De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

8 minuten leestijd

Twee vragen.

Uit de kring van de lezers werden weer enkele vragen gesteld naar aanleiding van bepaalde gedeelten uit het Nieuwe Testament. Op twee daarvan willen wij nu in enige vervolgartikelen ingaan. Beide hebben betrekking op de Openbaring van Johannes. De eerste vraagt naar de betekenis van Openbaring 6 vers 9—11, het gezicht van de zielen onder het altaar. De tweede naar de betekenis van het feit, dat in Openbaring 7 vers 1—8 in het gezicht van de 144000 verzegelden alle stammen van Israël worden genoemd, behalve Dan.

Het verband, waarin het eerste gezicht staat.

Eerst willen wij dus nader ingaan op Openbaring 6 vers 9—11.

Johannes ziet in visionaire toestand in de voor hem geopende hemel. Daar is het Boek, verzegeld met 7 zegelen. Dit is het Boek van de Raadsbesluiten Gods, waarvan de inhoud moet worden uitgevoerd in de loop der eeuwen. Het verheerlijkte Lam wordt waardig bevonden, dit Boek te openen. De realisatie van de inhoud hangt immers ten nauwste aan wat Hij tot stand gebracht heeft door Zijn kruis en opstanding! Zo verbreekt Hij het éne zegel na het andere. En de apostel ziet dan steeds allerlei taferelen, welke alle natuurlijk een diepere zin hebben.

In Openbaring 6 wordt het vijfde zegel verbroken. Na de verbreking van het vierde zegel ziet Johannes een Ruiter op een wit paard, dat draaft door de wereld en gevolgd wordt door ruiters op een rood, zwart en vaal paard. Dit zal wel bedoeld zijn als een aanduiding van de triomftocht van het Evangelie door de wereld. Zelfs oorlog, honger en dood, aangeduid door die drie volgende paarden, op zichzelf vreselijke oordelen Gods, staan op een wonderlijke wijze in dienst van de voortgang van dat Evangelie.

Wat de verbreking van het vijfde zegel onthult, sluit hierbij aan. De apostel aanschouwt dan in de hemel „de zielen dergenen, die gedood zijn om het Woord Gods en om het getuigenis, dat zij hadden".

Het verband is duidelijk.

De geschiedenis van de voortgang van het Evangelie en van de kerk in de loop der tijden, is er één, vol van bijzondere leidingen des Heeren. Doch ze is er ook één, vol van strijd. Op twee fronten!

In het hart van de kinderen Gods moeten het Woord de Geest strijd leveren tegen veel ongeloof en allerlei andere zonden. Op het wijde veld van het volle leven vindt de botsing plaats tussen het Woord en de Geest enerzijds en de machten der duisternis anderzijds, welke daar nog steeds overhoop liggen met wat God werkt.

Soms schijnt het, dat de kerk in deze wereld rust heeft. Doch eigenlijk heeft ze dat nooit. De Schrift tekent ons haar als een gemeente, welke steeds aangevallen wordt, terwijl zij zelf steeds in de aanval staan moet. Niet voor niets betekent het Griekse woord getuigen in het Nieuwe Testament ook martelaar zijn! De geschiedenis kent tijden, waarin de gelovigen om hun geloof van hun vrijheid én van hun leven werden beroofd. En wat zal de Kerk in dit opzicht nog te wachten staan?

Welnu, — ook in het visioen in Openbaring 6 vers 9—11, gaat het om gelovigen, die martelaren zijn geworden. Johannes ziet de zielen van hen, die gedood zijn om het Woord Gods. Eigenlijk staat er „geslacht". Christus Zelf is geslacht. Als het Lam Gods, om de zonde der wereld weg te dragen. Deze gelovigen ontvingen de eer, om aan Zijn dood gelijkvormig te worden.

Hoe worden zij, die Johannes ziet, nader aangeduid?

Er wordt dus nader van hen gezegd, dat zij gedood, geslacht, zijn „om het Woord en om het getuigenis, dat zij hadden".

Dit Woord toch gaat uit in de wereld. Hiermee volbrengt de Ruiter op het witte paard Zijn veroveringen. De boze staat, zolang hij kan, dit tegen. En hij heeft zijn werktuigen. Alles stelt hij in het werk, om de harten gesloten te houden voor dat Woord en om in de Kerk dwaalleer en wereldgelijkvormigheid te zaaien. Betoont het Woord toch zijn overwinnende kracht en blijkt het niet te stuiten, dan richt de vijand natuurlijk zijn aanval tegen hén, die zich door dat Woord lieten overwinnen. Kan hij dat Woord niet tot zwijgen brengen, dan zal hij proberen dit te bereiken bij hen, die dat Woord belijden. Daartoe heeft hij ook wel zijn handlangers. Al zijn dit alleen maar degenen, die dat Woord verwerpen en zich in haat tegen de belijders daarvan laten opzetten.

Zo laat hij diegenen, die „het Woord en het getuigenis hebben", niet met rust. Wij begrijpen, wat met dit laatste: „het getuigenis" bedoeld wordt?

In het leven van hen, die door het Woord overwonnen werden, gaat dit als een bijzonder goddelijk getuigenis functioneren. Een getuigenis van hun eigen schuld en verlorenheid, zodat zij die voor zichzelf moeten aanvaarden en zij alle hoogheid en gerechtigheid in zichzelf verliezen. Doch ook een getuigenis van Christus en Gods genade en heil in Hem, zodat zij dat eveneens voor zichzelf aanvaarden en daaruit in hartelijk geloof leven gaan als uit de enige bron des levens.

Alzo hebben zij dit getuigenis als een schat. Zij ontvingen dit als zodanig. En het is hen niet meer te ontroven. Zij lopen er niet praalziek mee te koop, maar zij schamen zich er evenmin voor. In hun woord en wandel maken zij dat Woord tot hun getuigenis jegens anderen.

Doch hierop blijft meestal de reactie van de vijand niet uit. Hij en zijn handlangers richten hun aanval op deze getuigen, „om het Woord en om het getuigenis, dat zij hadden!"

Bij hen, die Johannes ziet in het visioen van de tekst, is dit zo hoog gelopen, dat zij voor de keuze gesteld werden: het Woord verloochenen of daarvoor het offer van uw leven bren-

gen. Zij wisten echter niet van wijken. Zij deinsden niet terug voor deze hoogste consequentie, en bezegelden hun getuigenis met hun bloed. Maar toen juichten hun vijanden ten onrechte. Want deze getrouwe getuigen behoorden Jezus toe! En wie zou hen uit Zijn hand rukken, zelfs in het uur van hun dood? Dié werd hen tot een overgang naar het eeuwige, zalige leven. Zij, die vrede vonden bij het kruis, gingen in in het Vaderhuis!

Wat de apostel ziet, heeft tweeërlei betekenis.

Johannes ziet dus visionair deze martelaren in de heerlijkheid, welke na hun sterven voor hen was weggelegd. Met het gewone oog is deze niet te aanschouwen. Doch de apostel heeft daar tijdelijk een orgaan voor ontvangen. Dit aanschouwen heeft tweeërlei betekenis.

Eerst een moedgevende. Werd hij op dat moment zelf niet vervolgd om het Woord, dat hij uitdroeg? Was hij niet een verbannene? En wat stond hem en de gemeente te wachten? Echter, wat hij met de andere gelovigen reeds uit de Schriften en de prediking van Christus weten kon, wordt hem hier aanschouwelijk getoond en bevestigd. Het kan zijn, dat van de getrouwe getuigen zelfs het hoogste offer gevraagd wordt, doch hen is een plaats bereid in het Vaderhuis!

Vervolgens heeft dit aanschouwen nog een geheel andere betekenis. Het wil hem en Gods Kerk van alle eeuwen anderzijds doordringen van het feit, dat die martelaren toch nog in een voorlopige toestand verkeren. En geldt dit laatste eveneens niet van alle reeds gezaligden? Ook al behoefden dezen niet éénzelfde offer te brengen als die martelaren?

De apostel ziet de martelaren, de gezaligden, als „zielen". Wel moeten wij met deze aanduiding voorzichtig zijn, omdat ze in de Schrift meerdere betekenissen kan hebben. Toch heeft ze hier stellig wel iets bepaalds te zeggen.

God heeft de mens geschapen geest, ziel en lichaam, als een éénheid. En zo viel de mens de zonde en de dood toe. Christus heeft Zich aan het kruis geofferd, als Gods Zoon in onze natuur, ziel en lichaam, om al de zijnen weer naar geest, ziel en lichaam aan de macht van de zonde en van de dood te ontrukken. Dus over de gehele linie van ons menselijk bestaan. Alzo geeft Hij hen ook deel aan de heerlijkheid, welke Hij verworven heeft.

Johannes ziet echter de zielen der martelaren en der gezaligden. Dit wil zeggen, dat hij hen ziet in de zaligheid, welke zij direct na hun sterven ontvangen hebben. Maar is dit reeds de volkomen heerlijkheid, de glorie van het volmaakte Koninkrijk, dat voor hen weggelegd is van voor de grondlegging der wereld, en dat gefundeerd is in Christus' bloed? Zij verkeren nog in een toestand, waarbij hun lichamen nog rusten in de graven. Naar het lichaam zijn zij nog niet verheerlijkt.

Daarom is de zaligheid, welke zij reeds bezitten, al veel, maar toch nog niet het definitieve. Daarom is er ook reden, dat zij in de toestand, waarin Johannes hen ziet, doen, wat hij vervolgens in dit visioen verneemt!

Hierover een volgende keer.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's