Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid
ADVENT
Klaagliederen 3 : 31.
Misschien vindt u dit een wat zuinige tekst voor de adventstijd. Inderdaad zijn wij gewend in deze tijd van het kerkelijk jaar onze aandacht te richten op meer uitbundige teksten dan de Klaagliederen zijn. We onderstrepen nu bij voorkeur woorden, die op directe wijze het heil des Heeren verkondigen.
Maar zomin als de woorden van vers 29 „Misschien is er verwachting" bedoelen de barmhartigheid en goedertierenheid van God in twijfel te trekken, evenmin wil de uitspraak van vers 31 suggereren, dat de Heere met Zijn genade aan de zuinige kant is.
Het is niet zo, dat God hier wordt voorgesteld als iemand, die ons tot het laatste nippertje er onder wil houden om eindelijk (en niet van harte) te zeggen: Vooruit dan maar ...
Nee, deze tekst zegt, dat het de wezenlijke bedoeling des Heeren is Zijn volk niet te verstoten, ook al bedroeft Hij ze voor een tijd.
Dat wordt geheel duidelijk door het volgende vers: Als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij zich ontfermen, naar de grootheid van Zijn goedertierenheden. Gods goedertierenheid, d.i. de trouw aan Zijn verbond, is groot. Die is onverbreekbaar. De Heere is een God vol ontferming. Ook nu is er geen spoor van twijfel.
Om alle misverstand af te snijden, volgt de uitspraak: Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte. M.a.w.: het doet de Heere verdriet, wanneer Hij na lang geduld geoefend te hebben Zijn volk moet straffen. Hij kan niet anders, wanneer zij bij mindere slagen geen pijn gevoeld hebben (Jer. 5 : 3). Zijn liefde gedoogt niet, dat Hij hen zonder kastijding zou laten voortgaan op de weg, die naar het verderf leidt. Daarom gaat het hard toe. Het lijkt wel of God Zijn volk verstoot en niets meer van hen wil weten.
Moest Juda dat niet denken, toen Jeruzalem en de tempel waren verwoest en het volk was gedeporteerd? Toen ze maar niet verwerken konden de verschrikkingen die ze hadden doorgemaakt en de vernederingen, die ze moesten doorstaan? Als de Heere zo hard toeslaat, kan er dan nog verwachting zijn?
En bedenk dan waarom de Heere dit doet!
Wij hebben gezondigd. Onze vaderen en wij, we zijn van het heilspoor afgegaan, wij hebben Gods verbond verbroken, de Heere achter onze rug geworpen (Ez. 23 : 35). Hebben wij het niet verdiend, dat God ons verstoot en ons voor eeuwig verwerpt? Wie dat leert erkennen, kan niet langer opstandig zijn en alleen maar klagen over zijn ellendig lot. Die gaat klagen over zijn zonden (vs 39). Die gaat de oorzaak bij zichzelf zoeken en Gods oordeel billijken: Wij hebben overtreden en wij zijn weerspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard (vs 42). Zo wordt dan voor Gods aangezicht beleden. Maar juist, wanneer het oordeel door ons wordt aanvaard, is het een onverdraaglijke gedachte, dat de Heere van geen ontferming meer zou weten. Want het verslagen hart snakt naar vergeving en dorst naar God. Als dat luid wordt in de gebeden van Zijn volk, dat God zo hard heeft gekastijd, dan stroomt Zijn hart boordevol ontferming.
Want de Heere is niet een God van norse afkerigheid als Hij des mensenkindéren bedroeft, maar als een Vader wacht Hij op de eerste tekenen van toenadering bij Zijn kind.
Uw hart juicht toch ook, wanneer uw kind zijn koppig verzet opgeeft, weer om uw aandacht gaat bedelen en u vergeving vraagt? Dat was de bedoeling van de straf, die u uitdeelde. U kunt het dan nog wel eens even aanzien of het wel echt gemeend is. Maar tenslotte sluit u het kind in uw armen en is alles weer goed. Zou God dan niet verheugd zijn, wanneer Zijn volk tot inkeer komt en zegt: Laat ons wederkeren tot de Heere (vs 41)?
Daarom vind ik deze tekst helemaal niet zuinig klinken in de adventstijd. Integendeel: dit is Evangelie!
De Heere zal niet verstoten in eeuwigheid. Dat klinkt me als adventsmuziek in de oren. Want het betekent, dat Gods harde hand bewogen wordt door Zijn vaderhart, dat Hij in de oordelen worstelt om het behoud van Zijn volk.
Wie dat gaat zien, geeft alle verzet op en onderwerpt zich: Hij worde zat van smaad, want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid. Hier blijkt weer de juistheid van Calvijn's opmerking, dat de waarachtige ootmoed haar beweegreden vindt in Gods barmhartigheid. Onze tekst correspondeert met deze woorden: "Want ik zal met eeuwig toornen, niet gedurig verborgen zijn". De Heere zal de treurenden vertroosten.
Denk ook aan Jes. 54 : 7, 8 : „Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik mij over u ontfermen, zegt de Heere uw Verlosser.
Het volk dat in donkerheid wandelt mag op grond van deze Godsopenbaring de Naam des Heeren aanroepen „Gij, Heere, zijt onze Vader, onze Verlosser, is van ouds af Uw Naam. (Jes. 63 : 16). Zo wordt ook m de tekst belijdenis gedaan van de ontferming Gods, met beroep op Zijn heilige Naam.
Omdat Hij de Heere is, de eeuwig Getrouwe, en Zijn verbond van geen wankelen weet, staat het vast, dat Hij niet zal verstoten in eeuwigheid. Hij wederstaat wel de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden, noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden. Hij is het, die ons Zijne vriendschap biedt. Psalm 103!
De teks heeft alles te maken met de komst van Christus, Die immers gekomen is uit het volk, dat God met heeft verstoten. Het is een woord, dat inhaakt op de Godsopenbaring, die Israel is ten deel gevallen en haar vervulling heeft gekregen in Jezus Christus. Die ons de Vader heeft verklaard. In Hem zijn al Gods beloften ja en amen, vast en betrouwbaar.
Met Kerstfeest wordt terecht gezongen, dat God gedacht heeft aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israel nooit gekrenkt. Maar dan mogen we niet vergeten, dat ook nu Israel daar niet van uitgesloten is!
Als Paulus in Rom. 11 : 1 vraagt: Heeft God Zijn volk verstoten? " dan zegt hij op krachtige wijze: dat zij verre. God heeft Zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft!
En wat voor Israël geldt, is ook van kracht voor de volken; voor allen, die overtuigd van hun zonden en ellende zich wenden tot Hem, in Wie Gods eeuwige trouw zich volkomen heeft geopenbaard: Jezus Christus, het Woord dat vlees is geworden.
Laat dit woord uit de Klaagliederen ons bemoedigen en ons in het lijden en de beproevingen van deze tijd doen zingen van het heil, dat God heeft bereid. Laat het ons bemoedigen en hoop geven voor de Kerk in de huidige spanningen en verwarring. Laat het ons in onze persoonlijke strijd en aanvechting kracht geven om te volharden.
„Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden". Laat de klokken maar luiden.
Het is advent!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's