KLACHT EN AANKLACHT
O, geslacht, aanmerkt toch gijlieden des Heeren woord. Ben Ik Israël een woestijn geweest of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen? Vergeet een jonkvrouw haar versiersel? of een bruid haar bindselen? nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal". Jeremia 2 vs. 31 en 32.
(2)
Wij zetten nogal eens vraagtekens, zonder dat wij echt vragen stellen. De vraagtekens in onze tekst - en het zijn er niet minder dan vier - behoren bij echte vragen. De Here vraagt, Hij vraagt vragenderwijze. Ben Ik? Waarom zegt gij dan? Hebt ge aanleiding in Mij gevonden, om Mij voorbij te gaan? Zulke vragen werken altijd wat uit. Wij kunnen ze schouderophalend voor kennisgeving aannemen. Er wordt op de deur geklopt, wij geven niet thuis. Of de deur gaat op een kiertje open, de Here zet de voet tussen de deur en treedt binnen, om ons antwoord te vernemen. Wat hoort Hij dan van ons?
Mij dunkt, dat het antwoord niet zo moeilijk is. Ver van de Here, daar is het een wildernis, waar we rondzwerven zonder doel en zonder voedsel, de ondergang tegemoet. Ver van de Here, daar is het een land van uiterste donkerheid, waar het licht niet doorbreekt, waar we eigenlijk geen hand voor de ogen kunnen zien. Zo is het toch? Misschien bent u aan het zwerven geweest; waar bent u terecht gekomen ? In doodse verlatenheid en duisternis. Dan schreit ons hart: Och, werd ik derwaarts weer geleid. Naar U toe, achter U aan. Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven en mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen. Dat bedoelt de Here nu, met zo'n ontdekkende vraag: Ben Ik u geweest?
Wat heeft zich toch tussen u en Mij ingeschoven? Was het de zonde, was het de wereld, waren het de zorgvuldigheden van het leven? Was het de oude hoogmoed, die de kop opstak: Wij zijn heren. Vroeger, toen waren wij zo afhankelijk. Toen wandelden we de Here na, in bezaaid en onbezaaid land. Denk eens aan de dagen van ouds. Nu gedragen wij ons onafhankelijk. Wij zijn wat geworden, we zijn hele mensen geworden, bekeerde mensen, kortom heren. Wij zeggen, dat wij ons leven verloren hebben, maar dat blijkt nergens uit. De oude Adam is de verdrinkingsdood gestorven; hij kan echter zwemmen, en eer u er erg in hebt, kruipt hij tegen de kant op, schudt het water van zich af en stapt parmantig langs de oever. Bent u hem nooit tegengekomen? Ben Ik? vraagt de Here. Neen, dat krenkt mij, Gij niet. Ik ben van U geweken en heb mij daarmee zoveel schade berokkend. Het is tegenwoordig een wildernis, een duisternis zonder weerga. Dan is het hoog tijd om tot Mij te komen, met belijdenis van schuld. De Here verwacht u vandaag nog. De verloren zoon werd ook door vragen tot inkeer gebracht. Was zijn vader zo slecht voor hem geweest; had hij het vroeger niet beter dan nu, thuis beter dan hier. Op de inkeer volgde de omkeer. Zijn vader zag hem reeds van verre en ontving hem met milde handen en vriendelijke ogen. De wederkeer is niet alleen geboden, zij wordt u aangeboden. Het is een weg van boete en genade. Genade heeft haar gebaand, genade houdt haar begaanbaar. En de boete betreedt haar.
Waarom zegt Mijn volk? Waarom spreekt oud en jong. De veranderingen zijn niet van de lucht, en toch hebben we het gevoel dat een heel andere verandering moest plaats grijpen: de bekering. Die smadelijke woorden: Wij zullen niet meer tot U komen, worden honderdvoudig weerkaatst in de wereld van vandaag, in de gemeente, die naar Gods naam genoemd en tot Gods dienst geroepen is. Dat moet veranderen! U hebt het bij het verkeerde eind. Omdat u de Here niet kent, doet u Hem schromelijk en schandelijk onrecht. Binnen het verbond der genade is de wederkeer eis. Stelt haar niet uit, om uws levens wil. Breekt met alles wat u van God weghoudt, voordat Hij met u breekt. Dan is het een eeuwige woestijn, een buitenste duisternis!
De Here gaat nog even voort met vragen: Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal. De toon wordt nog inniger, het beeld nog teerder. Een meisje, een bruid nog wel. Ze heeft haar sieraden, en vooral haar bruidsgordel, die ze van haar bruidegom ontving. Ze zal in het algemeen haar sieraden niet vergeten, laat staan die gordel! Hoe zorgvuldig worden zij bewaard, hoe herhaaldelijk bewonderd. Straks draagt ze haar bruidstooi, op het grote feest, op haar bruiloft. Het zou kunnen, dat ze wat slordig was, dat ze met schrik dacht: waar heb ik ze nu. Maar vergeten, dat is uitgesloten. Daarvoor is de gift, de liefde van haar bruidegom haar te veel waard.
Nochtans heeft Mijn volk. Israël is de bruid. Lentetijd, genadetooi. Wat overhandigt de Here aan Zijn volk: Voor alle dingen het sieraad van de kennis van Zijn Naam. Dat was haar heerlijkheid. Die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat en Mij kent, dat Ik de Here ben. Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, in goedertierenheid en in barmhartigheid, in geloof - wat een sieraden! - : en gij zult de Here kennen. Wat een voorrecht, wat een schoonheid verleende de Here hiermede aan het volk van Zijn keuze. Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten. Niet slechts iets van Mij, maar Mij. De kennis van Mijn naam werd verwaarloosd en raakte zoek; werd ingeruild voor nietswaardige dingen. Mijn volk heeft zijn eer veranderd in hetgeen geen nut doet. Het heeft Mij vergeten en zich tot de afgoden begeven. Hoe is het mogelijk? Een bruid, die haar bruidstooi vergeet, die haar sieraden voor wat snuisterijen verwisselt. Een bruid, die haar bruidegom vergeet; een volk dat zijn God vergeet. Niet voor even, neen, talloze dagen. Zij merkt het niet eens dat ze haar sieraad kwijt is, zo volkomen is zij Mij vergeten.
Dat is ongerijmd; dat is ongehoord. Hoe bestaat het! Toch is het waar gebeurd, en dichter bij, dan u vermoedt. Hoe staat het met de kennis des Heren in uw leven? Waar wij Hem niet kennen en erkennen, waar andere dingen de Here gaan vervangen en in ieder geval verdringen, daar is de klacht des Heren gewettigd: Maar Mijn volk heeft Mij vergeten, dagen zonder getal. Nooit iets van gemerkt? Hebt u nooit echt aan de Here gedacht? Bent u vergeten dat Hij er was; vergeten wie Hij was! vergeten wat Hij was: de God des verbonds. Het kan haast niet. Vergeet ook Loop eens door de tuin van uw leven, waarin de Here zo menige bloem plantte. Treft u onder die bloemen het vergeet-mij-nietje niet aan? Vergeet Mij niet! Vermaningen, verzekeringen, uitreddingen, weldadigheden. Hebt u dat plantje vertrapt? Hangen de bloempjes er verlept bij? Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden, dat zong u ook, weet u nog wel?
Och, wij verbazen ons over niets meer. Wij zijn zo terzake kundig, dat wij de Here wel inlichtingen zouden willen verstrekken: Wat valt er nu anders van Israël, van de mens, van mij te verwachten. De Here is er echter zeer verwonderd over: Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel. En smartelijke verwondering mag zich wel van ons meester maken, als Hij zoiets zegt. O, geslacht, aanmerkt toch gijlieden des Heren woord. Wij pronken ons op met ijdelheden, wij steken er elkaar de ogen mee uit, de een wil nog mooier en voornamer voor de dag komen dan de ander. En wij vergeten de Here. Wij verkwanselden en verspeelden onze oorspronkelijke heerlijkheid. Wat is ervan over? God vergeten, dat is zich laten beroven van Zijn sieraden, dat is ontluisterd en te schande worden. Schamen wij ons niet. De Here spreekt er schande van: Mijn volk. De klacht wordt een aanklacht; de aanklacht een klacht.
Waar is mijn bruidstooi? O wee, ik kan haar niet vinden. Vergeten? De Here vergeten. Dat was vroeger anders. Vroeger, in de dagen van de ondertrouw. Toen was ik zo rijk met wat de Here schonk. Ik leerde Hem kennen in de rijkdom van Zijn goedertierenheid, ik mocht erin delen. Er ging geen dag voorbij, of ik oefende mij in de kennis van Zijn naam. Toen zong ik uit volle borst en van heler harte: 'k Zal Hem nooit vergeten. Hem mijn helper heten; al mijn hoop en lust. Hij was mijn sieraad en mijn eer! Hoe, vraag ik u, is het zo veranderd. Hebt u iets gevonden, dat meer waard is? Ging het mooie er af, omdat de liefde minder werd. Nee, u behoeft mij geen antwoord te geven, als u het maar geeft aan Hem die hier klaagt en vraagt: Vergeet ook Dat kan toch niet. We gaan met de Here mee klagen, we gaan Hem achteraan klagen. En zo keren wij weer: Zij zullen komen met geween en met smekingen zal Ik ze voeren.
In de weg van de wederkeer, leren wij ons weer beroemen in de Hére alleen. Alles verliest zijn waarde en zijn glans, bij het stralende licht van de kennis des Heren. Hem te kennen is het leven, het is vrede en vreugde, het is overvloed tot al de volheid Gods toe. Hem kennen, in gemeenschap met Hem leven, dat is het waarachtige leven. Die kennis wil ik u aanprijzen, zij is om niet te verkrijgen, de Here wil haar leren aan hen die Hem nederig te voet vallen, een en andermaal. En met die kennis versierd, zouden we een luister uitstralen waarover de wereld zich zou verbazen. De bruidsgemeente mag zich dit verwijt des Heren wel aantrekken. Wat is er weinig sierlijkheid aan haar te bekennen. Waar zijn de geschenken, die haar bruidegom haar overhandigde? Zoek! En waarom? Die vergeetachtigheid, die verschrikkelijke vergeetachtigheid. Hoe wordt die ooit genezen? Ik weet er een middel tegen. Het bruidsgebed uit het Hooglied: Zet mij als een zegel op Uw arm, zet mij als een zegel op Uw hart.
O, geslacht, aanmerkt toch gijlieden des Heren woord. Waar de toewending tot de Here plaats grijpt, gaat ze met de toewijding aan de Here gepaard. Dat zijn de twee dingen, die wij vandaag zo hoognodig, zo broodnodig hebben. Er wordt veel geklaagd over de gemeente des Heren in deze tijd. Menselijke klachten verstommen bij de klacht des Heren. Wordt die vernomen, dan komt er een keer ten goede, naar de Here toe. Dan vinden wij een antwoord - het wordt ons gegeven - op deze indringende vragen: Komt en laat ons wederkeren tot de Here. Daar ligt het sieraad gereed: Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen de Here te kennen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's