RAPPORT OVER ENIGE ASPECTEN VAN DE LEER DER UITVERKIEZING
I.
In 1965 heeft de in 1953 door de Nederlandse Hervormde Kerk ingestelde commissie voor het Hervormd-Remonstrants gesprek haar rapport over de leer der uitverkiezing aan de beide kerken aangeboden. Thans is dit rapport als boekje door de Synode neergelegd in de kerk en zijn predikanten en kerkeraden geroepen deze materie op haar Bijbelse waarden te beproeven.
Aangezien de Kerkorde der Ned. Herv. Kerk zegt, dat de kerk weert wat haar belijden weerspreekt, betekent dit, dat we het Rapport zullen moeten toetsen aan de belijdenis, en wel in het bijzonder aan de drie Formulieren van Enigheid. Hoewel de commissie zelf zegt niet te pretenderen het officiële standpunt weer te geven van de Ned. Herv. Kerk of de Remonstrantse Broederschap, mogen we wel bijzonder dankbaar zijn dat dit Rapport niet aanvaard is door de Generale Synode der Ned. Herv. Kerk zoals het boekje, dat in 1961 over deze stof verschenen is, wel aanvaard is.
Als men de moeite zou nemen om na het Rapport van 1966 het boekje van 1961, dat de „Richtlijnen" geeft voor de behandeling van de leer der uitverkiezing, te lezen, dan komt men tot de ontdekking, dat de afgaande lijn wel ontstellend stijl is. Hebben de Richtlijnen nog Bijbelse fundering en enige verbondenheid met de Belijdenisgeschriften, in het Rapport zijn beiden niet onder de tafel verdwenen maar zonder meer buiten de deur gezet. Er zijn nog enkele Bijbelse klanken die ons herinneren dat het hier over een Bijbelse zaak gaat, maar de Bijbel zelf is verdwenen.
Naar de oorzaak daarvan te gissen lijkt me een hachelijke zaak. De synodale voorstellen die in vaste regelmaat op de kerkeraadstafel en in de classicale vergaderingen neergelegd worden, openbaren duidelijk welke koers er uitgestippeld is en gevaren moet worden, al is het ten koste van Gods Woord, de Belijdenis en de Kerkorde, art. 10.
Als we de geschiedenis van de kerk nagaan, gaat de kerkelijke strijd bijna altijd, in meer of mindere mate, over de leer der uitverkiezing. Dat behoeft ons niet te verwonderen. Want in dit stuk schittert de Goddelijke heerlijkheid het hoogst. En buiten hartvernieuwende genade is er niets dat grotere aanstoot en ergernis geeft en ons meer vernedert dan het buigen voor Gods majesteit. Mag ik daarentegen, door Gods genade, beamen, dat nooit iets in mij naar de Heere gevraagd zou hebben, zo de Heere in Zijn welbehagen niet de Eerste was geweest, dan is het een roemen in Gods verkiezende liefde.
In de geschiedenis zien we altijd weer deze tegenstellingen. Ik denk b.v. aan Augustinus en Pelagius, aan Gomarus en Arminius. Deze hebben als twee richtingen door de kerkelijke wereld gelopen, zonder ook maar ergens elkaar te vinden of te raken.
Nu moet dit echter anders worden. Want de oecumenische vraagstelling is zo primair geworden (blz. 4, punt a!) dat ze zelfs geplaatst wordt voor het luisteren naar Gods Woord (punt b). Bovendien is de roeping tot medemenselijkheid en verantwoordelijkheid (punt e) zodanig, dat dit tegenover elkaar staan niet langer getolereerd kan worden. Het moet een eenheid worden. En de mogelijkheid daartoe heeft het Rapport gevonden in de theologie van K. Barth.
Op hoffelijke wijze wordt in het Rapport geknikt naar de Remonstranten en de Contraremonstranten. Op vernietigende wijze rekenen ze daarna met elkaar af. Bovendien wordt de Reformatie zoals die ons met name door Calvijn geschonken is, althans op dit punt, geliquideerd. De Nadere Reformatie wordt als scholastisch geantiquiteerd. En Gods Woord als het enige richtsnoer van denken om door Gods Geest te leren leven uit en bij de Godsgedachten, is uit het gezicht verdwenen. Want het Evangelie der verkiezing is nu in de „theologie" van K. Barth niet alleen woord Gods geworden, maar ook de weg waarop en waardoor alle scheidingen worden opgeheven.
Tenslotte: hoewel de Ned. Herv. Kerk voor een niet onbelangrijk deel bestaat uit predikanten die sympathiseren met of behoren tot de Gereformeerde Bond, is dit gedeelte (opzettelijk!? ) in de commissie van de Herv. Kerk genegeerd. Het doel moest dit middel heiligen. En het resultaat liegt er niet om.
Is er na dit alles nog van een lichtpunt te spreken? Ja, en nog wel van twee ook. Maar dan indirect.
In de eerste plaats dit, dat het volgens Paulus nut heeft dat er ketterijen onder ons zijn (1 Cor. 11 : 9), opdat niet alleen zij, die oprecht zijn, openbaar worden, maar ook zij, die niet spreken naar Gods Woord. Daaraan hebben wij immers ook de Dordtse Leerregels te danken! En wie die ernst maakt met Gods Woord, zou dit „gulden boekske" willen missen? Het heeft in de loop der tijden bewezen een hecht stuk werk te zijn. We zouden de Dordtse Leerregels de hartslag van de Kerk kunnen noemen. Niet alleen omdat het daarin gaat over het stuk van de verkiezing dat op zichzelf het hart van de kerk is, maar ook, omdat elk afwijken van Gods Woord vrijwel onmiddellijk openbaar wordt in een verborgen of openlijk verzet tegen de Dordtse Leerregels. En ook nu worden we, om met de titel van het boekje van ds. Feenstra te spreken, opgeroepen te kiezen tussen „Barth of Dordt".
En in de tweede plaats dit. Ik ben blij dat in dit Rapport de algemene verzoening niet bedekt maar openlijk gesteld wordt. Al mag deze conclusie, volgens het Rapport, dan niet met zoveel woorden getrokken worden, met de daad staat het er onverkort in. Daardoor zal het hen die ook maar enigermate ernst maken met Gods Woord, en de Reformatie, de Nadere Reformatie en de Belijdenisgeschriften liefhebben, niet spoedig verleiden. Want de dood in de pot is niet alleen gemakkelijk te proeven, maar de geur die er van uit gaat doet reeds van verre het hoofd (het hart!) afwenden.
Het Rapport behandelt achtereenvolgens deze acht onderwerpen:
I. De actuele betekenis van de leer der uitverkiezing. II. De nieuwe interpretatie van deze leer. III. De verkiezende God. IV. Christus als grond der verkiezing. V. De reikwijdte der verkiezing. VI. Verkiezing en heiliging. VIL Het raadsel van het ongeloof. VIII. Verkiezing, Kerk en Koninkrijk Gods.
Het zal duidelijk zijn dat het niet mijn bedoeling kan zijn hier een uiteenzetting te geven over Gods verkiezend handelen in Christus. Het Rapport geeft slechts enige aspecten. Ik wil dan ook alleen maar op een enkel punt inhaken.
Drie aspecten van dit Rapport wil ik naar voren halen.
I. Wat betekent de uitdrukking: God kiest voor de mens?
II. Wat is de grond der verkiezing?
III. Wat is de reikwijdte der verkiezing?
Bij de behandeling van deze drie punten zal telkens eerst geluisterd worden naar hetgeen het Rapport hierover zegt, en daarna zal het getoetst worden aan Schrift en Belijdenis. Maar voor we daartoe overgaan nog deze opmerking.
Altijd als wij geroepen worden stil te staan bij en na te denken over de uitverkiezing, past ons alle eerbied en diep ontzag. Het stuk van Gods verkiezende liefde in Jezus Christus is niet voor niets het binnenste heiligdom van Gods Openbaring genoemd, van waaruit de Heere alles leidt en regeert en waar heen de Heere ons door Woord en Geest leidt.
Hing in de tempel voor het heilige der heiligen een kleed opdat het voor onheilige ogen verborgen bleef, zo hangt er voor ons natuurlijk oog, dat verduisterd is, een sluier, zodat het binnenste heiligdom van Gods bepaalde raad verborgen is. Maar zoals de hogepriester eenmaal per jaar met het bloed van het offer er binnentrad en het geloofsoog van de wachtende Israëliet hem volgde om vanuit dat heiligdom de zegen van de drieënige God te ontvangen, zo laat de enige Hogepriester Jezus Christus door de altijd verse en levende weg van Zijn bloed, met het geloofsoog blikken in het diepe heilgeheim van Gods verkiezende liefde. En zonder het smaken van de zegen van de drieënige God Iaat de Overste Leidsman zijn bruid van daar niet heengaan.
En zoals in het heilige der heiligen al een volkomen stilte heerste, zo brengt dit wondere stuk van Gods vrijmachtig welbehagen tot de diepste verootmoediging en verwondering zodat alle woorden ontvallen. Dat is de lofzang der stilte, de lofzang der aanbidding die uit Sions zalen met stil ontzag tot de Heere opklimt. En de Heere verstaat deze lofzang der stilte ten volle. Want als het geloofsoog, bij het licht van Gods Geest mag blikken in het welbehagen van Gods verkiezende liefde in Christus, dan leggen we tegelijkertijd het eigen hart geheel voor de Heere open en zeggen: Heere, het is geheel Uw werk! Lout're goedheid! Er was niets in mij dat naar U vroeg, maar Gij zaagt in gunst op mij ter neder. Ligt er in het begin, als de Heere in ons werkt, heel wat bedekt en verborgen, zodat we vaak vol bekommering zijn en met grote schuchterheid tot de Heere en Zijn genade komen, in de beleving van dit stuk valt alle belemmering weg «en roemen we voluit in de Heere: door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen! En in die levende wetenschap, dat de Heere alle redenen tot mijn zaligheid genomen heeft uit Zichzelf, uit Zijn welbehagen, wordt de vaste grond gevonden. En in het zinken op die grond zijn we stil tot God. „De snoeren zijn mij gevallen in liefelijke plaatsen, een schone erfenis is mij geworden!"
Maar aan de andere kant zijn we geroepen om te proberen deze „lofzang der stilte" enigermate onder woorden te brengen. Geve de Heere ons allen daartoe het onmisbare licht van Zijn Geest. Dan zullen we, om met de woorden van artikel 13 van de Ned. Geloofsbelijdenis te spreken, „als leerjongeren van Christus tevreden zijn om alleen te leren hetgeen Hij ons in Zijn Woord aanwijst, zonder deze palen te overtreden".
(Wordt vervolgd).
Zegveld I. Kok
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's