kerk.
Puchinger's boek spreekt over „de Gereformeerde wereld". Die omvat meer dan de Geref. kerken. Op dat aspect wijst ds. Ruitenberg in „Hervormd Nederland" van 8 oktober.
Al die gesprekken gelezen hebbende, moeten wij zeggen, dat de veranderingen, die wij waarnemen, wel zeer verschillende facetten hebben. De buitenstaanders hebben de neiging de ontwikkeling naar zich toe te trekken. De binnenstaanders, ieder op eigen wijze en eigen gebied, zoeken naar het wézenlijk-blijvende, naar waar het precies om gaat en altijd gegaan heeft. Over de reddende kracht van God in Christus voor mens en wereld — al zeggen de ondervraagden dat niet met deze woorden— is geen spoor van twijfel!
In die zin is — dunkt mij — de gereformeerde wereld niet veranderd. Deze zaken zelf worden niet in de waagschaal geworpen. Tenslotte moet erop gewezen worden, dat de gereformeerde wereld toch wel erg als van de gereformeerde kerk, al of niet vrijgemaakt, gedacht wordt. Geen gereformeerde bonder — waaronder toch ook iets gaande is b.v. in het blad „Wapenveld" — noch een christelijke gereformeerde en ook niemand van de gereformeerde gemeente is geïnterviewd. Misschien paste het niet in het schema. Misschien zou het thema „veranderen" er dan minder bruikbaar zijn geweest. Maar nu is toch een vorm van echt gereformeerd-zijn niet in ogenschouw genomen, die het totaalbeeld toch beïnvloed zou hebben.
De gereformeerde kerken, hun historie, hun vragen, hun antwoorden op vele uitdagingen, treden ook in dit boek voor het voetlicht. Op voorname ontspannen wijze.
Wie, die zich voor de geestelijke kracht van ons volk interesseert, zal dit niet met gespannen aandacht en met Innerlijke betrokkenheid volgen?
De samensteller zal ongetwijfeld zijn redenen hebben gehad voor deze beperking. Maar dat neemt niet weg, dat de gehele Geref. gezindte betrokken is bij de veranderingen in de Geref. wereld. We vrezen dat in de Geref. kerken een stroming is die het contact met de Geref. gezindte eerder ontduikt dan bevordert. De luidruchtige wijze waarop men van bepaalde zijde in de Geref. Kerken zich distantieerde van de Geref. gemeente in Elspeet is tekenend. Men versta ons goed: Het gaat niet om de verdediging van het door genoemde gemeente ingenomen standpunt. Maar als men anderzijds ziet hoe begrijpend en voorzichtig door sommigen in de Geref. kerken gesproken wordt over Robinson, Sölle e.a. dan zou men omgekeerd toch ook dit begrip verwachten ten aanzien van de broeders en zusters van hetzelfde huis.
Het zou een trieste zaak zijn als juist de kerken die de geref. belijdenis gemeenschappelijk hebben elkaar niet meer verstaan. Dat betekent niet dat verschillen over en weer niet uitgepraat mogen worden. De Geref. kerken mogen gerust hun kritiek op de andere delen van de Geref. gezindte geven. Omgekeerd zal men ook hebben te luisteren naar die stemmen die de ontwikkeling in de Geref. kerk met zorg gadeslaan.
Maar laten we elkander vasthouden en dragen. Om zo gezamenlijk de vragen van de verandering onder ogen te zien. Vanuit het Woord Gods dat souverein door alle veranderingen heenbreekt. Bij velen bestaat het gevaar dat ze, gedreven door een zeker minderwaardigheidsbesef, gretig ingaan op de kritiek van de buitenstaanders en de papieren van de belijdenis der kerk loslaten of aanpassen. Daarmee dienen we noch de Kerk, noch de wereld. Wij hebben te midden van de veranderingen het pand, ons toevertrouwd, te bewaren. En opdat we bewaard blijven voor verwarring en verstarring is gezamenlijke bezinning binnen de gehele Geref. gezindte nodig en geboden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's