ENKELE OPMERKINGEN OVER CREMATIE
Dat een enkel artikel over het vraagstuk van de Crematie uw aandacht wil vragen vindt zijn aanleiding in een vraag hierover uit de kring van lezers, wellicht opgekomen door een behandeling van deze aangelegenheid in de Tweede Kamer. Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling vanuit politiek oogpunt ons op deze zaak te bezinnen, waarvoor ons blad zich niet leent. Veeleer is het de bedoeling te pogen vanuit het geheel van het bijbels Getuigenis overwegingen te geven.
Definitie.
Onder crematie hebben we te verstaan de verbranding van het lichaam van een gestorvene, waarbij slechts wat as overblijft, in een urn opgevangen en bijgezet. Niet meer zoals vroeger gebeurde, toen een brandstapel werd opgericht, heeft de verbranding plaats, maar in een oven, waarin een zeer hoge temperatuur heerst, en waardoor het lichaam niet met brandstof of een vlam in aanraking wordt gebracht. Binnen nog geen twee uur is zulk een proces voltooid. De plaats waar het verbranden, cremeren, gebeurt, heet crematorium, waarbij doorgaans ook een kapel is gebouwd, waar een rouwdienst gehouden kan worden. In 1914 vond de eerste crematie plaats in Westerveld bij Haarlem. Aangezien de wet in deze wijze van ter aarde bestelling destijds niet voorzag, kan de crematie niet als strijdig met de wet worden beschouwd, zodat ook de overheid niet ter verhindering heeft ingegrepen, zich strikt aan de wet gehouden hebbend.
Motieven ter verdediging.
Wanneer vve er op letten op welke gronden men de crematie wil verdedigen, dan blijken de motieven wel van zéér verschillende aard te zijn. De voornaamste zijn wel deze:
a. Het belang der volksgezondheid: men heeft wel gemeend, dat kerkhoven, waar de lichamen tot ontbinding overgaan, gevaar van verontreiniging voor het water in de directe nabijheid opleveren en snelle verspreiding van besmettelijke ziekten kunnen veroorzaken.
Niet voor niets schrijf ik: heeft wel gemeend Tegenwoordig doet dit argument niet meer ter zake. Zelfs zij, die het sterkst op hygiëne aandringen, zijn het er wel over eens, dat goed aangelegde kerkhoven op geen enkele wijze een nadeel voor het welzijn van de levende bevolking opleveren, zodat verdere bespreking van dit motief achterwege kan blijven.
b. Het nijpend tekort aan ruimte: gelet op het grote gebrek aan grond en ruimte om de groeiende bevolking een leefbaar bestaan te kunnen bieden, verdedigt men ook van medische zijde, zoals onlangs in de pers vermeld is, de crematie, omdat men dan met veel minder grondgebruik toekan. Steeds moet men, vooral bij of in snel groeiende plaatsen en steden, kerkhoven vergroten — als dat nog kan — of nieuwe begraafplaatsen aanleggen, wat allemaal grondgebruik vergt, terwijl dat juist voor de bebouwing zo veel nut zou kunnen hebben. En men benadrukt dan, dat ook juist de christen, die de naaste moet liefhebben als zichzelf, toch zeker een oog moet hebben voor het welzijn en de leefruimte van de bevolking.
Hoe minder ruimte men voor de gestorvenen behoeft, des te meer grond ter bebouwing blijft voor de levenden beschikbaar. En dat is toch in het belang van allen. Daar zal toch zeker de gelovige, die zichzelf niet zoekt, maar door de liefde dient, steun aan geven.
Hoezeer het nu waar is, dat we allen met het vraagstuk van de bevolkingsdichtheid te maken hebben en krijgen, moeten we toch opmerken, dat voor de christen niet het algemeen welzijn het eerste en enige is. Naastenliefde is trouwens nog iets anders dan medemenselijkheid, om dat nare modewoord maar eens te gebruiken. Vóór het algemeen welzijn gaat nog altijd gehoorzaamheid aan het gebod Gods en onderwerping aan het Bijbels getuigenis. In de praktijk dan kan het voorkomen, dat het-Gode-gehoorzaam-zijn dwars ingaat tegen wat als dienstbaar aan het algemeen welzijn geldt. De losmaking van de naastenliefde van de liefde tot God boven alles leidt tot een humanistische levenshouding, die meer let op het nuttigheidsbeginsel dan op de inhoud van het gebod en getuigenis Gods. Hoe het getuigenis Gods hier luidt, moet dan nader nagegaan worden, waaraan we hieronder aandacht willen geven.
c. Een wereld-en levensbeschouwing, die de waarde van de mens en van het menselijk leven wil behoeden. Men acht het begraven dan een oneer, die de mens eerder als een dier doet voorkomen, dan als een bewust levend wezen, dat het hoogste is in heel de levende wereld. Dat het menselijk lichaam in de grond gestopt wordt en daar aan de ontbinding wordt prijsgegeven, acht men zoiets laags, dat men een geheel andere wijze van begraven, n.l. de verbranding, poneert, waarbij het gans-anders-zijn van de mens, zijn hoger zijn dan de andere schepselen, bewaard blijft.
Vooral van Vrijzinnige zijde blijkt op dergelijke gronden bezwaar tegen het begraven te bestaan. „O sterveling, gevoel uw waarde”. Inhoudelijk gezien moeten we echter hier spreken van een meer heidense, materialistische levensbeschouwing dan van een Bijbels-christelijke overtuiging. Wel zou ik hierbij willen aantekenen, dat het besef van vernedering, ontluistering van de mens en zijn leven, in deze kringen zo scherp gevoeld, bij ons wel eens wat meer mocht leven. Hoe waar het ook moge zijn, dat het onder Israël een grote smaad was, als een begrafenis ontbrak na de dood, al te gemakkelijk wordt op een kerkhof de uitdrukking gebezigd „we zijn hier bijeen om aan de overledene de laatste eer te bewijzen". Beseffen we nog wel, dat als we een begraafplaats betreden, we dan op „verboden grondgebied" komen? Hoeveel verdriet er ook moge zijn om het smartelijk gemis van onze geliefden, droegen we ooit leed om de daar zo duidelijk blijkende ontluistering van de beelddrager Gods? Sterven en begraven behoren toch niet tot de eer van de eens voor het leven geschapen mens, die nu bij de geboorte al dé kiem van de dood in zich heeft? Daartegenover mag de christen ook weten, dat Christus onder de zonde van Zijn volk Zich begraven heeft èn in de schande van dood en graf is ingedaald, om die te stellen tot een doorgang tot het eeuwige leven en te heiligen tot een rustplaats.
De crematie echter te verdedigen vanuit de waardebepaling van het menselijk leven wijzen we volstrekt van de hand als on-bijbels.
d. Het ontbreken van ook maar een tekst uit de Bijbel, waar de crematie duidelijk en afdoende wordt afgewezen: men stelt dan, dat, daar de Bijbel nergens de lijkverbranding als ongeoorloofd en zondig veroordeelt, er dus voor de christen ook geen principieel bezwaar behoeft te bestaan tegen de crematie. Als het zo verkeerd was, dan zou Gods Woord er toch wel scherp en ondubbelzinnig tegen spreken. Nu wordt het blijkbaar aan de vrijheid van elk christen overgelaten.
Ook hierbij een korte opmerking. Dat we zulk een argument, een „argumentum e silentio" — een argument, ontleend aan het zwijgen over een bepaalde zaak — wel heel voorzichtig moeten zijn, moet goed verstaan worden. Het Bijbels getuigenis kan immers zo duidelijk zijn in zijn geheel, dat een afzonderlijk gebod of verbod niet eens nodig is. En om het gevaar van zulk een redenering aan te tonen, mogen we er op wijzen, dat op soortgelijke wijze b.v. de verwerpers van de kinderdoop menen sterk te staan, omdat nergens in de Bijbel een gebod tot kinderdoop voorkomt. Niet een tekst leert, zo zegt men, dat er werkelijk kinderen gedoopt moeten worden. Dat echter de hele verbondsgedachte in Gods Woord — God gaat immers naar Zijn welbehagen verbondsgewijze met de mens, Zijn schepsel, om — op zichzelf al de kinderdoop insluit, vergeet men maar al te zeer. De Bijbel is geen Boek met allerlei leefregels, voorschriften en geboden voor elk geval in de praktijk. Zo gaat wel de wettische godsdienst en eigenwillige vroomheid met Gods Woord om. Voor het geloof worden echter de verbanden en grondstructuren zichtbaar. Dan gaat het niet om versnipperde stukjes en losse teksten, al of niet ook nog uit het verband gerukt, maar om het geheel van de Bijbelse boodschap. Het zal nu ook om de bezinning daarop te doen moeten zijn, die nu aan de orde komt.
Bijbelse bezinning.
Bij het nagaan van de Bijbelse gegevens over lijkverbranding en begrafenis, blijkt duidelijk, dat het begraven en de betekenis, die daaraan gehecht wordt, niet zo maar een willekeurige, menselijke handeling is. Dit alles hangt zeer nauw samen met het geloof aan een leven na de dood, als vrucht van Gods Openbaring aan Israël, hoe dit alles ook nog in de schemering van het Oude Verbond verkeerde. De Godsopenbaring kent geen ontwikkeling maar wel voortgang in het Oude Testament, en ontvouwt zich steeds duidelijker en rijker in de heilsgeschiedenis. Hangt dan ook het begraven, met alles daarbij en daaromheen, nauw samen met het geloof als uitwerking van de Openbaring Gods, de lijkverbranding stamt niet uit Israël, en blijkt geen vrucht van dat geloof. Deze komt duidelijk van de buiten-Israëlietische volkeren en is dus heidens. Waar onder Israël nog van lijkverbranding sprake is, staat deze altijd in verband met gevallen van strafoefening, waar van voltrekking van doodstraf zelfs sprake is.
In Genesis 38 is sprake van verbranding als zwangerschap uit hoererij blijkt bij Thamar. In de Mozaïsche wetgeving wordt later in zulk een geval van doodstraf door steniging gesproken (Deuteronomium 22). Echter ook dan is verbranding daarna niet uitgesloten, daar in Jozua 7, bij de steniging van Achan en de zijnen ook van verbranding wordt gemeld, om het schandelijke van de overtreding in te scherpen. In Leviticus 20 en 21 en 1 Samuel 31 wordt ook van verbranding nadat de dood is ingetreden, gesproken. Daarentegen blijkt uit 2 Kronieken 16 en Jeremia 34 : 5, dat het wel voorkwam, dat allerlei specerijen of kostbare bezittingen aan het vuur werden prijsgegeven, wanneer een indrukwekkende begrafenis plaatsvond.
Dat die begrafenis als 'n bijzonder belangwekkende gebeurtenis gold, blijkt wel hieruit, dat deze telkens afzonderlijke vermelding ontvangt na de opgave van de doodstijding, zowel in de historische als ook in de dichterlijke en profetische teksten (teksten uit de boeken van de Koningen, Psalmen, Prediker, Jeremia en Ezechiël).
Een onbegraven lichaam is het ergste wat men zich denken kan en wekt gevoelens van weerzin en afkeer op.
Nog een geheel ander aspect vertoont de begrafenis, gezien vanuit de komende heerlijkheid in de eindtijd, als Christus wederkomt op de wolken, en het Rijk Gods is gekomen, en de gelovigen alsdan met een verheerlijkte ziel en een verheerlijkt lichaam altijd bij de Heere zullen zijn. Dat juist het Nieuwe Testament dan gaat spreken, is geen wonder. Dan is het volle licht opgegaan en doorgebroken in Christus en Zijn verlossingswerk en opent zich het machtig perspectief van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont, naar Zijn belofte. Zowel in het Evangelie als ook in de brieven, vooral van Paulus (Romeinen, 1 Corinthe, 1 Thessalonicenzen) en de Openbaring wordt daarover gesproken, voor zover de Heere dat ook nodig heeft geoordeeld voor ons. Zeer sober spreekt de Bijbel ons over de voleinding der eeuwen, zonder ijdele fantasie en overspannen geestdrijverij. Daarbij neemt de prediking van de heerlijke opstanding der gelovigen een grote plaats in, door de Vader door middel van Zijn Zoon tot stand gebracht. Daarbij worden het lichaam en de ziel van de gelovige niet maar opnieuw verenigd, maar vernieuwd naar Gods evenbeeld, in Christus.
Daarbij, en dat is hier uitermate belangrijk, is er tevens gelijkheid tussen het lichaam in de opstanding en het lichaam dat gestorven was. Duidelijk leert de apostel dat in 1 Corinthe 15 : 36 en vervolgens. De Heere is een God van orde. Het lichaam is niet naar heidens denken een gevangenis voor de ziel, maar is geschapen, gevallen en doet mee in het herscheppend werk, evenals de ziel. De totale mens wordt, geschapen als hij is door God, wanschapen als hij geworden is door de zonde, herschapen in en door Christus. Het woord wedergeboorte, meestal betrokken op de persoonlijke vernieuwing door de werking van Gods Geest, wordt ook gebruikt voor de grote vernieuwing, herschepping beter gezegd, aan het einde der tijden, Mattheus 19 : 27. Daarom is er ook sprake van lichamelijke opstanding en verlossing bij de komst van Christus in heerlijkheid, door Hem krachtens Zijn lijden, zoendood en opstanding teweeg gebracht.
Juist met het oog op het verband tussen het lichaam der opstanding en het gestorven lichaam, overeenkomstig de eer van het beeld Gods bij de schepping en herschepping, kortom heel het bijbels getuigenis van Schepping-Verzoening-Verlossing is de begrafenis zo belangrijk, en doet de crematie als vreemd en heidens element niet mee.
We zijn niet zo dwaas om de crematie te stellen als een inperking van Gods almacht, als zou daardoor de opstanding voor God tot een onmogelijke zaak zijn geworden. Kan de Heere ooit door een menselijke handeling of gewoonte, hoe verkeerd die ook moge zijn, worden belet in Zijn werk als de Almachtige? Bovendien zou dan ook de zalige troost weg zijn voor de martelaren, die, dood of levend, verbrand zijn voor de Naam en zaak van Christus.
Mij dunkt, in de lijn van het bijbels getuigenis zal de christen zijn lichaam dat door het oprecht geloof in Christus niet meer van hemzelf maar ook, evenals de ziel, van de Heere is, niet vernielen, maar in de aarde laten zinken en rusten, totdat de Dag der Verlossing gekomen is.
Zo is de belijdenis van de opstanding des vleses geloofsartikel en vol vertroosting voor allen, wier leven Christus en wier sterven gewin is.
Wanneer we nu ons oog nog eens laten gaan over deze gegevens uit de Bijbel, dan hebben we inzonderheid op een drietal aanwijzingen te letten.
1. De verbranding van gestorvenen is een gewoonte, die noch uit het volk Israël stamt, noch later van het christendom afkomstig is, maar buiten Israël bij de heidense volken wel gevonden werd.
2. De verbranding van gestorvenen komt evenwel onder Israël voor bij zeer ernstige misdaad, en geschiedt na voltrekking van de doodstraf, of als vrucht en openbaring van Gods oordeel over de zonde. Deze is dus geen zaak van eer, maar integendeel, teken van smaad en schande.
3. De verbranding van gestorvenen moet ook vanuit de gegevens uit het Nieuwe Testament, waarin als bijzonder troostrijk voor de gelovigen de correspondentie tussen het lichaam bij de Opstanding en het gestorven lichaam voorgesteld wordt als een der vruchten van Christus’ kruisdood en opstanding, worden afgewezen.
Dat de christen de crematie als beslist verwerpelijk zal beschouwen, is, dunkt mij, nu wel te verstaan.
Wat betreft de taak van de overheid — die toch niet als neutrale instantie slechts democratisch de gelijkberechtigdheid van alle onderdanen zonder meer dient te garanderen, maar geroepen is de geboden Gods te laten achten door elke onderdaan — is op te merken, dat zij, regerend bij de gratie Gods de op Bijbelse grondslag gefundeerde gewoonte van begraven heeft te verzekeren en te bevorderen.
Katwijk aan Zee W. Chr. Hovius
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's