EEN VROEGE ADVENT (2)
„Toen zeiden de vrouwen tot Naomi: Geloofd zij de Heere, Die niet heeft nagelaten u heden een losser te geven; en zijn naam worde vermaard in Israël".. Ruth 4 vs. 14.
De Heere, Die niet. Hij niet, wij wel. Wij lieten het er in onze moedeloosheid bij zitten, wij móesten wel. Maar de Heere werkte verder, Hij komt met de Verlosser naar voren; Zijn eigen Zoon. Christus Jezus treedt in onze schulden, stelt zich in onze plaats voor God. Dat is bij zijn geboorte inbegrepen; de losser is geboren. Dat kost Hem Zijn leven. Wie dit kind in de armen neemt, kijkt naar zijn handjes en voetjes: ze worden later aan het kruis gespijkerd. Opdat dit Kind zou verlossen, bevrijden van de macht der zonde en des doods. Wat een werk, dat werk der verlossing. En toch liet de Heere het niet na, en toch hield de Heere Hem niet terug. Voor mensen, die het bij kribbe en kruis bewezen, dat deze Losser hen niet eens welkom was. Het niet nalaten, wint aan betekenis, aan genaderijke en heilrijke betekenis, wanneer we dit alles overdenken.
Een Losser. Die maakt onze verloren zaak tot de Zijne, betaalt de schulden, herstelt de rechten. Christus is de laatste Adam, de stamhouder Gods onder de mensen. Het beeld Gods wordt in Hem wedergevonden. Hij bevocht de overwinning. Hij doet ons weer delen in het eeuwige leven. De verlossing, die in Christus Jezus is, is niet vlak en niet krap. Er zit diepte en hoogte in, lengte en breedte, kortom ruimte. De ruimte van het handelen Gods. Deze Goël doet geen half werk; die door Hem verlost wordt, mag leven en vrede genieten in Hem. Het zal, bij het licht van de H. Geest, ook steeds duidelijker worden, dat de verlossing in deze Losser verankerd ligt. De Losser nu, kwam van God. Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave.
Een Losser te geven. De nadruk valt even op dat: geven. Daarin wordt de genade verheerlijkt, die zo rijk is en zo vrij. Naomi krijgt dit kind als een geschenk, dankzij de genadige beschikking, die God in de wet heeft getroffen. Krachtens die beschikking geldt het kind van Boaz en Ruth, voor het kind van Machlon, haar zoon. Naomi was te oud om nog kinderen te krijgen. Ze had dat wat rauw tegen haar schoondochters gezegd, toen ze aan de grenzen van Moab stonden. De kans op een zoon was verkeken, zij kon voor geen redder in de nood zorgen. Hoe zou het uit Ruth, de kinderloze? En hoe zou het uit Sara, en uit Rebekka. De Heere maakt dat toch wel heel duidelijk de geschiedenis door. Niet uit ons. Wij brengen Hem niet voort. God brengt Hem tot ons. Hoe zal dit wezen? Hij is geboren uit de maagd Maria.
Zo krijgt Naomi haar losser. En zo krijgt iemand, die aan het einde van zijn eigen mogelijkheden is, zijn verlosser. Geboren, dat is groot. Gegeven, dat is groter. Want nu kan het, nietwaar. Nu wij er tussenuit gaan met al ons moeten en zullen, vinden wij rust, in de genade des Heeren. Trouw en genade gaan hand in hand. Zij reiken ons dit Kindeke over, en alleen uit die handen kunnen wij het overnemen. Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Hier is Hij. Zó wordt Hij ontvangen. Het geloof neemt een gegeven Verlosser over. Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden.
Ziet u Naomi zitten met Obed op haar schoot. Wat zal zij blij geweest zijn, de vreugde straalt haar de ogen uit, werpt een glans over haar doorrimpeld gelaat. Hoor, 't vrouwenkoor heft een lied aan: Geloofd zij de Heere, Die niet heeft nagelaten u heden een Losser te geven.
Heden, dat is het heden van Gods genade. Wat hebben wij meer nodig dan een Losser? Zouden wij daaraan dan niet genoeg hebben. Voor Naomi betekende het een goede oude dag; dat is te weinig gezegd, het betekende een nieuwe jeugd. Dit Kind maakt haar weer jong: Die uw jeugd vernieuwt als van een arend. Waar God dit Kind wegschenkt, daar kan Simeon in vrede heen gaan, daar mag Hanna - stokoud, en wat had ze niet meegemaakt - haar taak vervullen: En zij sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten. Misschien werden nood en leed u ook niet bespaard, mijn lezer. Bedenkt, dat de Heere Zijn Zoon niet spaarde, maar Hem voor ons allen heeft overgegeven. Hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken. U bleef zitten zonder man, zonder vrouw, u bleef zitten met zorg en nood. Maar Hij liet u niet zonder Losser zitten. Dan mogen wij moed houden, ook in de ouderdom is dit Kind de waarborg van een heerlijke toekomst. U bent er even bij gaan zitten, om dit te lezen? Zit u nu, net als Naomi? Met dit Kind, die als Losser gegeven werd. Dan wordt de verlossing over u vervoegd in alle tijden. Verlost heeft, verlost, nog verlossen zal.
Wij zingen dan mee met de vrouwen van Bethlehem, met Zacharias, met Simeon, met Maria. Er is nooit meer gezongen dan bij deze geboorte. Het is één lied, de eeuwen door. Geloofd zij de Heere. Wie er omheen staat, wie het aangaat, zoals het Naomi aanging, die mag van de grootheid en de goedheid des Heeren gewagen. En alle woorden doen mee, in het vermelden van de deugden Gods. De Heere, de God des verbonds. Hij had het beloofd en Hij heeft het bevestigd. Hij heeft het niet nagelaten. Als Hij het eens op zijn beloop gelaten had, dan was het verloren geweest. Maar Hij greep in. Hij hielp uit: Een Losser. Alles wat tot de verlossing van node is, in Hem. En dan dat geven, waarin de genade roemt tegen verdienste.
U, heden. Oude woorden worden nieuw, dode woorden levend. Naomi is al lang gestorven, en de vrouwen van Bethlehem gingen de weg van alle vlees. Maar Obed gewon Isaï en Isaï gewon David. En zo maar voort. Totdat de engel de boodschap aan de herders brengt; de grote blijdschap: Dat u heden geboren is. Wie Kerstfeest viert, looft de Heere. Willen wij ons in de adventstijd al vast wat oefenen. De grondtoon van het lied is de vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog en wie het hoort zou van een Maria een Naomi worden. Wat een verandering brengt dit Kind van Bethlehem toch teweeg.
En Zijn Naam worde vermaard in Israël. Dat is de gelukwens bij de geboorte: Zijn Naam worde met ere in Israël genoemd. Een goede naam is veel waard. Wanneer men in Israël goed spreekt over dit Kind, betekent dit dat het hem goed gaat en dat hij goed doet. Zijn naam zal verder klinken, dan die van zijn vader. Maak uw naam vermaard in Bethlehem, zeiden de mannen tot Boaz. Zijn naam worde vermaard in Israël, zeggen de vrouwen tot Naomi. We schuiven in dit Kind reeds wat dichter naar David toe, de vorst uit de stam van Juda, uit het geslacht van Boaz. In Israël: hij zal als een van Davids voorouders genoemd worden.
Hoe heet hij eigenlijk? Obed. Een vermaarde naam. Die vermaarde naam betekent: dienaar. Dat zal hij waar maken. Het is de taak van Obed om Naomi te dienen: een verkwikker der ziel en om uw ouderdom te onderhouden. Het is zijn taak Elimelech's geslacht te dienen, zodat de naam en het geslacht niet uitgewist worden, 't Is zijn taak Christus te dienen: en Obed gewon Isaï. Zo moet hij bekend blijven, als de dienstwillige, die niet hooggevoelend meent, dat alles om hem draait, maar die zich nederig voegt naar het voornemen, dat de Heere met hem heeft. Mijn knecht, zegt Naomi, tot 't Kind op haar schoot. En terecht. Gods Knecht, om haar te helpen. Een mooie naam, vindt u niet; al strookt deze niet met de roem, die wij vaak zoeken. Een naam, vermaard in Israël, waar niet de hoogheid en de grootheid, maar de dienstvaardigheid en de ootmoed geroemd worden.
Zijn naam. Dat is een schone naam voor de Heere Jezus. Hij heet immers ook Obed. Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Mijn knecht, zegt de Heere, zie mijn knecht. Alleen omdat Hij Obed wilde wezen kon Hij God zijn. Om zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. De levenstaak van de Heere Jezus, dat is dienen. Daartoe nam Hij niet slechts de naam, maar de gestalte van een dienstknecht aan. Tot uw dienst, zei Hij tegen Zijn Vader. Het was Zijn eten en Zijn drinken, om de wil Zijns Vaders te doen. Tot uw dienst, zegt Hij nog tot een zondaar. Waarmee kan Ik u van dienst zijn? Bent u niet van Hem gediend, o wee! Wat een schrille wanklank in het lied van de Advent. Hij wil het werk doen, het zware werk, het vuile werk. De naam Obed, is een aanbod. Veracht Hem niet, verwacht veeleer alles van Hem. Zijn Naam! Zijn leven was dienen; Hij ging er in op en Hij gaat er in onder. Nee, toch niet: Het is volbracht. Sindsdien is Hij met eer en heerlijkheid gekroond. En nog stelt Hij er een eer in, om door Woord en Geest, mensen ten dienste te staan, die zich niet meer redden kunnen, ledere brief van deze grote zoon van Obed, is ondertekend: Uw dienstwillige dienaar.
Zijn Naam zal zijn tot in eeuwigheid, zolang als er de zon is, zal Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant worden. Vermaard worden, niet alleen in Israël, maar tot aan de einden der aarde. Er is werk te doen voor deze dienstknecht. Hij is gegeven tot een licht der heidenen, om Gods heil te zijn tot aan de einden der aarde. Wie Hem roemt, bidt voor Hem, en voor Zijn arbeid. Zegent Hem de ganse dag. Zijn Naam en roem zal eeuwig groeien. Zingt van Hem, en in het lied klopt ons hart: mijn Obed, mijn Goël. Geloofd zij de Heere. Hij wordt verheerlijkt in de eer, die Christus ontvangt. In deze Obed, is God de grote Goël, verlosser van ouds aan is Zijn Naam. Waar moet dat heen? De woorden worden voortgestuwd tot in de eeuwigheid. Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's