UIT DE PERS
Nogmaals: Pro en contra de streekgemeenten.
Zoals de lezers wel weten is in deze zomer op de classicale vergaderingen en in de synode het voorstel tot vorming van streekgemeenten in behandeling geweest, een voorstel dat met name aan de Provinciale Kerkvergaderingen nogal verstrekkende bevoegdheden verleende. In het Hervormd Weekblad „De Geref. Kerk" is dit voorstel scherp gekritiseerd door Prof. Dr. G. P. van Itterzon.
In het nummer van 3 nov. gaat Ds. F. Mooi uitvoerig in op deze kritiek. Zijn antwoord aan de Utrechtse hoogleraar is een vurig pleidooi voor deze nieuwe kerkordelijke figuur. Ds. Mooi wijst op de praktische (nood)situatie van vele gemeenten in het Groningerland, waar vele kleine gemeenten pastorale verzorging behoeven, maar veel te klein zijn om zelf een predikantsplaats in stand te kunnen houden. De Kerk moet z.i. hier wel nieuwe wegen gaan.
Wat ligt er nu meer voor de hand, dan dat deze vijf gemeenten gezamenlijk twee predikanten beroepen en tot een goede wijk-en werkverdeling komen? Het is bijv. heel wel denkbaar, dat het jeugdwerk (ik bedoel niet de catechisaties, maar clubwerk, jongerendiensten, coaching zondagsschoolpersoneel enz.) veel beter centraal kan gebeuren en aan één der predikanten wordt opgedragen, terwijl de ander een iets grotere pastorale wijk te bewerken krijgt met bijv. het bezoek van alle patiënten in de ziekenhuizen. Voor de kerkdiensten kan ook een rouleringssysteem worden opgesteld. Dit voorkomt dat allerlei dingen dubbel gedaan moeten worden met onvoorstelbaar kleine groepjes, of helemaal niet gebeuren. Bovendien zou het een geestelijke winst moeten zijn, dat twee of meer predikanten zo in teamverband samenwerken. Er wordt nu vaak geklaagd — en terecht — dat men zich in de steek gelaten voelt op een eenzame post. Er is dan — op zijn best — wel wat gezelligheid en morele steun van ringcollega's, maar van echte samenwerking en een opbouwende taakverdeling is meestal geen sprake. Het is mij uiteraard bekend, dat dit samenwerken in de praktijk niet zo gemakkelijk is. Veel predikanten zijn er helemaal niet op ingesteld. Moet het daarom achterwege blijven? Waar het goed gaat — ik ken prachtige voorbeelden — is het een zegen voor de gemeente, die dan een stukje broederlijk samenleven als exempel voor ogen heeft. En daarom: het moet geleerd worden. Jonge predikanten zullen de juiste instelling moeten meekrijgen. En wie het persé niet kan, moet niet in een streekgemeente gaan werken.
Ook voor de gemeenten zie ik geestelijke winst. Een verruiming van de blik buiten de grenzen van het dorp, ook kerkelijk (maatschappelijk is dat al lang een feit), is alleen maar toe te juichen.
Wij zullen niet lichtvaardig aan de situatie in het Groningerland voorbij mogen gaan. Inderdaad betreft het hier een situatie, die men niet op zijn beloop kan laten. Maar wettigt dit deze ingrijpende bepalingen, die gezien de toelichting destijds ook in andere situaties aangewend kunnen worden? Is er geen sprake van een zekere dwang, die strijdig is met de presbyteriale structuur?
Dwang of effectief beleid.
Ds. Mooi wil hier niet spreken van dwang. Hij zou dit woord willen vervangen door de uitdrukking „effectief beleid".
Het spreekt zozeer vanzelf, dat er in de Kerk geen brute of willekeurige dwangmaatregelen behoren genomen te worden, dat dat voldoende garantie moet zijn tegen wezenlijk misbruik. Ik dacht, dat er in het vragen van advies aan verschillende instanties, in het overleg met alle betrokkenen, in de vereiste goedkeuring van het moderamen van de synode voldoende zekeringen waren aangebracht tegen eventuele onverantwoorde besluiten van het provinciaal breed moderamen. Mocht men nog meer of betere zekeringen wensen aan te brengen, akkoord, als er tenslotte maar de mogelijkheid blijft bestaan om na uitvoerig overleg en geduldige besprekingen, een door alle instanties goed bevonden plan tot sanering van een pastoraal noodgebied, ook werkelijk door te voeren. Het blijkt n.l. in de praktijk nogal eens, dat onwil of onbegrip (waarom mag men deze woorden niet gebruiken?) van een heel kleine minderheid of zelfs van één persoon, overigens zeer gewenste voorzieningen frustreren.'
Men kan eenvoudig ook niet altijd een verzoek van alle betrokkenen afwachten. Daarom is het goed, dat het brede moderamen van de P.K.V. hier initiatieven kan nemen. Dat de plannen dan vervolgens in een zeer breed en diepgaand pastoraal overleg met de gemeenten worden behandeld, waarbij van weerskanten ook goed geluisterd moet worden, is, dacht ik, in de Kerk voorondersteld.
Aan het slot van zijn artikel gaat ds. Mooi nog even in op het voorstel van Ds. Kievit om kleine gemeenten te subsidiëren uit de algemene geldmiddelen der kerk. Ds. Mooi ziet hier geen heil in. Is het zinvol zeer kleine gemeenten, waar een predikant geen dagtaak heeft, tel laten voortbestaan? Dan zou men z.i. beter gemeenteleden, die door bepaalde gaven gekwalificeerd zijn, in kunnen schakelen om kerkdiensten te leiden en wat pastoraal werk te doen. In het grote geheel van een streek zouden deze kleine groepen onder leiding van daartoe gekwalificeerde gemeenteleden als een soort 'huisgemeente' kunnen functioneren.
Weerwoord van Prof. Van Itterzon.
In zijn naschrift gaat Prof. Van Itterzon nogmaals in op de kwestie van de vrijheid der plaatselijke gemeente. Terecht, naar we menen. Immers hier vertonen de aangenomen voostellen een bisschoppelijke trek. Zaken van de eerste orde worden beslist zonder de toestemming van een kerkeraad die daarbij betrokken wordt. Ds. Mooi kan dat effectief beleid noemen. Het element „dwang" laat zich niet wegredeneren. Op dat punt is Prof. Van Itterzon naar we menen terecht ongerust. We citeren uit zijn weerwoord:
De bisschoppelijke regeling, dat het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering eigener beweging een gemeente, die wel in de kosten van haar predikantsplaats kan voorzien, in een streekgemeente kan inlijven, ook tegen haar zin, en die meebrengt, dat deze florerende gemeente automatisch haar eigen verkiezing en beroeping van predikanten verliest, acht ik onbillijk, onrechtvaardig en dictatoriaal. Zo kunnen we ook bloeiende gemeenten rebels maken. Men kan voor hulpverlening zijn. Men kan ook voor daadwerkelijke steun aan weggezonken gemeenten zijn stem van harte geven. Maar het is toch werkelijk te veel gevergd, als men dan, als dank voor verleende diensten, bij beroepingswerk, bij het vaststellen van kerkdiensten, bij de financiering en bij alles wat er verder in Ord. 2-24 is bepaald, door de geholpen gemeenten kan worden geregeerd.
Over de provincie Groningen kan ik niet oordelen. Daar weet inzender veel meer van af dan ik. Als hij echter (wat ik niet zeker weet) in regelingen, van hogerhand opgelegd, het nodige heil verwacht, deel ik zijn optimistische inzichten niet. Een verruiming van de blik buiten de grenzen van het dorp is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Trouwens, wie de jarenlange spanningen kent tussen nabijgelegen dorpen weet, dat het overwinnen van tegenstellingen in dorpsbelangen geen eenvoudige zaak is. Hoe kleiner de plaatsjes zijn, des te groter het minderwaardigheidscomplex en het streven naar zelfbehoud. Inzender toont daar alles van te weten.
Hoeveel begrip men ook kan opbrengen voor een bepaalde situatie, zo zeer, dat incidenteel de vorming van een streekgemeente te overwegen is, het bezwaar blijft dat deze kerkordelijke bepalingen niet de minste zekeringen bieden dat de toepassing een incidentele zaak blijft. Ds. Mooi heeft ons van het tegendeel niet kunnen overtuigen.
1 Cor. 13 en de journalistiek.
Het verband tussen dit bijbelhoofdstuk en de pers wordt gelegd door Ds. W. G. Overbosch in een artikel over de inentingskwestie in Elspeet. Het blad „In de Waagschaal" nam Overbosch' artikel op in het nummer van 13 nov. Het is een voortreffelijk stuk, waarin de Amsterdamse predikant bepaalde facetten aan de orde stelt, die in de hetze niet aan bod kwamen. Hoezeer Ds. Overbosch het beroep op Gods voorzienigheid een verwrongen beroep acht, hij stelt toch de vraag: „Leeft er in Elspeet en een paar andere verstopte plaatsen van de westerse wereld soms toch zoiets als een herinnering voort aan de eigenmachtigheid van onze kundigheid? "
Beschamend acht hij ook de onrust, die er over Elspeet gebracht is door de moderne publiciteit. We citeren uit dit artikel:
En dan, — zouden wij niét beschaamd zijn als er een dorpsgemeenschap, ten gevolge van welke domheid dan ook, ineens wordt opgeschrikt en in rep en roer gebracht door de moderne publiciteit? Wij hebben die gemeenschap wellicht geromantiseerd, wij hebben er in onze vakanties van geprofiteerd, en sommigen onzer hebben daar onder de bomen een bungalow staan. En nu verachten wij dan de boerenmensen en de houtvesters, die kleur geven aan dit landschap. Waarom gaan wij toch zo vrijblijvend door de wereld, onverbeterlijke toeristen als wij zijn? Dat hebben de dagbladberichten ons in ieder geval kunnen leren, — hebben die Elspeters soms om bekijks gevraagd? De nieuwsgierigheid in het voetspoor van de nieuwsgaring is namelijk het tegendeel van de communicatie; zij ondermijnt de gemeenschap en daarmee de nabijheid Gods. Dat dient bedacht te worden door iedereen, die hardop zegt en schrijft, dat het allemaal godgeklaagd is. Het was waarschijnlijk juist niet aan God geklaagd, — en daarom hebben wij in de gebeden gezegd, dat de journalisten toch maar eens wat minder gretig bij de duivel te biecht moesten gaan. Opkomen voor arme kinderen is nog iets anders dan lont ruiken; voor de zoveelste keer hebben wij het gepresteerd om de humaniteit te verdedigen ten koste van de kerk. Waarom is het toch zo gemakkelijk om in het troebele water te vissen van de algemene tegenzin tegen Gods gemeente en tegen al wat zich aan Zijn tucht zou willen storen?
Wij zullen er alles aan moeten doen wat wij kunnen, om de zuivere bedoelingen een kans te geven in de wereld van de publiciteit, — en dat zal nogal eens betekenen, dat de werkers bij dagblad en televisie een „prachtige" reportage niet naar buiten brengen. Dat hoort naar 1 Corinthe 13 bij de liefde, die alle dingen hoopt en bedekt en verdraagt. ledere sensatieberichtgeving zal de kop ingedrukt moeten worden — bedank voor uw krant als ze zich daaraan schuldig maakt! Wij zullen het bespottelijke moeten leren inzien van het gesol met Gods Naam en van iedere discussie over Zijn eventuele tegenwoordigheid, zoals die blijkbaar enkel dient om ons eigen onbehagen af te reageren.
Het is niet doenlijk het artikel in zijn geheel over te nemen. Maar te midden van de vele emotionele reacties ademt dit stuk een bezonnenheid en waardigheid, die weldadig aandoen. Fel laakt ds. Overbosch de houding van de medechristenen rondom, die zich met het nodige rumoer van deze zaak gedistantieerd hebben, als iets dat hen niet raakt. „De Heilige Geest", zo schrijft hij, „dringt ons altijd in de hoek waar de slagen vallen en aan de zijde van degenen die tussen de wielen raken, ook al is dat hun eigen „schuld" ".
Inmiddels is het rondom Elspeet in de pers stil geworden. Dat we toch nog dit artikel gedeeltelijk overnemen, vindt mede zijn oorzaak in het feit dat wat hier gezegd wordt over de pers, niet alleen deze kwestie raakt. Sensatieberichtgeving botst met 1 Cor. 13. Een gulden woord, dat als uitgangspunt zou kunnen dienen voor een ethiek van de journalistiek. En we menen dat Overbosch' woorden ook voor de chr. pers een goede aanleiding vormen om op dit punt zichzelf eens onder kritiek te stellen. Opdat elk spoor van sensatieberichten - juist ook waar het 't kerkelijk leven betreft - uitgebannen worde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's