De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

RAPPORT OVER ENIGE ASPECTEN VAN DE LEER DER UITVERKIEZING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

RAPPORT OVER ENIGE ASPECTEN VAN DE LEER DER UITVERKIEZING

De reikwijdte van de verkiezing

13 minuten leestijd

3. De reikwijdte van de verkiezing.

Volgens het Rapport heeft de mens Jezus Christus universele betekenis, zodat in Hem alle mensen besloten zijn, omdat Hij dè mens is tegenover God (26). Dit betekent dat Christus voor allen gestorven is (30). Het is volgens K. Barth „betrübliche Inhumanitat" (bedroevende onmenselijkheid) te denken of te zeggen, dat in Christus niet allen verkoren zijn (32). In de calvinistische leer ontbreekt de objectieve veronderstelling van Christus als de Mens Gods in Wie alle mensen besloten zijn. Daar is de liefde Gods niet meer totaal omdat ze aan een door God zelf in ondoorgrondelijke willekeur bepaalde grens stilstaat en niet doorgaat tot alle mensen. Daarom kan de mens aan deze liefde Gods geen volstrekt vertrouwen schenken. Hier ontbreekt dat alle mensen a priori in Christus de rechtvaardiging en heiliging wedervaren is, waarvan men zonder enig voorbehoud zeker kan zijn. Alleen: deze stand van zaken vraagt erkenning (33). Zo is in Christus ten behoeve van en met het oog op alle mensen de beslissing der verzoening gevallen (34, 37). Van hen die niet met Christus in aanraking gekomen zijn, mag niet gezegd worden dat ze verworpen zijn. En ten aanzien van hen die wel met het Evangelie geconfronteerd werden, maar het afwezen, moet men vertrouwen op de stille macht van Gods Woord en Geest (45). Want de verkiezing is nooit een particulier, individueel gebeuren. Het O. en N.T. kennen geen uitverkoren enkelingen, maar het uitverkoren volk (48). Daarom zijn in wezen alle volkeren verkoren (49).

Prof. Berkouwer heeft in zijn reeds eerder genoemd boek, er op gewezen dat het verschil tussen kerk en wereld, gelovigen en ongelovigen gelegen is in de tegenstelling weten en niet-weten. De verkondiging kan bij Barth feitelijk niet anders verstaan worden dan als „mededeling" van een bepaalde stand van zaken, van een gevallen beslissing, die in de prediking „bekend-gemaakt" wordt. Al ontkennen we, aldus Prof. Berkouwer, geenszins dat Barth langs een andere weg het appellerende in de prediking des heils weer een plaats geeft (blz. 271 v.). Het Rapport mag zo „evangelisch" lijken omdat het niemand van de zaligheid uitsluit en in Christus alle mensen verkoren acht; toch is het zo benauwend en verstikkend omdat hier niet God zelf aan het Woord is, maar de „humane" mens, die het zalig worden voorstaat op zijn wijze. Had de Heere Christus zich aangepast aan de wijze waarop de Joden hun zaligheid meenden te verwerkelijken, Hij ware niet gekruisigd. Maar Christus is gekruisigd opdat ik zalig worde op Gods wijze. En dat betekent dat Christus mij kruisigt in mijn denken, in mijn willen, ja, in mijn gehele leven. En hoewel er tegelijkertijd met Christus twee misdadigers gekruisigd zijn, wordt door Gods genade één van hen ook in geestelijke zin met Christus gekruisigd, zodat deze zijn leven om Christus' wil verliest en het daardoor vindt, terwijl de ander, die het oordeel Gods over zijn leven niet als rechtvaardig erkent, zijn leven behoudt en het daardoor voor eeuwig verliest (Mt. 16 : 25). Daarom roemt Paulus in het kruis van Christus, door Welke de wereld hem gekruisigd is en hij der wereld (Gal. 6 : 14). Want „ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij heeft overgegeven" (Gal. 2 : 20). Dit leven door het geloof is een persoonlijk gekruisigd leven. En alleen door de liefde tot God in Christus wordt dit kruis achter Christus gedragen om dagelijks met Christus gekruist te worden en met Hem te sterven aan zichzelf en in die weg met God te leven.

En daar klemt nu het gehele Rapport. Het wil niet weten van een persoonlijke vereniging met Christus door het geloof of van een persoonlijke toebrenging tot de gemeente die zalig wordt. A priori, voor alles kan men zeker zijn van zijn rechtvaardiging en heiliging en allen worden opgeroepen dat te erkennen (33).

Volgens Warfield is het leerstuk van de H. Geest een gave van Calvijn aan de kerken geweest. Want „hij was de eerste, die niet alleen de gehele heilservaring bijzonder aan de werking van de H. Geest heeft toegeschreven, maar ook deze heilservaring in al haar bijzonderheden heeft uitgewerkt en al haar onderscheiden trappen en ontwikkelingen in geregelde volgorde heeft ingedacht en beschouwd als de vrucht van het speciale werk van de H. Geest, waardoor Hij de verlossing op de ziel toepast" (Calvijn als theoloog en de stand van het Calvinisme in onze tijd, blz. 12).

Maar met dit Rapport is de gave van de H. Geest overbodig gemaakt, hoewel Zondag 20 van de Heid.Cat. zegt, „dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make". De zaligheid van Christus voor mij is door Woord en Sacrament (H. Doop) ten volle een realiteit buiten mij. Maar het is evenzeer nodig dat deze door de H. Geest een realiteit worde in mij. Dit laatste kan zonder het eerste niet zijn. En het eerste opent de deur tot het tweede. Daarom is het zo juist dat Calvijn onderscheidt tussen een algemene en een bijzondere verkiezing. De reikwijdte van de eerste valt niet samen met de laatste. De reikwijdte van de algemene verkiezing valt samen met de grenzen van de verkondiging van het Evangelie. Dat Calvijn hiervoor 't woord verkiezing gebruikt is om de bijzondere bevoorrechting door Gods barmhartigheid aan te geven.

Want in die algemene verkiezing komt de Heere tot allen en eenieder persoonlijk met de onvoorwaardelijke aanbieding van Zijn genade. En de Dordtse Leerregels zeggen, dat de belofte van het Evangelie alle volken en mensen, d.i. massaal en persoonlijk, moet worden verkondigd en voorgesteld met bevel van bekering en geloof. Want het offer van Jezus Christus is van oneindige kracht en waarde, overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonden der ganse wereld (H, 5, 3.). En de last van de toorn Gods heeft Christus  uit kracht Zijner God-Zijn voor de mensheid gedragen (H. C. vr. 17).

Eens vroeg de Heere Jezus aan de Joden wat meerder was: et altaar of de gave daarop. Vanwege de eigengerechtigheid dachten zij van het laatste. Maar Christus zegt in overeenstemming met Exod. 30 : 29 : het altaar. Want het altaar heiligt het offer (Mt. 23 : 18, 19). Jezus Christus heeft Zichzelf naar Zijn menselijke natuur geofferd op het altaar van Zijn Goddelijke natuur. Dit altaar heeft de gave zodanig geheiligd dat de Goddelijke kwaliteiten of deugden van toepassing zijn op het offer. Is de Goddelijke natuur onafhankelijk, dit betekent dat het offer niet-gebonden is aan enige voorwaarde in ons. Is de Goddelijke natuur almachtig, dit betekent dat de kracht van Christus' offer onweerstaanbaar is en al onze weerstanden overwint. Is de Goddelijke natuur onveranderlijk, dit betekent dat het bloed van Christus altijd vers en levend is. Is de Goddelijke natuur oneindig, dit betekent dat het offer van Christus oneindige waarde heeft, overvloedig genoegzaam voor de gehele wereld. Is de Goddelijke natuur eeuwig, Jezus Christus heeft door Zijn offer een eeuwige verzoening teweeggebracht (Hebr. 9 : 12). Op grond nu van deze heerlijke kwaliteiten, van Christus' offer komt het Woord Gods in de belofte van het Evangelie tot alle mensen, zonder ook maar iemand uit te sluiten. Hierop is de algemene verkiezing gegrond en hierdoor is ze waarachtig. En in de prediking van het Evangelie kan deze ruimte in Christus' offer om zalig te worden voor de grootste der zondaren niet genoeg voorgesteld worden. Worden dan alle mensen zalig? Nee. En dat niet vanwege een tekori; aan genade maar vanwege het verachten van de aangeboden zaligheid. Want de algemene verkiezing stelt ons onder de duurste verplichting en verantwoordelijkheid om de roeping waarmede de Heere ons roept en de verkiezing waardoor de Heere ons zo hogelijk onderscheidt van vele heidenvolken, vast te maken, „want dat doende zult gij nimmermeer struikelen" en „zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus" (2 Petr. 1 : 10, 11).

Maar, kan ik dat? Het gaat er niet om, zegt Calvijn, wat u kunt, maar wat uw plicht is. En God doet ons geen onrecht dat Hij van ons eist wat wij niet kunnen. De Heere roept ons, ernstig en waarachtig, ja. Hij bidt ons in Christus, maar we lopen door, geven geen antwoord op het Goddelijk roepen. De Heere komt in Zijn Zoon met de verkiezende liefde tot ons waarmee Hij ons onderscheidt van zo vele anderen. Maar wij verkiezen de dood boven het leven. En dat doende, zullen wij, indien wij zo sterven, over de genade struikelen tot in de eeuwige dood. Zo „zijn wij Gode een goede reuk van Christus", zegt Paulus, „in degenen die zalig worden en in degenen die verloren gaan" (2 Cor. 2 : 15). Want zij die door de prediking van het Evangelie tot de kennis der zaligheid gekomen zijn, zullen daarvan alle lof aan Christus geven. Maar door die onvoorwaardelijke prediking van Gods genade in Jezus Christus zullen zij die verloren gaan, huns ondanks een goede reuk van Christus geven als zij op dui­zend vragen geen antwoord ter verontschuldiging hebben, omdat zij de genade van Christus, die overvloedig genoegzaam was, moedwillig versmaad hebben. Daarom: benaarstigt u te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende, niet: dat gedaan hebbende!, maar: dat doende, voor het eerst en steeds opnieuw, zult gij nimmermeer struikelen. Roeping en verkiezing, dat is volgens Calvijn hier eigenlijk hetzelfde, vastmaken. Dat betekent, dat de band waarmede de Heere Zich aan mij door deze roeping en (algemene) verkiezing verbonden heeft, vastgemaakt worde aan de Heere, zodat ik niet meer mijn maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben. Zeker, mijnerzijds geheel onmogelijk. Nochtans mijn plicht. Hier worde de eis Gods op grond van Zijn belofte, gebed. En wel het gebed om de H. Geest, opdat Deze de levensband zij tussen Christus en mij om door Hem uit Christus te leven. En alleen als die levensband persoonlijk gelegd is, als zo de roeping en verkiezing door de H. Geest iii mij vastgemaakt is, zal ik nimmermeer struikelen. Want die Geest zal mij niet alleen Christus en al Zijn weldaden deelachtig maken, maar mij ook troosten en bij mij eeuwig blijven. En door die levende, geestelijke verbondenheid met Christus door de H. Geest zal ik nu in het geloof mijn roeping en verkiezing vastmaken. Dan zal ik. Zijn stem kennende. Hem die roept, volgen, waar Hij ook heengaat. Dan zal ik Hem die Zijn verkiezende liefde in Christus verheerlijkte in mijn leven, verkiezen boven alles, de wereld verzaken en mijn oude natuur doden. Ik heb U lief, omdat Gij mij eerst hebt liefgehad, 'k Zal met mijn ganse hart Uw eer vermelden Heer'! U dank bewijzen.

Het Rapport lijkt zo menslievend. Het laat ons met behoud van ons leven, allemaal tegelijk in Christus verkoren zijn. Maar het is „bedroevende onmenselijkheid". Het maakt niet in het minst ernst met kostbare zielen. Want al is Christus' genade voor zondaren oneindig, zonder persoonlijke toebrenging zal dit gemis een eeuw'ge nacht baren. Voor de tempel van Salomo moest elke steen apart uitgehouwen worden uit de berg en toebereid, behouwen worden en daarna stuk voor stuk, zonder hamerslag, ingevoegd worden in de tempel. Daar vormden al die stenen samen één heerlijk bouwwerk, terwijl de rest van de berg gelaten werd waar ze was. Zo nu moeten wij allen persoonlijk afgesneden worden van de eerste Adam om door Christus te leven. En als wij toebereid zijn, zullen wij als levende stenen ingevoegd worden in dat kunstig bouwwerk Gods (1 Petr. 2:5), om als één geheel, als één volk. Zijn Drieënige Naam eeuwig te verheerlijken. En zoals elke graankorrel apart groeit maar uit al die korrels één meel gemalen en één brood gebakken wordt, zo worden wij allen persoonlijk toegebracht. En het zal worden een levende tempel Gods.

De grenzen van de algemene verkiezing vallen samen met de prediking van het Evangelie. Maar de grenzen van de bijzondere verkiezing vallen niet samen met de „wereld". Het Rapport doet het laatste, ontkent daarmede de verwerping en maakt deze los van de zonde van ongeloof. En door het „massale" werk van Christus is het „persoonlijke" werk van de H. Geest in het deelachtig maken van de zaligheid, ontwricht.

Op deze wijze heeft het Rapport de Bijbel ontledigd en met een andere inhoud gevuld. En de vraag rijst: is dit een teken van het naderende einde? (Mt. 24 : 24).

Ten slotte nog dit: de grote verantwoordelijkheid van ons leven onder de genade en aan de andere zijde de vastheid van Gods verkiezende liefde in Christus, zijn door ons ten enenmale niet te harmoniëren. Iedereen die deze twee zaken toch probeert glad te strijken, op welke wijze ook, heeft bij voorbaat al schipbreuk geleden. Het Rapport, dat in deze poging wel heel ver de zee is ingegaan, doodt alle verantwoordelijkheid, want er is reeds voor mij gekozen; en 't verminkt het Goddelijk welbehagen, zoals dit in Gods Woord geopenbaard is. Calvijn laat zowel onze verantwoordelijkheid als Gods verkiezing ten volle gelden. Hij doet geen poging deze twee zaken, die voor ons verstand niet te verenigen zijn, te harmoniëren. Terecht is hij daarom de man van de diagonaal genoemd. Een diagonaal is een lijn die twee tegenovergestelde punten verbindt. En op die lijn beweegt Calvijn zich heen en weer. En dat geeft aan zijn werken die geweldige spanning. En daar staan wij nu ook tussen: aan de ene zijde de volle verantwoordelijkheid voor eigen zaligheid en mijn verloren gaan; en aan de andere zijde het Goddelijk vrijmachtig welbehagen. Die zelfspanning was er ook reeds in het Paradijs. En Calvijn zegt: de mens valt, terwijl Gods voorzienigheid het zo ordineert; maar hij valt door zijn eigen schuld (Inst. III, 23, 8). En zo is het onder de genade. Het is een zegen als we beide zaken erkennen en de ene niet uitspelen tegen de andere, zodat we komen tot een onheilig activisme dat over de doodstaat heen springt, of tot een even onheilig passivisme, dat de rijkdom van Gods genade in Christus veracht. Maar als ons leven zich beweegt over die diagonaal, komt het in een heilige spanning. Dit geeft geen overspannen mensen. Dat gebeurt wel als men zich eenzijdig of op het ene of op het andere punt vastbijt. Het aanvaarden van onze verantwoordelijkheid zal ons dan niet op eigen kracht doen bouwen, maar de toevlucht doen nemen tot Hem Die het willen en het werken geeft. En het besef van Gods welbehagen kan ons dan niet in de hoek van de passiviteit brengen, maar ons net als de Kananese vrouw doen aanhouden in het gebed. Het is pertinent onjuist als het Rapport zegt, dat de erkenning van Gods verkiezend handelen leidt tot fatalisme, tot een doffe en dode berusting. „Het is ook waar, wat ik eens beluisterde uit de mond van mijnen modernen leermeester Kuenen: „gij mannen der predestinatie zijt altijd geweest de mannen van de daad". Waarom is dat zo? Omdat ons beginsel ons geeft het heerlijk bewustzijn, dat het God zelf is, die in ons vervult alle nooddruft tot heerlijkheid, dat het is Zijn werk. Zijne kracht, Zijn Geest, opdat Zijn Koninkrijk kome" (Prof. H. Visscher; Rechtvaardigmaking en Heiligmaking, blz. 14). Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen dat juist bij Calvijn en de mannen van de Nadere Reformatie de zendingsgedachte leefde. En waar openbaarde de zendingsdrang zich bij de Remonstranten en de Remonstrantse Broederschap?

Ik wil eindigen met te luisteren naar de wijsheid van Gods Woord: Koop de Waarheid en verkoop ze niet!" (Spr. 23 : 23), persoonlijk, huiselijk, ambtelijk en kerkelijk. Dit betekent dat het Rapport geen ander lot beschoren kan zijn dan ter zijde gelegd te worden, wetende dat „het welbehagen des HEEREN door Zijn hand gelukkiglijk zal voortgaan". (Jes. 53 : 10).

Zegveld I.Kok

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

RAPPORT OVER ENIGE ASPECTEN VAN DE LEER DER UITVERKIEZING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's