KLACHT EN AANKLACHT
„o, geslacht, aanmerkt toch gijlieden des Heeren woord. Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen? " Jeremia 2 vs. 31.
(1)
Jeremia, uit een priesterfamilie tot profeet geroepen, is maar niet een man onder de mensen; hij is een man Gods, die het Woord Gods spreekt. Hij hoort de wereld van toen in haar voegen kraken, het wereldrijk van Assyrië gaat weldra te gronde. Hij ziet de breuken van zonde en oordeel, in het volksleven van Juda, hij kan er niet oppervlakkig overheen strijken, hij kan ze niet met een vrome spreuk voor genezen verklaren, daarvoor zijn ze te diep en te onheilspellend. U hoort in zijn woorden het naderende onweer rommelen. Hij twist met zijn volk over het geestelijk en zedelijk verval, over de godsdienstige verwording, die hand over hand toeneemt. Wanneer Jeremia spreekt, betrekt de hemel; dan regent het klachten. Soms is 't een wolkbreuk; meestal een druilende regen, die de hele dag uit grauwe luchten valt. De man staat er middenin, hij kan er niet droog onder blijven, zijn ziel wordt ervan doorweekt en doordrenkt: Wee mij! Jeremia jeremieert. Dat staat ons maar matig aan, niet waar, het wordt wat eentonig, wij luisteren ternauwernood. Wij worden liever niet nat. Priesters en profeten zetten hun paraplu op: des Heren tempel, des Heren tempel; vrede, vrede, geen gevaar. De regen tikt op het strakgespannen doek, kom er ook onder, dan blijven we samen droog.
Wij vergeten zo gauw, dat het des Heren woord is: Aanmerkt toch gijlieden des Heren woord. Verneemt het, en neemt het ter harte. Gód klaagt over Zijn volk in alle toonaarden, door de mond van Jeremia. Zoals Hij bidt door de mond van Paulus. Wonderlijk is dat. Hij draagt blijkbaar leed over het gedrag van Zijn volk, zij doen Hem verdriet. Hij daarentegen doet alle moeite om hen naar zich toe te trekken, voor zich terug te winnen. Gods hart klopt in dit woord; dat maakt de klacht zo indringend, zo ontroerend. Uw hart zou er onder breken, och, brak het eens, terwijl u dit leest.
O, geslacht. Dat zijn de tijdgenoten van Jeremia, de mensen, die toen leefden. Die leefden onder dezelfde oordelen, niet alleen tijdgenoten, maar ook lotgenoten. Het zijn de soortgenoten van alle tijden; dit geslacht is nog niet uitgestorven, het is, met enig voorbehoud, de gemeente van vandaag in al haar geledingen. Tot ons richt de Here het woord, met een vraag: Waarom? Hij roept ons wakker en Hij roept hard, omdat wij in een diepe slaap verzonken liggen. Ziet toch. Ik heb u getuchtigd, maar het was tevergeefs; de tucht werd niet aanvaard. Ik stuurde Mijn knechten naar u toe, gij hebt die gedood. Doe nu eindelijk uw ogen eens open. Nóg laat de Here dit geslacht niet los; Zijn klacht is een laatste middel om hen te lokken en te trekken.
Daar maakte dit geslacht het niet naar. Het was niet alleen ver van God geweken, het weigerde weder te keren, in een verbijsterende hardnekkigheid. Men kan ons, - want wij zijn dit geslacht - overal toe krijgen, maar tot de Here komen wij niet. Wij zijn overal voor te vinden, behalve voor de bekering. Wij? O, geslacht. Wie de schoen past, trekke haar aan. U zult versteld staan over de goede pasvorm van deze schoen, die in alle maten vervaardigd wordt. Zowaar, hij past mij, en mij ook. Dat wordt een hele drukte, mijn lezers, want de schoen moet aangetrokken worden, de tekst toegepast. Misschien mag ik deze en gene even helpen; u wringt het nog wat, wilt u er niet aan?
U bent overal te vinden, behalve bij de Here uw God. Uw God, de God des verbonds. Mijn volk, zegt de Here; toch Mijn volk, nog Mijn volk. De Here spreekt ons dus aan op onze verhouding tot Hem, op onze verantwoordelijkheid tegenover Hem. Niemand kan die verhouding en die verantwoordelijkheid ontkennen, wij dragen het teken en zegel daarvan immers mee. Daarom is het zo vreemd, dat dit volk de omgang met de Here verbroken heeft. Wij zullen niet meer tot U komen, zeggen zij. Dat is niet alleen het verkeer, wij mogen hier gerust het woord verkering gebruiken. Waarom toch? Is het per ongeluk, ging het ongemerkt? Nee, er is opzet in het spel.
Het is een duidelijke onwil, die in deze woorden klinkt: Waarom zegt Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen. Wij gaan onze eigen weg, wij keren niet weder. Wij zijn heren. Wij wisten ons los te maken van de Here onze God; nu wandelen wij naar het goeddunken van ons eigen hart, de andere kant uit. Wij verlaten de Here steeds verder, wij bedwingen onze voeten niet, het hart wil hen graag de vrijheid geven; wij zijn immers heren. Ik ben vrij man, ik kan gaan en staan, waar ik wil. En we houden het vol, vaak tegen beter weten in. De Here ziet ons zwerven en dwalen. Van hoogte naar hoogte, langs alle hellingen. Wij worden daar zo ontzettend moe van, maar dat willen we niet weten, althans niet voor Hem. Komt de nood aan de man, dan lopen we om hulp, we draven her en der, we vallen en staan weer op. Heren blijven we.
Zwervers, o zeker. Maar slaan we nu eens nooit die andere richting in? Hoe vreemd is dat. Weggaan is tot daaraan toe, maar niet wederkeren! Velen vinden dat vanzelfsprekend, hun rechtzinnigheid heeft daar een verklaring voor. De Here vindt het vreemd; Hij stelt ons de trekvogels ten voorbeeld: Zelfs een ooievaar aan de hemel weet zijn gezette tijden en een tortelduif, en kraan en zwaluw nemen de tijd van hun aankomst waar! Mijn volk echter Koud en laatdunkend is het antwoord: Wij zullen niet meer tot U komen. Wij zijn heren, dat is het hem. Tot U komen betekent ons voor U vernederen, ons voortaan door Uw hand laten leiden. En dat vertikken wij! Dat is het toch, die vervloekte hoogmoed. Die ijdele waan: wij zijn heren. Vrijgevochten mensen, zeker in deze tijd. Het mocht wat. Van God weggelopen, lopen we de vorst der duisternis achterna. Hij geeft de richting aan, en wij volgen, gedwee als schapen, gedwee naar graf en verderf. Ondertussen verklaren wij trots: Wij zijn heren. Satan laat ons in deze waan, hij voedt die met zijn leugens. Alleen de Here kan ons daarvan bevrijden door Zijn waarheid.
Zegt nu eens eerlijk: Wie heeft zich tegen God verhard en vrede gehad? Is het nu zo heerlijk „heer" te zijn, eigen heer en meester. Hoort u de stem des Heren nooit: Ik ben de Here uw God. Komt tot Hem. Komt tot Christus, in Wie God Zijn handen uitstrekt naar dit geslacht, uitgerekend naar hen, die dwalende van hart zijn. U wilt van allerlei, u wilt overal heen. Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben. Dat zegt de Here Jezus, Die midden onder ons staat, wanneer wij het woord des Heren overdenken. En Hij kan het weten, nietwaar ? Wat een dwaasheid, wat een dwarsheid. Onthoudt 't maar goed: De onbekeerlijkheid is niet heel gewoon, zij is heel vreemd.
Is het dan zo vreselijk om tot de Here weder te keren? Is het bij Hem dan niet om uit te houden? Men zou het haast denken. Wat hebt u op Hem tegen, wederspannig geslacht, dat uw woorden zo vastberaden klinken: alles, maar dat nooit. De klacht des Heren mag uw hart wel raken, vooral omdat de smart over uw gedrag erin meetrilt: Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Een woestijn. Let wèl, de Here een woestijn voor Israël. Vol van gevaren, waar niets te vinden is, waar niet te leven valt. De woestijn die vermijden wij, indien dat enigszins mogelijk is. Wie er geweest is, neemt zich voor: daar kom ik nooit weer. Ben Ik dat geweest? Hebt u dan nooit gehoord, hoe goed het bij de Here is? Zeker, dat hebt u gehoord. Hij wil van alle goed verzorgen, en alle kwaad weren, of ten beste keren. Daar staat Zijn verbondsnaam borg voor. Er is bij Hem alles te vinden, er is bij Hem te leven, bij Hem alleen. Het tegendeel van een woestijn is de Here.
Hebt u dat soms vroeger wel eens ondervonden? Waarom zegt gij dan: “Is de Here veranderd, is Hij sindsdien een wildernis geworden?” Neen, en nog eens neen. Ik de Here word niet veranderd. Wat Ik voor u geweest ben, ben Ik nog. Was dat een woestijn, was dat een land van uiterste donkerheid? Een achterland, zo ver weg en zo akelig donker, dat men daar alleen maar verdwalen kon en omkomen. Het laat zich denken, dat niemand graag de woestijn intrekt, dat niemand graag naar zo'n donkere streek terugkeert. Wij zullen niet meer tot U komen.
Wat dunkt u van de Here, mijn lezer? Ontwijk het antwoord niet, de Here smeekt het u, terwijl Hij u recht in het hart kijkt. Is het bij Hem geen leven, is het bij Hem derven en sterven? Zo lijkt het wel, want u wilt voor geen geld van de wereld tot Hem komen. U bent er met geen stok naar toe te slaan, geen vriendelijk woord, geen nodigend gebaar haalt u er toe over: Wij zijn heren; het komt niet in onze kraam te pas. Hij, wie is Hij? Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land van uiterste donkerheid? Dat maakt de vader der leugenen ons wijs. Tot de Here wederkeren, betekent volgens hem, zoveel als levend begraven worden. Bij Hem hebt ge niets te zoeken, wat ge nodig hebt bied ik u elders te kust en te keur. O, geslacht, aanmerkt toch gijlieden des Heren woord.
Nu kan ik niet langer zwijgen, en menigeen valt mij bij: Dat is niet waar. Dat is de Here nooit voor Zijn volk geweest, en dat zal Hij nooit zijn. De Here is goed en goeddoende, zingt de psalmist, en dat welt op uit het hart van allen die de Here kennen. Het kan er met ons nog zo duister en dor voorstaan, - woestijn en duisternis zijn ons namelijk niet onbekend - de Here is geen woestijn. Bij Hem is leven en overvloed. In Zijn nabijheid behoeven wij niets te ontberen. De Here is mijn Herder, mij zal niets ontbreken, en zo maar voort. Geen land van uiterste donkerheid is Hij: De Here is mijn Licht en mijn Heil. Wie dicht bij Hem mag verkeren, die wandelt in het licht. Wie Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen. Wij klagen wel eens; wij doen wel eens alsof de Here, de Here niet is. Zo'n vraag kan het bevroren hart ontdooien zodat het overvloeit van Zijn lof. Here, Gij zijt ons geweest. Kom er maar voor uit, ondanks alles wat u kan bezwaren. De Here is het zo waardig, dat Hij de eer van Zijn naam krijgt. Hij lokte u misschien door de overdenking van deze vraag uit uw tent, waarin u weggedoken zat: Ben Ik Israël geweest? Des nachts zal Zijn lied bij mij zijn, het gebed tot de God mijns levens.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's