De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk 5, art. 8
Hoofdstuk V, artikel 8 Alzo verkrijgen zij dan dit, niet dóór hun verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch ganselijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot het einde toe in de val blijven en verloren gaan. Hetwelk, zoveel hen aangaat, niet alleen lichtelijk zou kunnen geschieden, maar ook ongetwijfeld geschieden zou. Doch ten aanzien van Gód kan het ganselijk niet geschieden, terwijl noch Zijn raad veranderd, noch Zijn belofte gebroken, noch de roeping van Zijn voornemen herroepen, noch de verdienste, voorbidding en bewaring van Christus krachteloos gemaakt, noch de verzegeling des Heiligen Geestes verijdeld of vernietigd kan worden.
De noodzaak van het verzegelen.
Daar zijn veel onbekeerde mannen en vrouwen, die toch menen, dat zij het ware geloof bezitten. Het wordt in de hand gewerkt door de prediking van veel predikanten, die een oppervlakkig toestemmen van de Bijbelse waarheden als een waar geloof prediken. Zij verklaren hun tekst en spreken over de zonde, in hun toepassing. Vervolgens schrijven ze enkele plichten voor en betuigen bovenal dat men moet geloven. Maar zij bepalen hun hoorders niet bij hun volkomen verloren staat en bij de noodzakelijkheid om met Christus verenigd te worden. De waarachtige bekering is een totale en radicale vernieuwing. Het is voor mij de vraag of dit voldoende beseft wordt. Onder onze godsdienstige kerkgangers zijn er velen, die weinig of geen gevoel van schuld hebben, ofschoon zij dagelijks in gedachten, woorden en werken Gods geboden overtreden. Zij hebben een slapend geweten. Bunyan's Christenreize wijdt een heel hoofdstuk aan Onkunde. Het komt mij voor, dat deze veel kinderen heeft ook in ons nageslacht. Die wezenlijke onkunde kan gepaard gaan met kennis van de Schrift. Maar kennis van de Schrift is niet hetzelfde als kennis van de zaken, die in de Schrift genoemd worden. Comrie waarschuwt voor het volgende:
„Er zijn veel mensen die enig gewoon werk van overtuiging gehad hebben, waardoor zij in veel bekommemisssen over hun staat zijn gebracht. Deze mijden en vlieden de zonde, zijn krachtig in het gebed om verlost te worden, begeven zich bij Gods volk (waar moet men dan tegenwoordig heen?) vragen naar de weg en zetten zich tot het onderzoek der Goddelijke waarheden, vinden lust daarin, en geraken tot enige geschakelde bevatting daarvan. Nu hun benauwdheid en verlegenheid door hun bidden, lezen en strijden tegen hun zonde niet kan verdreven worden beginnen zij te begrijpen, dat Jezus een eeuwige gerechtigheid heeft aangebracht, dat men daaraan deel krijgt door een toestemmende daad van de ziel en dus beginnen zij zich enigszins te verlaten op de waarheden, die zij begrijpen. Zij herhalen dit werk een beginnen hoe langer hoe meer rust te vinden en denken, dat zij nu ware gelovigen zijn, omdat zij rusten op de aangebrachte gerechtigheid van de Borg. Is het niet aldus met velen, die onder het evangelie leven gesteld? En evenwel, mijn geliefden, er is niets in, dat de kracht der natuur, als er enige druk van overtuiging op de consiëntie ligt, te boven gaat. Dit alles kan men met een historisch geloof doen. En daarom dient elk, die niet gaarne bedrogen wil worden, zichzelf nauwkeurig af te vragen: heb ik mij met de bevatting van Jezus, volgens de waarheid, verenigd, of heb ik mij met Christus door Goddelijk en bovennatuurlijk licht en werking des Heiligen Geestes aan mijn ziel ontdekt, verenigd? "
De verzegeling geeft antwoord op deze vraag.
Wat is de verzegeling door de Geest Gods?
De verzegeling schept een gelijkvormigheid met de Geest in de gelovigen. De vruchten des Geestes maken het werk Gods openbaar (Gal. 5 : 22) De wedergeborenen worden van gedaante veranderd (2 Cor. 3 : 18). In hun ziel wordt enigermate het beeld van Christus ingedrukt. Op deze wijze komt er iets openbaar van de zaken, die zij van God ontvangen hebben. Dat is Gods zegel. De Heere geeft ze iets als een onderpand. De Geest zelf is dat onderpand (2 Cor. 1 : 22). Doch ook weer de vruchten van de Geest en de werkingen. In Gods Woord worden vele werkingen genoemd van de wederbarende genade. Als nu de Heilige Geest licht geeft om bij zichzelf deze werkingen waar te nemen, ziet men het zegel. Daar zijn gestalten, die uit het genade verbond voortvloeien. Wat komt er openbaar als er enig geloof in Christus wezen mag? Dan is er een hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, dan krijgt de gelovige hoe langer hoe meer een walg aan zichzelf. Dat is de ene helft. Het andere is dat de Geest hoe langer hoe meer de Heere Jezus verheerlijkt en doet kennen in Zijn algenoegzaamheid, volstrekte noodzakelijkheid, gewilligheid, zodat de gelovige zijn troost meer en meer in Jezus zoekt, Hem omhelst en zich aan de Borg telkens opnieuw overgeeft. Zo komt het zegel Gods er op te staan.
De liefde tot en de hoogachting voor Christus wordt heel groot. Dit is het zegel!
In Gods Woord staat, dat het geloof een gave is van God. Als we nu zien, dat de Heere het geloof in ons werkt, is dit niet een kenmerk, dat er een nieuw leven in ons is? Het is niet zo, dat een mens zo maar even vast kan stellen: ik ben een zondaar en ik bid en ik doe dit en dat, dus Jezus is voor mij gestorven. Dat is een dood verstandswerk. Maar als nu Gods Geest aan de hand van de Schrift ons laat zien, dat het ware genadewerk in ons is en dat wij een recht hebben op Gods belofte en zo zien, dat de Heere met ons bezig is, dit is een stukje van het zegel. Iemand kan het werk Gods en het recht tot de beloften, als een hongerige, een arme, een verslagene, een verlorene vele jaren gehad hebben, zonder dat hij dit kon zien of vaststellen. Maar het verzegelende werk des Geestes is, de mens in staat te stellen om de kenmerken der genade in zich na te gaan, volgens het Woord van God. God zet Zijn zegel op Zijn eigen werk. Het kan zijn, dat de gelovige twijfelt of al die godsdienstige beroeringen in hem echt werk zijn. Hij zegt: ik weet niet, wat ik van mij zelf moet denken. Er zit geen merk op zijn geestelijk leven. Wat doet nu de Geest als hij er een zegel op zet? De Geest Gods doet de gelovige zien, dat de Geest strijdt tegen zijn vlees, dat hij absoluut niet kan, wat hij wil. De Geest doet hem zien, dat hij bemint, wat Christus bemint en dat hij haat, wat Christus haat. Wat zegt de Heilige Geest? Hij zegt: dat hebt ge niet van uzelf, dat zijn de trekken van het beeld des Zoons, waarnaar gij vernieuwd wordt, ge kunt verzekerd zijn dat ge een kind Gods zijt.
God zet er Zijn zegel op. Dat heeft toch zeker ook plaats op de wijze van Rom. 8 : 15, 16: Gij hebt niet ontvangen de Geest der dienstbaarheid wederom tot vrees, maar de Geest der aanneming tot kinderen, door welke wij roepen: bba Vader! Dezelve Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn".
„Paulus verstaat hieronder", zegt Calvijn, „dat de Geest van God ons zulk een getuigenis geeft, dat door Zijn leiding en onderwijs onze geest tot het inzicht komt, dat de aanneming tot kinderen van God zeker is". De Geest weet wat in de ziel is, omdat Hij het er in gewrocht heeft. Het is een grote zaak als de Geest ons een vaste zekerheid geeft, dat in ons waar geloof en oprechte liefde is. De Geest des Heeren
doet dat niet buiten het Woord om en het Woord kan het niet zonder de krachtdadige werking des Geestes. De verbinding van deze twee bewaart voor zelfbedrog of geestdrijverij. Maar is er geen mogelijkheid, dat een mens voor het stempel Gods houdt, wat namaak van eigen stempelarij is? Die mogelijkheid is er zeker. Menigeen bedriegt zichzelf. Toch is voor de goedwillende het gevaar niet zo groot. Wat is het verschil tussen het zegel van 'het getuigenis van de Heilige Geest en het zegel van de geest van bedrog? Het verschil is hierin gelegen. De Geest des Heeren verlicht de ziel en verandert haar naar Gods beeld. Hij geeft de ziel een gemakkelijke en kinderlijke gestalte om tot God te gaan in de gebeden en om alles van Hem te verwachten in het geloof. Maar de geest van bedrog maakt gerust zonder grond in het Woord, is vleselijk en maakt opgeblazen en lichtvaardig. De wandel van zulke is niet vlak en teer. Zij is bij vlagen en tussenpozen, dan God, dan de wereld dienende.
Kunnen wij zelf nog iets aan deze verzegeling doen? De Heere pleegt Zijn zegeningen te schenken in de weg van bidden en wachten. Zover de verzegeling bestaat in het tot verzekerdheid brengen van ons aandeel aan Christus, geschiedt dit in een weg van veel worsteling en beproeving.
De Heere maakt dood en maakt levend. Hij doet ter helle nederdalen en Hij doet weder opkomen. De Heere maakt arm en maakt rijk. De armen en ellendigen, de beproefden en bedroefden, krijgen het zegel op Gods werk. De verzegeling volgt ook op een tedere levenswandel voor Gods aangezicht. Aan hen, die van nauw leven zijn en teer van wandel pleegt de Heere Zich meer te geven en uit te laten dan aan anderen. Kan een ander ook iets van dat zegel zien? Dat is meestal zo. Als iemand het livrei van een groot koning of een grote zaak draagt, kan de vreemde dat zien. De gelovigen zijn verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte, dus de beloofde Geest, zegt Ef. 1. God heeft hen gezalfd en ook verzegeld en in hun harten het onderpand des Geestes gegeven. Daar moet toch wat van te zien zijn! Het is duidelijk, dat de kerkganger, het belijdend lidmaat, de Avondmaalganger, die min of meer naar de wijze van de wereld leeft en aan de wereld gelijkvormig is, geen zegel vertoont.
Men behoort aan het uitwendige leven te kunnen zien, wie aan de wereld toebehoort en haar dient en wie aan God toebehoort en Hem dient. Wie tot de huishouding van een koning behoort, leert hem van nabij kennen. Dacht u niet, wanneer de Geest Gods als het onderpand der eeuwige heerlijkheid in ons woont, dat we heel wat intieme kennis zullen hebben van de Koning der koningen? De man, die gestempeld is, heeft een zaligmakende kennis van God, Christus en zichzelf. Wordt iemand zo maar ineens in het livrei van een koning gestoken? Natuurlijk niet. Zo komt het stempel Gods niet zonder voorafgaande onderhandeling en bespreking aan een gelovige te hangen. De gelovige wordt immers verzegeld. Daar gaat aan het geloof heel wat vooraf. Dan moet de Vader trekken uit de macht der duisternis en Hij moet trekken tot Christus. Dat is een hele gewaarwording of zou men denken van niet? Daar komt een belijden van onze onwaardigheid, een hongeren en dorsten naar Gods gemeenschap, een inwilligen in Gods Verbond, een geven van ons hart aan de Heere. En als er die geloofswerkzaamheden niet vooraf zijn gegaan, wat valt er dan te verzegelen? Iedereen kan zich wel een zegel omhangen, maar wat baat het, als het ons niet van God Zelf gegeven is, als wij er niet toe gerechtigd zijn? Is die verzegeling nu onveranderlijk? Inderdaad, want de Heere is betrouwbaar. Deze mens is gekocht. Hij heeft een onderpand gekregen van de toekomende heerlijkheid. Zou de Heere het zeggen en niet doen? Men moet wel een echte remonstrant zijn om dat te denken. Zij waren altijd maar bang, dat de mens niet tot zijn recht kwam. De mens moest de vrijheid overhouden om zichzelf te vernielen. Maar God staat Zijn volk dat niet toe. Wat zijn de eenvoudige inwendige zegels? Dat de Geest Gods in de mens geschapen heeft een inwendige begeerte om tot Gods eer te leven. Het is ook dit, dat de geringste zonde onze ziel kwelt en ontroert.
Wie het zegel draagt is voor eeuwig verzegeld. De gelovigen kunnen niet uit Gods hand vallen. Zij liggen niet vast in hun eigen handen, dat zou een ramp zijn. Zij liggen vast in Gods eeuwige goedertierenheid. Daar kunnen zij voor zichzelf van verzekerd zijn, gelijk we in het volgende gedeelte van Hoofdstuk V beschreven vinden. Nu besluiten we art. 8 met de woorden: de verzegeling van de Heilige Geest kan niet verijdeld of vernietigd worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's