WEZEN EN SCHIJN
Het tijdgeloof
Heid. Catech. vr. en antw. 21. Vr. Wat is een waar geloof? Antw. Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennen, waardoor ik alles voor waarachtig houd wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook aan mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en heil door God schonken is uit louter genade, alleen vanwege Christus' verdienste.
Het tijdgeloof.
Dit wordt zo genoemd omdat het maar van tijdelijke aard is. Voor een tijd schijnt men waarlijk te geloven, voegt men zich bij het volk Gods en is men bezig met de dingen des Heeren. Maar dan komt de afval en kiest men openlijk weer voor de wereld; die men eigenlijk in de grond van de zaak nooit losgelaten heeft.
We moeten dit tijdgeloof zeker van het zaligmakend geloof onderscheiden, daar toch het laatste onverliesbaar is. Er is immers geen afval der heiligen mogelijk. Hun zaligheid en hun geloof liggen onwrikbaar vast in hun roeping en verkiezing.
We kunnen echter wel vragen, of het tijdgeloof - zolang het geoefend wordt - in zijn wezen gelijk aan het zaligmakend geloof is, zodat het alleen maar van het laatste verschilt daarin, dat het slechts voor een tijd is.
Pelagianen en remonstranten beantwoorden deze vraag bevestigend, daar zij leren dat er een afval der heiligen mogelijk is en dat dus ook het zaligmakend geloof verliesbaar is. Daarmee leren ze echter dat het geloof van de mens afhangt en komen daardoor in conflict met Gods Woord. In onze tijd, waarin men van geen onderscheidingen wil horen, meent men dergelijke tegenstellingen te boven te kunnen komen in een hogere synthese, zoals duidelijk wordt in het rapport „Enige aspecten van de leer der uitverkiezing", samengesteld op verzoek van de commissie tot de zaken der Remonstrantse Broederschap en van de generale synode der Nederlandse Hervormde Kerk. Als we echter nauwlettend kennis genomen hebben van dit rapport, zullen we moeten erkennen dat het remonstrantse beginsel hierin zo goed als over de gehele linie zegeviert.
Als toegegeven wordt dat ook het zaligmakend geloof verliesbaar is, wordt alle troost benomen, wijl niet erkend wordt, dat God het werk dat Hij begonnen is ook voleinden zal. Daarom hebben de Dordtse vaderen terecht naar Gods Woord verworpen de dwaling dergenen, die leren, dat het geloof dergenen, die maar voor een tijd geloven, van het rechtvaardigend geloof niet verschilt dan alleen in gedurigheid.
Ook van het tijdgeloof is derhalve de wortel en het wezen geheel anders dan van het zaligmakend geloof. Daarom schrijft de apostel Johannes van degenen die afgevallen zijn: Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn.
Het is dus niet zo, dat ze eertijds wèl uit ons waren, en nu niet meer; neen, ook toen zij bij ons waren en voor het oog in niets waren onderscheiden van ons, was er in de grond toch een groot verschil.
Zo is dus het tijdgeloof - niet alleen wat de duur betreft, maar ook in wezen - onderscheiden van het zaligmakend geloof. Het tijdgeloof wortelt in de oude natuur, stamt niet uit de wedergeboorte, en openbaart zich daarom in een ijdel toeëigenen van de zaligheid en een zich aanmatigen van de staat der genade. Het heeft zijn grond in oppervlakkige gemoedsaandoening zonder grondige ontdekking aan de verdorvenheid van het hart. M.i. wordt het ons duidelijk getekend in de gelijkenis van de zaaier. De zaaier gaat uit om te zaaien. Het zaad is het woord van het Koninkrijk dat gepredikt wordt. Nu lezen we dat een deel van het zaad valt bij de weg, een ander deel op steenachtige plaatsen, een derde deel onder de doornen, en een vierde deel in de goede aarde.
Aangaande het zaad op de steenachtige plaats geeft Jezus deze verklaring: Degenen die op het steenachtige bezaaid zijn, zijn degenen die, als zij het woord horen, het met vreugde ontvangen; dezen hebben echter geen wortel, daar zij slechts voor een tijd geloven en in de tijd der verzoeking wijken ze terug.
De gelijkenis is sprekend. Op de rotsplaat ligt een dun laagje aarde. De zon verwarmt het en de warmte wordt door de steenplaat teruggekaatst. Het zaad, dat in dat laagje aarde ligt, ontkiemt veel eerder dan het zaad in de diepe goede aarde. Maar spoedig is alle vocht uit dat dunne laagje aarde weg, zodat alles verdort. Er was geen diepte van aarde. Dat kan toch niet anders beduiden dan dat het hart niet grondig en degelijk toebereid was. Het zaad des Woords kon geen wortel schieten tot op de bodem van het hart. Het Evangelie wordt gretig aangenomen, maar als de tegenvallers komen onttrekken zij zich. Als zij dus merken dat het Evangelie niet naar de mens is. Inwendig blijft de tijdgelovige onveranderd. Hij wordt vaak hierdoor gekenmerkt dat hij vrees heeft voor ontdekking, opdat hij zijn waan en aanzien niet zou verliezen. De oprechte van hart is daartegenover juist nergens zo bang voor als voor zelfbedrog en wil zich dan ook op geen voetstuk zetten en daar houden, maar wil het stempel des Heeren op zijn werk zien gezet en smeekt daarom: Doorgrond mij en ken mijn hart, o Heere; zie of er bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op de eeuwige weg.
Hoever zon tijdgeloof gaan kan blijkt uit Hebr. 6, waar we lezen van een verlicht geweest zijn, een gesmaakt hebben van de hemelse gaven, het deelachtig geworden zijn van de Heilige Geest, het gesmaakt hebben van het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw.
Het is wel duidelijk dat het hier gaat om de tijdgelovige in verband met de zonde tegen de Heilige Geest. Want er staat van zo iemand geschreven, dat hij bij afval niet tot bekering kan komen, maar aan de verharding wordt overgegeven.
Zonder nu hierop nader in te gaan, wijzen we op hetgeen hij gesmaakt heeft. Dat kan geen zaligmakende kennis zijn geweest, maar toch is er bijzondere verlichting des Geestes geweest. Echter niet zaligmakende. Toch heeft zijn ziel met ontroering hemelse dingen geschouwd. Hij heeft iets gesmaakt van de beloften van het Evangelie en is ontroerd en verblijd geweest over de hoop des eeuwigen levens, heeft mogelijk wel geroemd in de verlossing door Jezus' bloed en in de hoop op de wederkomst van Christus.
Dat alles wordt gezegd van het tijdgeloof. Het is daarom niet eerlijk pastoraat, als bij het ontmoeten van roem zonder diepe verootmoediging te bespeuren en afsnijding van eigen leven, niet ernstig gewaarschuwd wordt en opgeroepen tot zelfonderzoek onder Gods oog. We weten dat dan heel vaak boosheid en ergernis helaas het ergste doen vrezen. Waarom toch? „Wat zou ik eraan hebben, als ik het maar in schijn zou bezitten", zei een christin in antwoord op de vraag, of ze het niet erg vond, dat haar predikant haar wat ontnomen had. Ze was er alleen maar dankbaar voor.
Maar ja, het is wat om eerlijk te zijn. Toch, het gaat om ons eeuwig' heil. Geen kleinigheid. Het is toch de moeite wel waard om naar het ene kenmerk te zoeken, of we als veroordeelde zondaar, afgesneden van eigen bestaan, Christus als ons leven kennen. Waar dat het geval is kan niets worden afgenomen. Want dan worden we er mee naar het hart van Jezus uitgedreven. Al zou dan de rechtvaardige slaan, dan zal het nochtans weldadigheid voor mij zijn.
Daarom is hier geen kwestie van terugstoten van wankele zielen. Integendeel, zij worden opgewekt zichzelf geheel en al te veroordelen en in Christus het heil voor hun ziel te verwachten. Haastig zal het licht opgaan voor hun hart.
Doch wat op valse gronden bouwt tot in de wolken, het moet uitgeschud worden. Judas moest ontmaskerd, Simon de tovenaar eveneens. Niet dat het de opdracht is aan ons. De opdracht is het Woord te bedienen. Doch in afhankelijkheid en eerlijke bediening wil Christus op Zijn tijd en wijze het instrument hanteren tot ontmaskering.
Door gemis aan ontdekkende prediking, prediking vanuit het centrum vandaan, blijft de tijdgelovige in zijn waan leven. En dat behoeft in 't geheel geen opzettelijk bedrog te zijn, het kan ook inbeelding zijn, te goeder trouw zelfs!
Prediking vanuit het centrum schreven we. Ik bedoel daarmee dat het gaat om bediening van het Evangelie van Jezus Christus in de dienst der verzoening, in pastoraat en op de kansel. Wanneer men namelijk denkt ontdekkend te preken in het opsommen van wat kenmerken buiten dit centrum van het Evangelie om, dan vergist men zich, en zal men zowel de tijdgelovige als de historisch gelovige eerder stijven in zijn waan, dan in de kracht des Geestes aan de grond zetten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's