De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

8 minuten leestijd

Naar aanleiding van de „Delftse doop".

In het „Kerkblaadje" (uitgave van de kring van vrienden van Kohlbrugge) van 21 okt. gaat ds. W. A. Hoek in op de doopsbediening in de Bethlehemkapel te Delft, waarin door pater S. Jelsma een meisje gedoopt is in een hervormde kerkdienst. Dr. Hoek citeert 'n frans gezegde: „Hoe meer deze zaak verandert, hoe meer ze dezelfde blijft". Hij wijst er op, hoe dit plaats vond in Delft, onder de nieuwe kerkorde, waarvan immers bij de invoering gezegd is, dat ze het hervormde kerkelijk leven ingrijpend zou veranderen en weer zou terugvoeren in presbyteriale banen. In tegenstelling tot de 19e eeuw: De eeuw van de dominocratie.

Speelt deze dominocratie ook in Delft geen grote rol, aangezien immers - volgens het verslag in de dagbladen - de centrale kerkeraad niet vooraf over deze zaak geproken is?

We citeren ds. Hoek:

Terugkerend tot het woord van onze Fransman, — indien hij in onze dagen in ons land geleefd en kerkelijk ook meegeleefd had, dan had hij met niet minder kracht van overtuiging kunnen zeggen: „Hoe meer deze zaak verandert, hoe meer zij dezelfde blijft." De zaak dan, die wij de „Nederlandse Hervormde Kerk" plegen te noemen. Die toonde immers in de vorige eeuw en nog diep in de tegenwoordige onder meer het beeld van een sterke domino-cratie. De dominee was heer van de kansel. Hij liet er preken wie hij wilde, en weerde wie hij niet verkoos. De eredienst was zijn zaak, en daarmee uit.

Sedert is er inderdaad verandering gekomen. De kerk, en al wat in de kerk gebeurde, is een zaak van de gemeente. De dominee mag wel spreken van „mijn kerk" en „mijn dienst", zoals hij ook mag spreken van „mijn pastorie", als hij maar goed begrijpt dat dit alles aan de gemeente toebehoort, die in haar kerkeraad is vertegenwoordigd. Zó is het in het nieuwe kerkrecht.

Samenvattend: als er in den jare 1966 een zaak eerst behoorlijk in de kerkeraad had moeten besproken worden, dan zeker wel deze. Om nog eenmaal, maar nu voor het laatst, op de Franse zegswijze terug te komen: zeiden we ook bij de leertucht niet precies hetzelfde? Onder de nieuwe kerkorde zou de preekstoel niet meer de gelegenheid zijn, om alle mogelijke en onmogelijke meningen te spuien. Hij was er, om het Evangelie naar de Schriften te verkondigen, en daarvoor alleen. Wat kwam daar echter van terecht? Wij zijn heden even „leer-vrij" als honderd jaar geleden.

Het artikel van ds. Hoek draagt als opschrift: De tijd der Richteren. De tijd, waarin ieder doet wat goed is in zijn eigen ogen. Alle reorganisatie, ook onder de nieuwe kerkorde, heeft daar geen verandering in gebracht. En omdat ieder doet wat recht is in eigen oog, neemt de verwarring toe in ons kerkelijk leven.

In de richting van de bisschop?

Ook Prof. van. Itterzon in het Herv. weekblad „De Gereformeerde Kerk" van 27 okt. brengt de nieuwe kerkorde ter sprake. Hoewel deze kerkorde een synodaal-presbyteriaal karakter draagt signaleert de Utrechtse hoogleraar een versterking van het bisschoppelijk element in de kerkorde. Allerlei bepalingen wijzen in de richting van de bisschop. Prof. Van Itterzon wijst op de bepalingen over de verplaatsing van predikanten, de wettelijke regeling van de streekgemeenten, de verminderde invloed van de classicale vergaderingen als grondvergaderingen van de Kerk. Het rapport over het ambt blijft nog steeds uit, In dit verband schrijft hij:

Er is nog steeds geen rapport over de ambten. Er is jaren aan gedokterd. Er is, als we goed zijn ingelicht, hard aan gewerkt. Eveneens schijnt het verhaal op waarheid te berusten, dat een rapport gereed kwam, dat onder de tafel werd gewerkt, omdat het te presbyteriaal was en men 'daar in de oecumene met zijn vele bisschoppelijke kerken niet mee voor de dag durfde komen.

Het zou een goed ding zijn, als de kerk de ware toedracht van zaken in elk geval zou mogen weten. Want als inderdaad het element van de oecumene een rol mocht hebben gespeeld, zijn we het spoor bijster geworden. Zou iedere kerk niet voor haar eigen inbreng in de oecumene zorgen? En waarom zouden wij als Nederlandse reformatorische kerk ons moeten schamen voor onze Calvinistische oorsprong? Waarom zouden we, om andere kerken te behagen, in ons rapport moeten verzwijgen, dat we niet voor bisschoppen voelen en een andere kerkregering prefereren boven de episcopale? We zijn nu 15 jaar na de invoering van de nieuwe kerkorde en nog steeds weten we niet, wat we onder de ambten moeten verstaan? Geen ambtstheologie? Maar toen het ging om de vrouw in het ambt, wist de kerk toch wel wat ze met „de vrouw" en „het ambt" bedoelde?

We hebben in ons kerkelijk leven al figuren, zoals Kerkopbouw die van de aanvang af heeft begeerd. Een enkele doet het goed, een ander zelfs bijzonder goed. Maar er zijn ook voorbeelden van nieuwgeschapen bisschoppen, die de kerk doen zuchten: dat nooit. Ze bemoeien zich met dingen waar ze niets mee te maken hebben, omdat ze nu eenmaal hun tijd moeten vullen en moeten waar maken, dat hun functie van waarde is. Ook, dat ze hun geld waard zijn, dat de gemeenten voor hen moeten bijeenbrengen. Soms om die gemeenten en predikanten zo onder druk: te zetten, dat het wel lijkt, of ze het kerkelijk leven eerder willen bezwaren dan veraangenamen. En dan denk ik waarlijk niet alleen aan Franeker!

Naast de kerkordelijke bepalingen van de laatste jaren, die duidelijk 'n bisschoppelijke tendens vertonen, schijnt het episcopale streven ook te moeten worden gesteund door het kweken van ontevredenheid met het bestaande. Als alles verkeerd gaat, moet dat immers liggen aan de kerkinrichting, is de kerk niet efficiënt (een modewoord) en moet er een nieuwe opzet komen.

We menen dat Prof. Van Itterzon hier terecht zijn verontrusting uitspreekt over de gang van zaken in de kerk. Wij mogen niet op negativistische wijze kritiek oefenen, zullen ook dankbaar moeten zijn voor veel werk wat aangepakt wordt, maar dat kan toch de zorg niet verhelen voor de koers waarin het kerkelijk leven via allerlei bepalingen gestuurd wordt. Een koers die hoe langer hoe meer in episcopale richting gaat. Daarbij komt - Prof. v. Itterzon wijst er in hetzelfde artikel op - dat men de toporganen steeds meer uitbouwt en kleine gemeenten opheft. Ook dat is een gevaar. Wij dreigen in ons kerkelijk apparaat „topzwaar" te worden. En de vraag is gewettigd: „Zal de top op de duur niet omlaag storten, als we de onderbouw niet tijdig restaureren? "

Grenzen van de tolerantie.

In de rubriek „Van week tot week" in het Geref. Weekblad (uitgave Kok, Kampen) van 28 okt. wijdt Prof. H. N. Ridderbos een aantal behartigenswaardige woorden aan het proces-van het Reve, waarover u in de dagbladen uitvoerig hebt kunnen lezen. Hierbij kwam aan de orde wat op godsdienstig gebied voor de wet al dan niet tolerabel is.

Het merkwaardige daarin was o.m., dat terwijl de officier van justitie de grenzen van wat te dragen is hier zeer duidelijk overschreden achtte en smalende godslastering constateerde, enkele als deskundigen opgeroepen theologen, n.l. de Ned. Herv-. prof. Smelik van Amsterdam en de R.K. prof. Grossouw uit Nijmegen, Van het Reve aan zulk een misdrijf niet schuldig achtten, o.m. met een beroep op andere erotisch getinte religieuze uitiagen in de mystische litteratuur; prof. Grossouw ging zelfs zover, degenen die in de geïncrimineerde uitingen van Van het Reve godslastering en niet een uiting van mystisch godsverlangen opmerken, van „literair onbegrip" te beschuldigen

Het beroep op erotische passages in de middeleeuwse mystieke literatuur is wel ver gezocht. Het gaat in ieder geval voorbij aan het homoseksuele en dierlijke element, dat Van het Reve zo provocatief mogelijk op God overbrengt; ook tijdens het proces sprak' hij van God als homoseksueel zoogdier. Zover mij bekend, wordt homoseksueel verkeer met dieren (of het verlangen daarnaar) nog als een abnormale perversiteit beoordeeld. Beleeft iemand zijn godsvoorstelling of godsverlangen op deze wijze, dan kan men daarover op zichzelf stellig nog verschillend oordelen, maar schijnt het toch niet te veel gevraagd het publieke spreken over God indien enigszins mogelijk tegen deze perversiteit en bestialiteit te vrijwaren, vooral wanneer 'dit op een zo uitdagende en zo kwetsende wijze geschiedt als deze schrijver het (blijkbaar tot in zijn verdedigingswoord nodig achtte te doen. Ongetwijfeld kan men zeggen, dat hetgeen op deze wijze gedebiteerd wordt meer een bewijs is van gekrenkt-zijn dan dat het een ander zou krenken. Maar is het daarom voor de wet, die het niet alleen met de intentie, maar bovenal met de zaak te doen heeft, minder verwerpelijk?

Het meest beschamende van alles schijnt mij wel, dat deze gehele affaire ook daarom (door de minister) aan de orde gesteld is, omdat deze schrijver voor zijn boeken uit de overheidskas betaald wordt. Ik wil nu maar niet stellen, dat er dus voor het toekomstige kabinet blijkbaar toch nog mogelijkheden schijnen te zijn om de uitgaven wat te „temporiseren". Want het aantal van dergelijke extreme cultuurdragers zal zo groot nog niet zijn, dat hier voor het evenwicht in 's lands financiën reële mogelijkheden liggen. Dat echter het proces blijkbaar óók nodig is om uit te maken, of dergelijke cultuur-produkten al dan niet aangemoedigd moeten worden, lijkt mij een bedenkelijk verschijnsel. Intussen, de heer Van het Reve is niet uit zijn veld geslagen. Zijn slotwoord luidde volgens het verslag: „Deze rechtspraak is geïnspireerd door aanmatiging, onverdraagzaamheid en domheid — deze drie, maar de meeste van deze is de domheid." Woorden, van soevereine hoogte gesproken. Hopenlijk zullen er in dit geding toch nog mensen zijn, die zich desondanks van de domme durven te houden.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's