God is dood?
„Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard." Evang. van Joh. 1 : 18.
God is dood en Zijn Zoon Jezus leeft.
Dat is de „theologie" die ons de laatste tijd overspoelt door studieboek en televisie-uitzendingen, door krant en vakblad.
Het is, zo zegt men, hét antwoord op de vraag naar God, die de moderne mens stelt. God, zoals Hij in de Heilige Schrift sprak, moet vervangen worden; de oude beelden opgeruimd, wij 20e eeuwers denken in de taal van de techniek en de computer. Het valt dan wel op, dat niet alles verdwijnt, ik lees: „en Zijn Zoon Jezus leeft".
Wie is God?
Met deze vraag is eeuwenlang geworsteld, daar zijn duizenden antwoorden op gegeven, het antwoord van de volken, het antwoord van Israël, daar probeert de geleerde wat van te zeggen, daar stamelt een eenvoudig mens wat over.
Israël spreekt met ontzag: „want onze God is een verterend vuur"; zoals je niet zomaar, regelrecht in de fel brandende zon kunt kijken — je houdt het misschien een paar seconden vol — zo is het een onmogelijkheid God te zien.
Misschien juist daarom, in deze volkomen ontoegankelijkheid, wil de mens wel zien. In zijn hart leeft dat onbestemde verlangen, dat we met drie woorden kunnen beschrijven, het verlangen naar licht, naar waarheid, naar leven. En het is beslist geen valse romantiek, geen ijdele droom, wanneer wij dat terugvinden in het scheppingsverhaal.
Daar begint het leven voor mens en dier, voor plant en vogel; daar straalt het licht over een aarde, die nieuw geschapen ligt.
Daar is God te vinden, daar kun je Hem zien, niet onmiddellijk, maar indirect — want leven en licht zijn in het Woord, dat schiep.
Daar is het contact tussen God en mens mogelijk: „en zij (d.i. Adam en Eva) hoorden de stem des HEEREN huns Gods, wandelende in de hof, aan de wind des daags".
Het oor hoort de waarheid Gods en het oog ziet het werk van Zijn handen. Maar God Zelf zien, dat bestaat nooit!
En dan komt de zondeval, het leven maakt plaats voor de ondergang en de dood, het heldere licht valt weg en duisternis gaat heersen.
Slechts één ding blijft, in het donker ligt een weg, een weg verlicht door het schemerlicht van de belofte, de weg van het Woord.
Zo wordt de geschiedenis een historie gevuld door aan de ene kant Gods openbaring in gezichten en dromen, een openbaring in het Woord van de profeten en de zieners; en aan de andere kant een wereld, die God zoekt en Hem door de barrière van zonde en schuld niet kan vinden.
Men zoekt: in de natuur, waar elementen verworden tot goddelijke machten.
Men zoekt in de wijsbegeerte, waar de geleerde op de top van zijn wetenschap op wil gaan in het hogere.
Men zoekt: in de soberheid van het leven, in de onthouding en de zelfkastijding, om zich God waardig te maken.
Men zoekt: door te speuren in de verborgenheden, in de geheimen van leven en van dood.
Tevergeefs, verkeerd gezocht en nooit gevonden.
In deze wereld komt de Christus, niet van ons uit, maar van God Zelf uit, laat Hij Zich vinden.
Hij wil niet de Grote Onbekende zijn, maar Zich openbaren. Hij wil onder ons wonen, het Woord is vlees geworden.
Daarom moet als ons proberen om God te zien schipbreuk lijden, hoe wij ons dat ook voorgesteld en ondernomen hebben.
Vandaar de tegenstand ook, vandaar het ongeloof, omdat het Gods eenzijdig werk is.
Hier komt de noodzakelijkheid naar voren van 't geloof in deze God, slechts door het geloof kan de waarheid gekend worden, het licht gezien en het leven gevonden worden, slechts over deze weg wordt God ontmoet.
Het is niet mogelijk om beschouwend over Hem te spreken, dan maken wij de Waarheid tot een leugen, het is niet mogelijk Het Leven op te sluiten in onze schema's, omdat dat de dood betekent.
Kerstmis — Gods openbaring — brengt de eis van bekering, de radicale ommekeer van ons verlangen God, waar en hoe dan ook, maar te zien.
De prediking van de geboren Christus is dan ook voor mensen, die blind zijn en menen dat ze zien, voor armen die menen dat ze rijk zijn.
Wij worden op onze plaats gezet, een plaats die wij van nature niet willen innemen.
Het helpt ons niet, dat we wel willen erkennen dat we blind zijn, dat is vrij goedkoop en gemakkelijk, daar kun je nog lang en rustig onder blijven leven.
De boodschap van deze Christus is, dat wij op moeten houden met ons zoeken, dat Hij voor ons staat en in Hem Zijn Vader.
Het Nieuwe Testament geeft ons deze verrijking in Lucas 2 en in al die andere Kerstboodschappen: we kunnen er niet langer meer omheen, zie het Woord!
Daarom toch is ook dit Kerstfeest 1966 niet vrijblijvend, daarom kunnen wij niet beslissen wel of niet feest te vieren.
God is geopenbaard betekent, dat Hij ons zoekt en zelfs veel meer dan dat. Hij geeft Zijn wil te kennen.
Hij, die het Woord is, spreekt het Woord tot ons zondaren, daarin ligt ons oordeel, maar ook het Evangelie van de onmogelijke mogelijkheid.
Zien wij God? Zullen wij Hem zien?
In deze laatste dagen voor 25 en 26 december moeten wij een eind maken aan onze voorbereidingen, straks is het zover.
Wij hebben Advent gehouden, dat kan nog uitstel betekenen, maar straks spreekt de Geest tot de gemeenten, dan komt het beslissende ogenblik.
Hoe staat het met ons, hebben wij ons „geschikt om onze God te ontmoeten"?
De Zoon verklaart ons de Vader, Hij geeft dé verkaring, beter dan welke preek of meditatie ook, maar ook zo op de man af, dat er een antwoord van ons verwacht wordt, neutraliteit is dan uitgesloten.
Hier blijkt ook de eenheid van de Vader en de Zoon, die in de schoot des Vaders is. De vraag of hier gesproken wordt van de Zoon voor de schepping of na Hemelvaart kan gesteld worden, maar blijf hier liggen.
Dit staat vast, Hij, die Licht, Waarheid en Leven is, brengt geen eigen, geen zelfstandige boodschap, maar de wijsheid des Vaders.
Wie verklaart dat God dood is en dat Zijn Zoon leeft, doet niets anders dan zijn eigen woorden in twijfel trekken, hij snijdt zijn eigen weg af.
Daar zijn wij al tegen gewaarschuwd in het apostolisch vermaan over de toekomst, dat hoeft ons zelfs niet te verwonderen.
Wat stellen wij tegenover deze „moderne" boodschap, wat is ons verweer tegen alle aanvallen binnen en buiten de kerk?
Wanneer in Johannes 1 de Doper deze belijdenis doet, dan is er veel verzet tegen zijn getuigen, het zal hem zelfs zijn leven gaan kosten.
En ook in zijn eigen leven komt de twijfel opzetten en hij denkt, dat zijn prediking tevergeefs is geweest.
In de kerkgeschiedenis leek en lijkt het er maar al teveel op dat de verkondiging een „vox clamantis in deserto" een stem des roependen in de woestijn heeft.
Maar — Gode zij dank — het hangt niet van ons af, de Zoon, die verklaart is ook de Overwinnaar, die eens Zijn Geest heeft uitgestort; de Geest, die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel is ook de Geest, die in alle waarheid leidt.
Kerstfeest, het feest van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest is op handen, de klokken luiden, de kerkdeuren gaan open, het Woord spreekt...
Dan wordt 't weer, opnieuw Advent: Ziet, Hij komt op de wolken, en alle oog zal Hem zien.
Wilnis, J.H. van de Bank
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's