De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschuiving

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschuiving

11 minuten leestijd

We lezen tegenwoordig veel van verschuivingen. De bedoeling is meestentijds, om aan te geven, dat de opvattingen en meningen over bepaalde leerstellingen t.o.v. vroeger veranderd zijn. Dit is een gevolg van doorgemaakte ontwikkelingen en meerdere kennis van vele zaken dan vroeger.

Men wist een drie-a vierhonderd jaar geleden minder van de grondtalen, waarin de Bijbel geschreven is, dan nu. Men had minder handschriften tot zijn beschikking, en ook waren deze jonger, dan later ontdekte.

De natuurwetenschap heeft enorme ontdekkingen gedaan, zodat men de ouderdom van fossielen en gesteenten enz. vrij nauwkeurig kan vaststellen.

De techniek maakte een ontwikkeling door, die ongelofelijk is.

Men heeft in de bestrijding van ziekten geweldige vorderingen gemaakt. Ziekten, die vroeger ongeneeslijk waren, kunnen met de moderne middelen met „succes" bestreden worden of voorkomen.

De gemiddelde voedselpositie van de hedendaagse mens is beter dan ooit en zekerder dan ooit. En het gevaar voor hongersnood is tot een minimum gereduceerd.

Vroeger, tot voor ongeveer honderdvijftig jaar, moest de mens letterlijk in het zweet zijns aanschijns zijn brood verdienen. Met mankracht moest het meeste werk gedaan worden. Behalve het dier had hij wat — primitieve — werktuigen tot zijn beschikking, maar dat was ook al.

Afstanden konden wel overbrugd worden, maar ten koste van veel tijd en moeite en ongemak. En dikwijls ook alleen maar met veel risico.

Typerend is in dit verband, dat het woord „ellendig" en „uitlandig" hetzelfde betekenen, althans betekenden. Zeker, ook de zee werd bevaren, maar men leze Ps. 107 : 23 v.v. maar eens en Hand. 27, waarin de schipbreuk van Paulus beschreven wordt, en we weten hieruit, hoe klein de mens van toen was. „Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft. Zij rijzen op naar den hemel, zij vallen neder tot in de afgronden, hun ziel versmelt van angst. Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden". (Ps. 107 : 25—27). Met welke enorme verliezen aan mensenlevens gingen de reizen naar de Oost in de 16e en 17e eeuw niet gepaard! Ja, vele keren was het: Al hun wijsheid werd verslonden!

Begrijpelijk, dat de visser, de schipper God vreesden. Begrijpelijk, dat de landman, geheel afhankelijk van de vruchtbaar makende regen, God vreesde!  Begrijpelijk, dat de mens van vroeger God vreesde, al was het dikwijls — helaas — uitwendig.

In het algemeen zijn de eerder genoemde ontwikkelingen in de 17e eeuw op gang gekomen. In de 19e eeuw ging het sneller, denk maar aan de uitvinding van de stoommachine en de toepassing van de elektriciteit, de fotografie, het rijwiel en de auto.

De mens van de 20e eeuw is echter in een stroomversnelling terecht gekomen, die niet of nauwelijks bij te houden is.

Omstreeks 1800 had een dagloner 1 uur nodig, om met de sikkel één are koren te maaien, in 1850 deed hij er met de zeis een kwartier over; tegenwoordig doet de boer het met paarden en maaimachine in twee minuten en met de tractor nog sneller.

In 1948 waren er 110 arbeiders nodig, om een volledige Volkswagen af te leveren, 10 jaar later konden 18 arbeiders hetzelfde presteren in dezelfde tijd. (Dr. W. Keunike uit Braimschweig in „Der Mittlere Weg").

Het Centraal Bureau voor de Statistiek geeft de volgende toename van de productiviteit: Stelt men de productie in 1953 op 100, dan was de productie per werknemer in 1962 al opgelopen tot 142. Stelt men de productie per werknemer in 1958 op 100, dan was deze in 1964 reeds opgelopen tot 133.

De arbeider, die vroeger gebukt ging onder zware vrachten, bestaat praktisch niet meer. Als een koning staat hij nu op de kraan en draait tonnen aan gewicht neer in een luttel aantal seconden op de plaats waar hij wil.

De mens heerst over de machine, en de machine doet het werk. Niet alleen de productie is verveelvoudigd, ook de mogelijkheden zijn oneindig veel meer dan 150 jaar geleden. Zien wij niet, dat b.v. de gemiddelde leeftijd van de mens veel hoger is dan een eeuw geleden, mede dankzij de menselijke arbeid op dit terrein?

De menselijke ratio, een vonk van het beeld Gods, heerst meer en meer over de schepping, en dit, ondanks de val, in het paradijs.

Het lijkt wel, alsof de Schepper van hemel en aarde enigermate in de vervulling van het Schriftwoord „de hand des vlijtigen zal gezegend worden", de vloek over de aarde, d.w.z. van de mens, wat heeft willen terugnemen. De mens doet nu, met minder moeite, veel meer. En dat enkel en alleen door Gods rijke zegen op zijn werk, en zelfs ondanks het feit, dat het de mens niet goedgedacht heeft, om God in erkentenis te houden.

Er is, door Gods zegen op het werken van de mens, tijd en ruimte en mogelijkheid gekomen om andere arbeid te verrichten: arbeid in Gods Koninkrijk. Arbeid in allerlei zin, maar met 't doel, om God te eren en te verheerlijken. Arbeid met de bedoeling, om ook hierin Gods wil te doen, opdat Zijn Koninkrijk kome.

Zo kan de mens nu mede-arbeiden aan het vaste gebouw van Gods gunstbewijzen, dat naar Zijn gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen.

Zo geeft God, menselijk uitgedrukt, de gelegenheid, om de komst van Gods eeuwige rust, waarnaar sinds Adam het schepsel hijgend uitziet, te bespoedigen. Zo biedt God de Heere de uitweg, om uit de tijd van de vervloeking van het aardrijk, via de zegen, die op de arbeid rust, te komen tot de tijd, waarin de Heere zal zijn alles en in allen.

Minder dan ooit tevoren is, door onverdiende zegen op het ploeteren van de mens, de mens gebonden aan het werk voor zijn dagelijks brood. Méér dan ooit te voren is, door ongehouden goedheid, de mens in de gelegenheid, om zich aan andere dan „slaafse" arbeid te geven.

Méér dan ooit tevoren kan de arbeid, die gedaan wordt, dienstbaar zijn aan de komst van Gods Koninkrijk. God de Heere geeft hiertoe de mogelijkheden.

Zijn dit geen aanwijzingen, dat de grote Dag des Heeren met rasse schreden nadert? Hij komt, Hij komt, om de aarde te richten, en daarom: Laat al de stromen vrolijk zingen! Want het gaat naar de tijd toe, dat alle ontwikkelingen op de aarde zullen ophouden. Eenmaal is de laatste uitvinding gedaan, het laatste octrooi verleend. Het gaat naar de tijd toe van de grote rust, bestaande in het dienen van God, dag en nacht.

Maar helaas. Ook in vorige tijden had de mens er moeite mee, was hij onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Ook toen en reeds sinds de val vergat hij God in dagen van voorspoed. Maar de voorspoed was van korte duur. En de voorspoed was niet gebaseerd op het menselijk kunnen.

En nu wel. Nu is dit — schijnbaar — wel het geval. En we zien de gevolgen. De mens kan, wat hij wil, hij kan heel veel. En het gaat hem wel, het gelukt hem wat hij doet. Althans dikwijls.

Wij kunnen, wat wij willen; de eerste retours naar de maan zijn reeds lang besteld.

„Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde". Is dit nog zo bij de mens, die kan wat hij wil?

Daar is vele jaren geleden een dissertatie verschenen over het „proefgebod". Waarom heeft God tegen Adam gezegd, dat hij van de boom der kennis van goed en kwaad niet mocht eten? De schrijver vergeleek toen de verhouding tussen God en Adam met die tussen de farao van Egypte en Jozef de onderkoning. „Alleen deze troon zal ik groter zijn dan gij". (Gen. 41 : 40c).

Sinds Gods bevel aan Adam: „Van de boom der kennis van goed en kwaad zult gij niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft", zijn vele eeuwen voorbijgegaan, en drie machtige feiten zijn sindsdien geschied. Adam en Eva aten toch van de verboden boom. Zij wilden toch op Gods troon zitten. En dat kon God niet toelaten. De eerste mens viel, onpeilbaar diep.

Maar God de Heere, die niet laat varen het werk van Zijn handen, zond Zijn Zoon, Jezus Christus in de wereld: „opdat, wie in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwig leven hebbe".

De mens heeft Gods beeld verloren, maar hij werd geen dier, hoewel verduisterd van verstand. Wij hebben van nature geen verstand meer van God en goddelijke zaken.

De techniek komt echter bij Kaïns nageslacht tot een geweldige ontwikkeling: koper en ijzer werden ontdekt, harpen en orgels uitgevonden. „Laat ons een toren bouwen, die tot de hemel reikt". De techniek is veelszins God-loos. Of moeten wij zeggen: kwam in de plaats van de dienst van God? We zien er iets van in de 19e eeuw: God liefhebben boven alles, de naaste als onszelf. Omdat het met het eerste niet in orde was, kwam de mens bij de machine in de 19e eeuw tekort. En de kerk had het gedaan, zei men. Dit is zo niet waar, of toch wel?

En moest meer afzet komen, want de productie groeide. Ook de werknemers, de grootste groep, zijn afnemers. Men ontdekte, dat men meer kon produceren, als de werknemers meer faciliteiten verkregen. In naam van de humaniteit. Het klinkt allemaal heel mooi. Na Rousseau en Voltaire kwamen Nietzsche en Karl Marx met hun leuzen en beïnvloedden de mens van de 20e eeuw. Geen God en geen meester, meer vrije tijd, meer vrijheid, de vrijheid van het paradijs willen we nóg hebben. Vrijheid én rust. Maar zonder God. En toch zal ons hart onrustig blijven, totdat het rust vindt in God.

Maar intussen is de mens van de 20e eeuw God-loos geworden. Wie maakt er zich nog druk over, dat de ander naar de kerk gaat? Dat met ieder voor zichzelf weten. Velen zeggen: ik heb er geen behoefte aan, voor mij is dat niet nodig. Ik geloof wel, dat God bestaat, of ook: ik geloof het niet, maar waarom zou het niet goed komen?

Typerend is, dat alle volken, die in de Bijbel genoemd worden, hun eigen god (goden) hadden. Iedereen was godsdienstig. Paulus, de heidenapostel, had zelfs in Athene een aanknopingspunt: ik verkondig u de onbekende God. Alle eeuwen door, tot in de 19e eeuw toe waren de mensen godsdienstig. In Nederland was een 150 jaar geleden praktisch iedereen nog gedoopt. Iedereen behoorde tot een kerk. En nu?

In onze gemeente geeft ongeveer één vijfde deel van de nieuw inkomenden op, dat zij tot geen kerk behoren. Van degenen, die opgeven, tot de Ned. Hervormde Kerk te behoren, gaat minstens de helft niet meer naar de kerk. Een van onze predikanten dacht, dat 85% van de nieuw ingekomenen onkerkelijk is. Op een vraag aan een pas ingekomen gezin, of het een Bijbel in huis had luidde het antwoord: We hebben er wel twee. Nu dat is mooi. En leest u er wel eens in? Nooit, was het antwoord. Wel Hervormd, we hebben ook nog wel een Bijbel, maar we doen er niet meer aan.

We werken vijf dagen, vrijdagavond gaan we weg met de auto. Met of zonder caravan erachter. En belt men op een avond in de week aan, dan krijgt men soms geen gehoor. Vanwege de televisie. Deze vertelt ons alles, wat er in de wereld gaande is, hoe knap de mens is. Hoe snel hij voort kan, met de auto, op de schaats en met de ruimtecapsule.

„Het gaat hem wel, het gelukt hem, wat hij doet".

Maar dat geldt van de mens, die God vreest, die in Zijn wegen wandelt! Dat is de grote verschuiving in de twintigste eeuw. Wij hebben God niet meer nodig. Wij weten het zelf wel. Wij kunnen het zelf wel. Wij redden het wel, zonder God.

Dat vreselijke maakt de inwendige zending zo geweldig moeilijk. Dat verschrikkelijke maakt op de zendingsvelden zijn slachtoffers. Dat ontzettende verslaat in onze kerk zijn duizenden. Het is een besmettelijke ziekte, die ons allen bedreigt en velen aantast. „God zwijgt", zei een ongelovige journalist enige tijd geleden. Ja, God zwijgt, nog, in Zijn barmhartigheid. En toch ook: Hij spreekt en heeft gesproken vandaag nog: O land, land, land, hoor des Heeren Woord!

Voorzover er van verschuiving sprake is, van God af, is dit de grondoorzaak: Het heeft de mens niet goedgedacht, om God in erkentenis te houden. Hij wil als God zijn. De prediking van Johannes de Doper begon met „Bekeert u". De prediking van de Heere Jezus begon eveneens met: „Bekeert u”. Dat hebben wij allen nodig. Bekering van onze eigen wijsheid, vrucht van een verduisterd verstand, naar de wijsheid, die uit God is.

Wat worden wij dan klein! En bescheiden: „Ik weet, dat Gij alles vermoogt. Ik ben stof en as". Dan kan de Heere zegenen. Uit genade.

Want Hij alleen is groot, de knapste mens is klein, zeer klein. Ook de mens van de twintigste eeuw.

Alphen aan de Rijn, G.J. Kardol

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Verschuiving

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's