De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

10 minuten leestijd

Enkele stemmen over de „Nieuwe Catechismus" der R.K. Kerk.

Zoals u bekend zal zijn heeft de r.k. kerk ten onzent een nieuwe catechismus het licht doen zien, een catechismus die, zoals de ondertitel aangeeft, een geloofsverkondiging voor volwassenen wil zijn. Het valt te begrijpen dat deze catechismus grote aandacht trekt, zowel van r.k. zijde als van reformatorische kant. Immers uit dit boek zal mede moeten blijken, hoe het nu staat met de vernieuwing van de r.k. kerk en theologie. En wie niet wil vervallen in onoordeelkundige uitlatingen, zal in zijn spreken over de Catholica van deze catechismus kennis moeten nemen. In de kerkelijke pers van de decembermaand kwamen mij een tweetal belangrijke artikelen van herv. zijde onder ogen over deze r.k. catechismus, waaruit we u graag het een en ander doorgeven.

Kerk en Israël" over de nieuwe catechismus.

De eerste bijdrage die we op het oog hebben is van de hand van ds. S. Gerssen in het maandblad van de Raad voor Kerk en Israel. Gerssen is dankbaar voor de Bijbelse oriëntering van deze r.k. uitgave, de pastorale toon van vele stukken. Daarnaast oefent hij scherpe kritiek op de wijze waarop over Israël en het O.T. wordt gesproken.

Wat deze catechismus over het Oude Testament zegt is beslist onbevredigend. Het lijkt zo'n beetje tussen de religies en het Nieuwe Testament in te staan en te dienen als een voorportaal voor het eigenlijke. Er wordt nogal sterk de nadruk gelegd op de moeizaam opgaande lijn en er is sprake van een groeiende verfijning (pag. 72). In een soort evolutionistisch schema bereikt men op de duur een hoger niveau. , Wat laag en grof omhoog streeft in het oude, verschijnt geestelijk en zuiver in 't nieuwe" pag. 74).

Ik wil niet verhelen, dat ik over Israël in deze catechismus meer had verwacht, zeker na de discussie in het Vaticaans concilie Men schrikt al wanneer bijvoorbeeld over het Onze Vader gezegd wordt, dat het herinnert aan joodse gebedsteksten maar toch verschillend is, omdat het geheel boven alle nationalisme verheven is" (pag. 145). Wanneer gesproken wordt over het nieuwe volk, dat Jezus roept, wordt niets gezegd over de continuïteit van het verbond met Israël. Dat in verband met de kruisiging gewezen wordt op de schuld van de gehele mensheid (pag. 187) hadden wij na het concilie niet anders verwacht. Dat, wanneer Handelingen 2 ter sprake komt, niets gezegd wordt over de joodse mannen die als eersten de Heilige Geest ontvingen is een manco. Op pag. 240 wordt ingegaan op het verschrikkelijk drama, het pijnlijk schisma, dat zich tussen christenen en joden heeft voltrokken. Wij kunnen ons daarin vinden, ware het niet, dat de titel van dit hoofdstukje „de moeilijkheden van het begin" ons teleurstelt. Evenzeer als wij niet goed begrijpen, waarom juist Chrysosthemus „sympathiek" genoemd wordt (pag, 253) en waarom bij kruistochten en inquisitie niet gesproken wordt over de schuld der christenen.

De nieuwe ontmoeting met Israël zoals die met name toch ook in de protestantse kerken aan de gang is, functioneert volgens ds. Gerssen niet wezenlijk in deze catechismus. Dat hier binnen het geheel van de R.K. Kerk spanningen en moeilijkheden liggen bewijst het tweede Vaticaans concilie, waar juist de discussie over Israël nogal verwarrend en fel was. Men leze het boeiende artikel van dr. A. C. Ramselaar in het Wending-nummer. „Iemand had twee zonen" dat op uiterst voorzichtige wijze de discussies op het concilie plaatst tegen de historische achtergrond, waarbij de Arabische tegenstand, de houding van de oosters-orthodoxe kerken t.a.v. Israël, meegesproken heeft in de bepaling van de houding t.o.v. de Joden.

Het eigene van de Reformatie miskend.

Ook dr. J. M. Hasselaar is bijzonder teleurgesteld over de r.k. visie op het O.T. zoals deze in deze nieuwe catechismus naar voren komt. Het O.T. wordt in deze geloofsverkondiging voor de mens van vandaag nog gezien in een schema: lager-hoger, waarbij het O.T. als geheel dan één opwaartse gang is van primitiviteit naar „groeiende verfijning", d.i. naar geestelijk inzicht, d.i. naar „de diepste redding, die is dat de mens meer en meer goed wordt. Daarheen gaat de moeizaam opgaande lijn in Israël." De allegorese moet dan de betekenis van het O.T. voor de christen vandaag redden. Hasselaar's bezwaren zijn samen te vatten in het feit dat bij alle begrip voor de Reformatie en ondanks de pastorale toon de wezenlijke bedoelingen van de Reformatie miskend zijn. Hij schrijft dit in een artikel in „In de Waagschaal" van 24 december waaruit we het volgende citeren:

Wij staan allereerst voor de vraag: hoe is het toch mogelijk dat het katholieke besef enerzijds zo waarderend tegenover de reformatorische correcties is komen te staan (b.v. p. 266: „het is niet te schatten hoeveel goeds en heiligs in de reformatie voor heel de christenheid groeit. De katholieke kerk kan de reformatie niet missen (!)") en anderzijds zo volledig aan het eigene van de reformatie voorbijziet en voorbijspreekt. Is werkelijk, zoals op p. 265 gesuggereerd wordt, het verschil terug te brengen tot de katholieke overtuiging inzake de vatbaarheid en geschiktheid van aardse vormen en organismen om drager van openbaring te zijn tegenover de typisch protestantse terugtrekking op Innerlijkheid en geestelijke (maar individuele) diepgang? Het lijkt mij, ook fenomenologisch, een onhoudbaar en achterhaald standpunt. Dan zou de Reformatie niet meer zijn dan een spiritualiserende tendens binnen de catholica, die zich verzelfstandigd heeft. Kortom (hetzij in broederlijke eerlijkheid gezegd): de schrijvers van de catechismus geven mij niet de indruk vooralsnog het reformatorisch pathos in zijn draagwijdte werkelijk te hebben verstaan, zolang zij nog zo onproblematisch schrijven over „waarden" die ons vanuit Gods openbaring geschonken worden en die al of niet gerealiseerd worden in de kerkelijke beleving.

De openbaring is geen „waarde"; geloof, hoop en liefde zijn geen „deugden"; het O.T. heeft niet zijn strekking en gezag krachtens een voortschrijdende openbaring, die de vervulling door de komst van Christus moet voorbereiden. Dit zijn reformatorische basis-ontkenningen. Nu gaat het er mij volstrekt niet om aan een katholieke catechismus reformatorische beslissingen te willen opdringen maar wel om mijn protest tegen de stelling: „de rooms-katholieke kerk kan de authentieke inspiratie van de reformatie in zich opnemen en verstaan; het omgekeerde kan niet het geval zijn." Mijn protest tegen het eerste deel van deze stelling moet ik gronden op de constatering dat de catechismus zelf deze bewering logenstraft.

De plaatsruimte belet ons uit dit fraaie artikel meer te citeren. Hasselaar acht het mogelijk dat in het nieuwe katholieke denken een stuk liberaalprotestantisme opgenomen wordt. De wezenlijke intenties van de reformatie kunnen echter niet ingepast worden in dit raam. Het is goed om dit oordeel van Hasselaar te overwegen wanneer men nadenkt over de vernieuwing binnen de r.k. kerk. Het zou wel eens kunnen zijn dat deze vernieuwing eerder in de richting van een religieus humanisme gaat — men denke aan de wijze waarop ook in deze catechismus nog altijd het schema natuur-genade functioneert — dan dat hier sprake is van een wezenlijke toenadering tot de eigenlijke bedoelingen van de Reformatie zoals deze in de Confessie verwoord zijn. Er zijn tussen Rome-Reformatie om met Hasselaar te spreken nog altijd „kapitale zaken, die de kloof nog zo wijd maken." Ondanks alle beweringen van het tegendeel.

Geloof en ervaring.

Aldus het opschrift van een artikel, ingezonden door dr. C. Bezemer en gepubliceerd in het „Hervormd weekblad „De Gereformeerde Kerk" van 22 dec. Dit artikel heeft een bepaalde achtergrond. Dr. Bezemer reageert hierin op een kritiek van prof. Haitjema op Bezemer's dissertatie „Het christelijk geweten bij Alexandre Vinet".

Bezemer stelt n.a.v. deze kritiek de vraag: „Is het ethisch beginsel nog bij de tijd? " Hij beantwoordt deze vraag bevestigend. Het ethisch beginsel, dat men niet moet vereenzelvigen met de ethische richting uit de 19de eeuw is zo oud als de Reformatie. Wat wordt met dit ethisch beginsel bedoeld? Bezemer schrijft het volgende:

Men geve zich evenwel rekenschap van wat onder het „ethische beginsel" verstaan moet worden. Niet alleen, dat leer en leven onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, waarop coll. Van Roon in het nummer van 11 augustus 1966,

eveneens n.a.v. mijn dissertatie de nadruk heeft gelegd, maar ook dat de persoonlijke geloofservaring onmisbaar is, om deel te kunnen hebben aan het heil in Christus. De Heidelberger Catechismus is daarvan toch wel een duidelijk bewijs. Dat deze notie in het zg. Barthianisme geheel ontbreekt, zou ik niet durven beweren. Ik herinner mij nog heel goed, dat prof. Miskotte ons in zijn college Dogmatiek er nadrukkelijk op wees, dat het niet voldoende is te weten, dat Christus aan het kruis uitriep: „Het is volbracht" maar dat het gaat om de wetenschap: „Het is volbracht voor mij!"

Het moet mij wel van het hart dat ik de benaming „ethisch beginsel" voor de Bijbelse en reformatorische gedachte van de persoonlijke toeëigening van het heil niet bepaald gelukkig vind en nogal verwarrend acht. Maar overigens: De zaak is inderdaad voluit bij de tijd. Terecht verwijst de Hattemse predikant naar de Heid. Catechismus.

In dit vérband geeft hij nogal een fikse kritiek op de huidige confessionele prediking.

Op de vraag, of het „ethische beginsel" nu nog bij de tijd is, zou ik volmondig „ja" willen antwoorden. Maar helaas moet ik constateren, dat in veel confessionele prediking dit „ethische beginsel" niet meer wordt uitgedragen. Wat is daarvan de reden? Ongetwijfeld heeft de dialectische theologie niet nagelaten een stempel te drukken op vele „confessionelen". Maar daarnaast blijken velen huiverig geworden te zijn voor alle piëtistische vroomheid. Ik heb hiermee de hedendaagse confessionele prediking op het oog. Tientallen „confessionele" predikanten zijn jammer genoeg niet meer confessioneel. Terwijl tientallen gemeenten en vele honderdtallen gemeenteleden hunkeren naar een confessionele prediking, waarin het „ethische beginsel", de persoonlijke toeëigening van het in Christus geschonken heil, doorklinkt. Van harte kan ik instemmen met prof. Van Niftrik, wanneer hij in de Kroniek van Kerk en Theologie (17e jg., no. 4) n.a.v. de Herv. Gezangenbundel schrijft: „Het gaat in de bijbel inderdaad om een belofte voor wereld en mensheid. Maar het gaat in de bijbel óók om mijn persoonlijke zaligheid en om mijn eeuwig heil. Het gaat in de bijbel om het nieuwe Jeruzalem, dat op aarde komt, maar het gaat óók om de hemel... Ik ben nog steeds van mening, dat zonder een scheut piëtisme geen echt Bijbelse prediking mogelijk is." Dit is een verblijdend geluid van confessionele zijde.

Dr. Bezemer roert hier een kwestie aan welke voor de gehele kerk en voor de gehele geref. gezindte van belang is. We zullen — dacht ik — op dit stukje „zelfkritiek" van confessionele zijde niet mogen reageren in de geest van: Zoiets hebben wij als „Bonders" al lang beweerd. Immers ook ten onzent liggen hier vragen. Men denke aan de wijze waarop het schema „voorwerpelijk-onderwerpelijk" menigmaal werd en wordt gebruikt. Hoezeer juist deze uitdrukking recht bedoelt te doen aan de beide polen: èn de objectieve heilswaarheid Gods èn de persoonlijke toeëigening van het heil in geloof en bekering, de wijze waarop dit schema in de praktijk onder ons gehanteerd wordt leidt menigmaal tot onvruchtbare tegenstellingen.

We namen het bovenstaande op om u te laten zien dat ook binnen de confessionele vereniging er de bezinning is op datgene wat juist onder ons een aangelegen punt is. We zijn benieuwd op welke wijze de confessionele vereniging zal reageren op deze „uitdaging" van één hunner. Voor de toekomst van onze kerk en voor het contact tussen de Geref. Bond en de Confessionele vereniging zal het van belang zijn wanneer men hier een ondubbelzinnig geluid laat horen. Opdat er klaarheid en helderheid — en naar wij hopen — wederzijds begrip zal komen, tot zegen van kerk en volk.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1967

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1967

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's