De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DEELGENOTEN VAN CHRISTUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DEELGENOTEN VAN CHRISTUS

7 minuten leestijd

Vraag en antwoord 20. Vr. Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam verdoemd zijn geworden? A. Neen, maar alleen degenen, die hem door een waar geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen.

Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood en deze is doorgegaan tot alle mensen. Wij hebben allen in Adam, ons bondshoofd en onze eerste vader, gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.

Nu wees onze catechismus in het voorgaande op Jezus Christus als de middelaar Gods en der mensen, geschonken tot wijsheid, rechtvaardigheid en heiligmaking, ja tot een volkomen verlossing. Hij is de tweede Adam, de tegenvoeter van de eerste. Is Adam gevallen door de verleiding, Christus is staande gebleven in de verzoeking; heeft Adam de vloek over de wereld gebracht, Christus heeft die weggedragen.

Het is niet wonderlijk dat daarom de gevolgtrekking gemaakt is, dat - zoals in Adam het gehele menselijk geslacht verloren is - nu in Christus de ganse mensheid behouden is en tot de zaligheid geleid wordt.

De eerste die dat leerde was Origenes (gest. 254). Hij leerde het wederherstel aller dingen. Allen en alles, tot zelfs de duivelen toe, zouden uiteindelijk gered worden. We kunnen nu niet verder op deze leer ingaan, maar het is wel merkwaardig, dat juist in onze tijd deze origenistische gedachte weer menige geest boeit. Het is ook een verleidelijk idee. En als de H. Schrift met haar vele cruces voor het verstand niet absoluut het laatste woord heeft, maar de rede in haar drang om de lijnen consequent door te trekken speelruimte gegeven wordt, is het vanzelfsprekend dat het theologisch denken in die richting tendeert.

De Schrift leert ons echter iets geheel anders. De Kerk weet door haar in het geloof met beving van de scheiding van de mensheid in tweeën. Een scheur die dwars door volk, familie en gezin gaat, ja ook dwars door de zichtbare kerk.

Deze ontroerende werkelijkheid kan de gelovige, die weet wat dood en eeuwigheid zeggen willen, met ontzetting vervullen. Hij aanbidt tevens echter Gods aanbiddelijke raad: Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Niet ieder die zegt „Heere, Heere" zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen. Dezen is het evangelie een reuk des levens ten leven, genen een reuk des doods ten dode. - In de dag der dagen zal voor aller oog gesteld worden: Twee zullen er op de akker zijn, de een zal aangenomen, de ander verlaten worden; twee vrouwen zullen malen in de molen, de een zal aangenomen worden, de ander zal verlaten worden. En de schapen zullen van de bokken worden gescheiden. Deze zal vernemen: Ga in, gij gezegende mijns Vaders en beërft het Koninkrijk der hemelen; gene: Ga weg, gij werkers der ongerechtigheid. Ik heb u nooit gekend.

Zo is hét duidelijk dat Christus' werk niet allen zonder onderscheid tot zaligheid ten goede komt. Vandaar dan ook de vraag. En we hebben er persoonlijk alle belang bij het juiste antwoord op die vraag te kennen. Niet maar te weten, maar - zeer persoonlijk - te kennen.

Het antwoord laat geen twijfel over. Het gaat om het gelóóf in Christus. Of - om met ons leerboekje te spreken - om het in Christus door een waar geloof worden ingelijfd en het aannemen van al zijn weldaden.

We mogen toch wel ten zeerste dankbaar zijn dat we onze reformatorische geschriften hebben. Want velen zouden ongetwijfeld in hun antwoord op de hier gestelde vraag gesproken hebben over de wedergeboorte inplaats van het geloof. Nu weerhoudt onze catechismus hen ervan. En terecht, want het werken met een onbewuste wedergeboorte als de inplanting in Christus kan alleen maar schade berokkenen aan zielen. Het gaat om gemeenschap des geloofs met Christus. Meer is niet nodig, maar met minder kunnen we niet toe. Het antwoord is dan ook door en door bijbels.

Niet zonder reden wordt het hier geformuleerd zoals het er staat: Hem door een waar geloof ingelijfd worden en al zijn weldaden aannemen. Daarin wil ongetwijfeld beklemtoond worden dat de vereniging met Christus een weldaad der genade is, en dat het geloof hierbij slechts instrument is. Het geloof, zelf een gave Gods, is het middel waardoor de zondaar in Christus opgenomen wordt. Dat allereerst. Het geloof is derhalve allereerst ontvangend van aard, niet nemend.

Dit op te merken is zeer belangrijk, omdat hiermee afgesneden wordt het zichzelf toeëigenen in een voor waar houden, zonder aan eigen onvermogen en verdorvenheid te zijn ontdekt.

Bovendien is het duidelijk dat de catechismus - ook al zegt hij het niet met zoveel woorden - hier belijdenis doet van de souvereine verkiezing Gods.

We mogen dan ook niet onvermeld laten dat hiermee afgewezen wordt de leer der algemene verzoening. Deze leer wil niet beweren dat alle mensen daadwerkelijk zalig worden, maar wel dat alle mensen zalig kunnen worden als ze maar geloven. Het geloof wordt afhankelijk gesteld van de vrije wil van de mens.

Wij willen graag toestemmen dat Christus' werk genoegzame kracht heeft tot zaligheid van alle mensen. In het tweede hoofdstuk der Dordtse Leerregels lezen we: Deze dood des Zoons Gods is de enige en volmaakte offerande en genoegdoening voor de zonden; van oneindige kracht en waardigheid, overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonden der ganse wereld. Maar daarnaast wordt even krachtig beleden: Zovelen als waarachtig geloven, en door de dood van Christus van de zonden en het verderf verlost en behouden worden, die genieten deze weldaad alleen uit Gods genade, hun van eeuwigheid in Christus gegeven, welke genade Hij niemand schuldig is.

Want dit is geweest de gans vrije raad, de genadige wil en voornemen Gods des Vaders, dat de levendmakende en zaligmakende kracht van de dierbare dood zijns Zoons zich uitstrekken zou tot alle uitverkorenen, om die alleen met het rechtvaardigend geloof te begiftigen, en door ditzelve onfeilbaar tot de zaligheid te brengen.

Zo openbaart ons het Woord uitdrukkelijk, dat Christus en zijn Kerk als Hoofd en Lichaam van eeuwigheid af één zijn. Christus is niet op aarde gekomen met de risico dat Hij een Koning zou zijn zonder onderdanen. Neen, Hij stelde zijn leven voor zijn schapen. En Hij bad: Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij, Vader, Mij gegeven hebt.

De genade is niet algemeen, maar particulier. Het ware geloof is particuliere gave Gods. Hierin ligt voor de Kerk haar heerlijke vastheid en troost. In het geloof in Christus aanbidt Gods gemeente haar drieënige God, die in Zijn verkiezing in Christus de eeuwige grond is van haar zaligheid. En de Heilige Geest „begiftigt met het geloof, het welk Hij hun, gelijk ook andere zaligmakende gaven van de Heilige Geest, door zijn dood heeft verworven". (Leerregels van Dordt).

Zo wordt enerzijds niet te kort gedaan aan de waardij van Christus' zoenoffer (overvloedig genoegzaam tot verzoening der zonde van de gehele wereld), anderzijds nochtans het louter genade-karakter van het geloof beklemtoond en de verkiezing in Christus beleden. Het geloof kan beide, omdat het niet te rade gaat met het verduisterd verstand, maar hart en hoofd gevangen geeft aan de gehoorzaamheid van Christus. Vandaar dat het bijbels geloof op het verstand de indruk maakt van inconsequent te zijn. Dat is ook zo. Zo gauw die indruk niet meer gewekt wordt heeft de scholastiek ons in haar greep. Als b.v. - wat in de gemeente nog al eens voorkomt - koud-orthodox verstandelijk geredeneerd wordt van de verkiezing naar het geloof,  terwijl men de verantwoordelijkheid van zich afschuift, is men ver van de H. Schrift verwijderd.

Intussen is het wel zo, dat het ingelijfd worden door een waar geloof in Christus ongetwijfeld in kennis brengt met het verkiezend handelen Gods. Gaan we ons bekommeren om ons eeuwig heil en krijgen we te doen met zonde en schuld, dan wordt ons de kennis van Christus noodzakelijk. Maar juist dat doet ons verstaan wat het betekent om erbuiten te staan en vreemdeling te zijn aan het verbond doordat we zelf de deur hebben toegeworpen, onszelf hebben gemaakt tot Lo-Ammi, niet-mijn-volk. Daar wordt het geloof werkzaam in honger en dorst naar Jezus, tot een ontvangen van Hem als gezegende Zaligmaker. Christus wordt ons openbaar als ons Leven. Hij wordt verheerlijkt en ontvangen. Het geloof is allereerst ontvangend van aard. Dat is heel wat anders dan lijdelijk. Het is juist een en al spanning en actie in het ontvangen. Wonder van de Heilige Geest: gave der genade.

„U heeft Hij mede levend gemaakt, daar ge dood waart door de misdaden en de zonden". - Zij worden zalig die Christus door een waar geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DEELGENOTEN VAN CHRISTUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's