RAPPORT OVER ENIGE ASPECTEN VAN DE LEER DER UITVERKIEZING 4
2. Wat is de grond van de verkiezing?
2. Wat is de grond van de verkiezing?
Volgens het Rapport hebben de Remonstranten hun tegenstanders terecht verweten dat zij het noodlot in de plaats van God stelden, omdat zij God tot een gevangene gemaakt hebben van zijn eigen besluiten (17). Door velen is de verkiezing van God als strijdig ervaren met de liefde Gods en als onverenigbaar met werkelijk evangelisch geloof (19). Doordat bijbels geloof vermengd werd met een abstract-wijsgerig Godsbegip ging men uit van een onbewogen godheid wiens besluiten een onveranderlijke gedaante hebben. Het eenmaal door God genomen besluit maakt Hem tot een gevangene van de eigen besluiten (19). De Reformatie, die voor een deel beheerst werd door een scholastieke denkwijze, ging in overeenstemming met het almachtsbegrip van Aristoteles' wijsbegeerte, uit van de onbeweeglijkheid en onveranderlijkheid van God (20). En dat Calvijn het „verschrikkelijk besluit" poneert, waarin de Heere sommigen verkiest tot zaligheid en anderen tot de eeuwige verdoemenis, heeft weinig meer met de Bijbelse boodschap te maken (20). En allen die overtuigd zijn dat God reddende Liefde is, laten hiertegen een legitiem en evangelisch protest horen (20). Want deze dubbele predestinatie brengt ons in grote onzekerheid. Hoe zal ik weten dat ik verkoren ben? (24). Behoor ik wel tot het getal der uitverkorenen? (25). Volgens Calvijn moet men op Christus zien (24). Maar Christus kan mij alleen helpen als ik behoor tot degenen, die de Vader Hem gegeven heeft. Behoor ik niet tot de verkorenen, dan is ook Christus machteloos mij te helpen. En dat is nu juist het onaanvaardbare, zegt het Rapport (24). En omdat men hierdoor in Gereformeerde kringen niet bij voorbaat zeker kan zijn van zijn verkiezing, zoekt men daar de zekerheid des heils in betuigingen en verzekeringen, in stemmen en fluisteringen, die verzekeren dat men verkoren is (25). Daarom, opdat alle onzekerheid wegvalle, moet ik voor alles zeker zijn van mijn verkiezing (26). Calvijn heeft er niets van begrepen, dat het bestaan (de existentie) van de mens Jezus Christus van alomvattende betekenis is. In Hem zijn alle mensen besloten, omdat Hij de mens is tegenover God (26). En de theologie, die de grond der verkiezing stelt in Gods soevereiniteit en niet in Jezus Christus, doet tekort aan de Christologie. Want Christus is de grond der verkiezing omdat Hij aan het kruis onze verworpenheid droeg. En daarom toont het kruis tegelijkertijd ook onze verkorenheid (27). De roeping, die niet tot verkorenheid leidt, is geen roeping (27). Zo behoedt de stelling, dat Christus de grond der verkiezing is, ons voor fatalisme (28). Want iedereen is nu bij voorbaat zeker van zijn verkiezing. En de verwerping is een Goddelijke onmogelijkheid.
Het zal voor hen, die bij Gods Woord wensen te leven, niet meevallen, in dit alles ook maar enigermate de Schrift te herkennen. Op filosofische vleugels is hier „de theoloog" ten hemel opgestegen en in de afgrond neergedaald (Rom. 10 : 6, 7) om zelf de kloof tussen de hemel en de aarde te overbruggen. Maar dit betekent niet anders dan een volkomen miskenning van de komst en het werk van Christus (H. Ridderbos, Aan de Romeinen, t.p.).
Hoewel de Heere God alle dingen van eeuwigheid bekend zijn en Hij alles werkt naar de raad van Zijn wil, is dit voor ons het meest onverteerbare brok. Smalend wordt de Heere naar beneden getrokken in het menselijk vlak als gezegd wordt dat b.v. Calvijn de Heere tot een gevangene gemaakt heeft van Zijn besluiten.
Zoals een architect werkt naar zijn gemaakt bestek, zo bezingt Gods Kerk het wonder van de Goddelijke Architect, die het gebouw van zijn gunst bewijzen naar zijn gemaakt bestek, in eeuwigheid doet rijzen. Stelt u zich voor, dat iemand tot een architect zou zeggen: wat bent u een gebondene aan en een gevangene van uw bestek! Dan zou hij die persoon schouderophalend aanzien en, niet wetend wat hij op zo'n van onbegrip getuigende uitroep antwoorden moet, zeggen: daarin heb ik nu juist mijn kunde, mijn hart gelegd. Het is een stuk van mijzelf. Nu is de architect tegenwoordig aan vele voorschriften gebonden, waardoor hij zich wel eens belemmerd gevoelt. Maar de hemelse Architect heeft als de Drie-enige God in een volmaakte vrijheid alle Goddelijke wijsheid, majesteit en heerlijkheid gelegd in dat bestek zowel van Zijn scheppings-als herscheppingswerk. Geen enkele architect werkt zonder tekening en bestek. Doet hij dat toch, dan rommelt hij maar wat aan, niet wetende waar hij zal uitkomen. Zou de Heere zonder Zijn raadsplan werken, dan laat men in de grond van de zaak de Heere met de wereld maar wat rommelen. Als de Heere hemel en aarde schept met alles wat erbij hoort, dan verrijst dit kunstig bouwwerk naar een vast plan in een volmaakte volgorde. En bij de uitvoering wordt elk onderdeel door de Heere bekeken en beoordeeld. En tot zesmaal toe horen we: en zie “het was goed". Het is in overeenstemming met en het beantwoordt aan „Ons scheppingsplan". En op de zevende dag rust God van al Zijn werk, „hetwelk Hij geschapen had om te volmaken" (Gen. 2:3).
Na de zondeval gaat de Heere terstond over tot de volvoering van Zijn herscheppingsplan. In volle harmonie werken de Drie Goddelijke Personen aan de uitvoering van dit bestek. „Mijn Vader werkt tot nu toe", zegt Christus, en „Ik werk ook". Want als Goddelijke Aannemer van dit Hemelse bouwplan (Ps. 40:8, 9)) „moet Ik werken de werken Desgenen Die Mij gezonden heeft'. (Joh. 5 : 17; 9 : 4). En het gedeelte van het verwerven van de zaligheid voltrekt zich naar de bepaalde raad en voorkennis Gods (Hand. 2 : 23). Christus beziet en beoordeelt Zijn werk, en Hij roept uit: Het is volbracht!" En in het opwekken van Christus door de Vader getuigt Deze: et is zeer goed! (Hand. 2 : 24; Rom. 4 : 25). Als nu naar Gods bestek het werk van de Heilige Geest volvoerd zal zijn, dan zal de nieuwe hemel en aarde er zijn waarop gerechtigheid woont. En daarvan zal bij uitstek gelden: n ziet, het is zeer goed! Want hierin zijn al Gods deugden ten volle verheerlijkt
Hier op aarde wandelt men menigmaal in raadselen omdat ik Gods wegen, die zo ver boven mijn denken uitgaan, niet kan begrijpen noch doorgronden. „God is groot, en wij begrijpen het niet", zegt Elihu (Job 36 : 26). Maar na deze wordt het verstaan. En als Jacob en Jozef elkander ontmoeten en Gods licht over hun weg de nevels doet opklaren, zingen zij in verwondering en aanbidding: onderlijk zijn o God, Uw wegen! Wie, wie is een God als Gij? Uw doen is majesteit en heerlijkheid. Zo leert de Heere God ons deze steen van Gods raadsplan, die voor de natuurlijke mens een steen des aanstoots is, in het geloof zalven. En een heerlijke geloofsrust wordt gevonden in Hem, Die gezegd heeft: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen"(Jes.46 : 10).
Werkt de Heere vrijmachtig vanuit Zijn raad, die voor ons verborgen is, nooit heeft de Heere deze voor ons tot uitgangspunt gemaakt. Want de verkiezing omvat niet alleen de oorzaak (Gods welbehagen) en het doel van de zaligheid (Gods eer), maar ook de Weg (Jezus Christus) en de middelen (Woord, prediking, gebed, sacramenten). Het eerste deel is voor de Heere onze God en voor ons verborgen. Het tweede deel daarentegen is ons door God geopenbaard en stelt ons onder de hoogste verantwoordelijkheid op die grote zaligheid goede acht te geven (Deut. 29 : 29). Werkt de Heere naar Zijn eeuwige raad op Zijn tijd de inlijving in Christus, de zondaar daarentegen wordt door de inlijving in Christus door de Heilige Geest geleid naar de bron der zaligheid: ods verkiezende liefde in Jezus Christus.
Treffend schoon zegt Calvijn: elk, die niet met Christus tevreden is, maar nieuwsgierig vraagt naar de eeuwige verkiezing, zoekt zalig te worden buiten de raad Gods om. De verkiezing is uiteraard verborgen en geheim. De Heere maakt ze openbaar door de roeping, waarmee Hij ons verwaardigt. Daarom is het zo dwaas als men zijn eigen en anderer zaligheid in de doolhof der predestinatie wil zoeken, zonder de voorgestelde weg des geloofs vast te houden. Ja, door deze verkeerde beschouwing trachten zij de kracht en de werking der predestinatie te vernietigen; want zo God ons tot dien einde verkoren heeft dat wij geloven zullen, neem dan het geloof weg en ge hebt de verkiezing verminkt. Maar het is onmogelijk de in Gods raad gestelde volgorde van begin en einde te verbreken" (Comm. Joh. 6 : 40).
Het is dan ook nooit goed de vraag te stellen of ik al of niet verkoren ben. Want Gods begin is mijn einde En Gods einde (de toepassing van de zaligheid) is mijn begin. Stelt men evenwel tegen Gods Woord in toch de vraag naar zijn verkiezing voorop, dan is dit om onder een vrome dekmantel zijn goddeloos leven vast te houden. En men steekt tegen beter weten in de hand uit naar het heilige van God als excuus voor zijn onbekeerd zijn. Maar het zal ons dodelijk treffen. Trouwens, het openbaart een levensinstelling die in slechtheid boven de duivelen uitgaat. Hoewel satan goed weet dat hij geen ziel meer of minder als zijn buit zal wegvoeren dan de Heere besloten heeft hem te laten, doet deze wetenschap hem niet de armen over elkaar slaan maar uit de mouwen steken. Hij gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden.
De Heere Jezus Christus, Die naar zijn Godheid wist wie Hij van de Vader ontvangen had, staat niet in onbewogenheid tegenover Jeruzalem's onbekeerlijkheid, maar Hij weent! Want de Heere roept op grond van de algenoegzame waarde en kracht van Christus' offer allen ernstig en waarachtig tot de zaligheid. Dit laat ons zien, dat Christus niet de grond van de verkiezing is, zoals het Rapport zegt, zodat allen in Christus verworpen en verkoren zijn. Dan had Christus daar juist moeten juichen vanwege zijn allesoverwinnende „triomf der genade". Maar Christus, voor Wie de genadige roeping Gods waarachtig is, weent over Jeruzalem. En dit zijn geen gekunstelde tranen. Als de Christus in het Hogepriesterlijk gebed spreekt tot de Vader, dan zegt Hij: „Vader, Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt". Dit gebed leert ons twee zaken. In de eerste plaats dit: hoewel Christus weet wie Hem van de Vader gegeven zijn, is deze wetenschap voor Hem geen reden tot passiviteit of fatalisme, maar juist van gebed. En in de tweede plaats: in dit gebed treedt de Hogepriester in het binnenste heiligdom, in het Heilige der heiligen. Oudtijds was de hogepriester daar onttrokken aan oog en oor van het volk. Hier mag Gods kerk in stilzwijgen luisteren als God spreekt tot God. En zoals op een bouwwerk architect en aannemer spreken vanuit het bestek, zo spreekt hier de Goddelijke Aannemer Jezus Christus tot de Goddelijke Architect vanuit het gemaakt bestek. Dit gebed is de gemeente dan ook nooit op de lippen gelegd zoals het „Onze Vader". Daarom moeten we terdege onderscheid maken tussen de grond der verkiezing (Gods welbehagen) en de grond der zaligheid ( het algenoegzame offer van Christus). De Heere God kan wel zondaren verkiezen buiten Christus, maar geen zondaren zalig maken buiten Christus. Daarom geeft de verkiezing geen recht op de zaligheid en is de verwerping geen verontschuldiging voor ons verloren gaan. Want de Heere verkiest zondaren in Christus, daarom kan de verkiezende liefde alleen gekend worden in en door de vereniging met Christus, zodat de verkiezende liefde Gods altijd en alleen ervaren wordt in het gelovig aannemen van Christus en Zijn weldaden. Daarom spreekt Calvijn zo duidelijk over Christus als de spiegel der verkiezing.
Het is dan ook volslagen absurd wanneer het Rapport stelt, dat in Gereformeerde kringen de zekerheid des heils gezocht wordt in stemmen en fluisteringen die verzekeren dat men verkoren is. Misschien heeft de uitvinder van deze nonsens eens op een blauwe maandag gehoord van Zwarte Jannigje en dit meteen aangegrepen om de Gereformeerde richting met haar op één hoop te gooien. Laster is 't laatste en laagste wapen om een zaak die niet onschadelijk te maken is, tegen beter weten in te willen vernietigen. Daarom treft het de lanceerder en niet het doel. Door Calvijn en de Nadere Reformatie is sterk de nadruk gelegd op het getuigenis van Gods Geest, Die door het werk van Christus in ons getuigenis geeft van het kindschap. In het Rapport is de Christologie van zodanige omvang gemaakt, dat de Pneumatologie op dood spoor is geraakt. Maar Gods woord zegt ons, dat de Heere ons Zijn verkiezende liefde doet kennen in Christus door het werk van de Heilige Geest in ons. En alleen uit de vruchten van het geloof ontvangen wij kennis en zekerheid van onze verkiezing van God. „Wetende uw verkiezing van God", zegt Paulus, „uit het werk uws geloofs, de arbeid der liefde en de verdraagzaamheid der hoop" (1 Thess. 1 : 3, 4). Zo leert Calvijn het (b.v. Comm. 1 Thess. 1 : 5, 2 Thess. 2 : 13); zo leren de Dordtse Leerregels het (V, 10). En zo is de bevinding der heiligen van vroeger en nu.
(slot volgt).
Zegveld I. Kok
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's