ENKELE INDRUKKEN
uit de vergaderingen van de Generale Synode van onze kerk in november 1966 te Driebergen
In tweede lezing kwam aan de orde de regeling van de oecumenische avondmaalsvieringen. De classicale vergadering hadden hierover hun consideraties ingezonden. Van de 51 classicale vergaderingen hadden zich 40 voor de voorstellen verklaard. Slechts drie classes hadden zich geheel tegen uitgesproken, te weten de classes Brielle, Gouda en Harderwijk. Gedeeltelijk tegen waren de classes Bommel en Harderwijk.
Het gaat hier om de wettelijke regeling van een reeds gegroeide situatie. Er vinden n.l. reeds allerwege oecumenische avondmaalsvieringen plaats zonder dat hier een kerkordelijke regeling voor bestond. Nu is het zo, dat iedere kerkeraad kan besluiten de viering van het Avondmaal open te stellen voor leden van andere kerken, die in hun kerkgenootschap tot de viering van het Avondmaal toegang hebben. Bovendien kan een kerkeraad in samenwerking met andere kerkgenootschappen besluiten tot een gemeenschappelijke viering van het Avondmaal in een oecumenische kerkdienst. Aan zulk een viering dient overleg vooraf te gaan over de voorbereiding van de gemeenten op deze viering. De synode wil met deze bepalingen niet alleen deze gegroeide Avondmaalsvieringen 'n wettige plaats geven in de ordinanties van de kerkorde, maar ook, zo nodig, begrenzen. Het begrip „open avondmaalsvieringen" mag niet worden opgevat in dien zin, dat nu eenieder zonder enige begrenzing toegang zou hebben tot de Tafel des Heeren, maar alleen hen, die in hun eigen kerkgenootschap toegelaten zijn tot het Avondmaal.
De bezwaren tegen deze voorstellen, zijn o.a. deze dat hier gemist wordt een gemeenschappelijke belijdenis, op grond waarvan men samen met andere kerken Avondmaal zou kunnen vieren. Er moet toch een concensus zijn ten aanzien van het belijden? De verbinding tussen belijdenis en Avondmaal moet genoegzaam tot uitdrukking worden gebracht en dat geschiedt in de bepalingen niet. De classis Gouda achtte het niet primair aan één tafel te gaan zitten, maar om elkaar te vinden in de eenheid van het geloof in de Christus der Schriften.
In de bespreking ter Synode is uitvoerig ingegaan op de moeilijkheid van de toelating tot het Avondmaal van leden van andere kerken, wanneer zij niet eens gedoopt zouden zijn, zoals in de praktijk in de Remonstrantse Broederschap o.a. geschiedt. Hiertegen kwam sterk verzet. Toch besloot de synode bij meerderheid van stemmen, dat de Ned. Hervormde Kerk zich in zulke gevallen moet aansluiten bij de regels zoals die in andere kerken gelden, en hier geen censuur uit moet oefenen op leden van andere kerken, die nog niet gedoopt zouden zijn. Wanneer de Remonstranten in de praktijk ongedoopten toelaten tot het Avondmaal, dan moet dat in deze oecumenische diensten niet anders zijn, aldus besloot de synode.
Hier rijzen vele vragen en moeilijk heden. De eenheidsgedachte en het oecumenisme, dat hoogtij viert in onze kerk, offert hier de gemeenschap in het belijden op. Een volgende stap zal zijn, naar ik vrees, dat op korte termijn hieruit een nieuw voorstel de kerk in zal gaan, dat men de toelating van niet-lidmaten aan de orde stelt. Een predikant merkte ter synodevergadering op, dat het voor hem al voldoende was om iemand aan het Avondmaal toe te laten, als deze al naar de kerk kwam, waarbij dan degenen, die eens in de zoveel weken naar de kerk kwamen beter kerkgangers beschouwd werden, dan zij die trouw elke zondag naar de kerk komen! Gelukkig was niet iedereen het daar mee eens. Natuurlijk is er nog niet alles mee gezegd, als iemand elke zondag twee keer naar de kerk gaat, zoals het hoort(!). Er zal meer aan te pas moeten komen, n.l. het waarachtig geloof in Christus, wat ook inhoudt het zich persoonlijk gekend weten van de Heere, maar zó kan men het toch niet stellen!
Waar blijft in deze nieuwe regelingen de censura morum? Hoe is dat in onze gemeenten? Het is toch niet enkel een formaliteit, naar ik hoop?
Al is deze nieuwe regeling een zaak, die aan de plaatselijke kerkeraden wordt overgelaten, het neemt niet weg, dat dit een zaak is van onze hele kerk, die de hele kerk raakt. De binding van het deelnemen aan het Avondmaal aan het afgelegd hebben van openbare belijdenis des geloof s moge wel de bijzondere aandacht hebben van de hele kerk! Men moet toch wel weten wat men belijdt, als men deelneemt aan de viering van het Heilig Avondmaal, zou ik zo zeggen.
En dan nu de geruchtmakende zaak betreffende de toepassing van ord. 20-3-2 ten behoeve van de Remonstrantse Broederschap. Laat ik eerst het ontstaan van deze kwestie u toelichten. Er is reeds sinds jaren een consensus met de Evangelisch Lutherse Gemeente. Dat houdt in, dat zij die in de Evangelisch Lutherse Kerk bevoegd zijn tot de predikdienst en de bediening van de sacramenten mede bevoegd zijn in een kerkdienst van een Hervormde gemeente, zoals ieder Hervormd predikant die bevoegdheden heeft, mits zulks geschiedt op verzoek van of met toestemming van de plaatselijke kerkeraad der Hervormde gemeente en die Lutherse predikant zich houdt aan de regelen terzake in de orde der Ned. Herv. Kerk gesteld. Bovendien hebben de lidmaten der Ev. Luth. Kerk toegang tot de viering van het Avondmaal in de Hervormde Gemeente. Hier is dus sprake van een bepaalde gemeenschap tussen de Ned. Herv. Kerk en de Evangelisch Lutherse Kerk. Nu heeft men aanvankelijk onderzocht of ook een dergelijke gemeenschap (consensus) mogelijk was met de Remonstrantse Broederschap. Het bleek echter, dat hier niet een consensus wat betreft het kerkelijk belijden kon worden bereikt met de Remonstranten, omdat het kerkelijk belijden in de Ned. Herv. Kerk en in de Remonstrantse Broederschap naar vorm èn inhoud niet op dezelfde wijze functioneert. In plaats daarvan spreekt men nu van een gelijkgerichtheid in het belijden van de Ned. Herv. Kerk en' de Remonstrantse Broederschap.
Wat heeft men toen gedaan? Men heeft toen een nieuw artikel aan de kerkorde toegevoegd, waarin staat (ord. 20-3-2), dat ten aanzien van een andere Kerk in Nederland, waarmede de Ned. Herv. Kerk bijzondere betrekkingen wil onderhouden, de generale synode kan besluiten, dat een predikant dier Kerk bevoegd is tot die ambtelijke handelingen, zoals dat nu reeds het geval is met de Lutheranen. Het is bijzonder te betreuren, dat in dit artikel niet is opgenomen, dat die bijzondere betrekkingen met 'n andere kerk gebaseerd dienen te zijn op grond van haar belijdenis. Ik heb daar indertijd zeer op aangedrongen als noodzakelijke aanvulling, maar men achtte dit niet gewenst om deze beperking aan te brengen. Dan was immers toepassing van dit artikel niet mogelijk geweest ten aanzien van de Remonstrantse Broederschap.
Nu heeft men in feite hetzelfde bereikt, als wat de consensus met de Ev. Lutherse Kerk behelst. Ik zie althans geen enkel verschil in de praktijk. Ik heb er in de synode op gewezen, dat hierdoor de consensus met de Lutheranen staat te schudden op haar grondvesten. Had men als Ned. Herv. Kerk hierover niet met de Ev. Lutherse Kerk moeten spreken, met wie toch een bijzondere gemeenschap is aangegaan? En wordt de toenadering tot de kerken van Gereformeerde signatuur hierdoor niet geblokkeerd? Hier is meer aan de orde dan alleen de uitverkiezing. De Rem. Broederschap wil niet apart van een belijdenis spreken omdat men het belijden steeds vloeiend wil houden. Wat men nu gelijkgerichtheid noemt, kan toch niet betekenen dat wij van dezelfde afkomst zijn. Wij gaan in ieder geval niet van hetzelfde uitgangspunt uit: art. 10 van de kerkorde. Met deze regeling wordt niet slechts toegegeven aan het Remonstrantisme, maar ook wordt een blokkade toegepast in eigen kerk, in plaats van openheid naar de Remonstranten. Men drijft, naar ik vrees, de Gereformeerde belijders in de hoek van het doleren. Dit baart veel zorgen! Dat men hier zo gemakkelijk omspringt met de officiële belijdenisgeschriften van onze kerk heeft z'n oorzaak in een bepaalde opvatting van deze belijdenisgeschriften. Deze is als volgt: Men acht wijziging van een belijdenisartikel niet in overeenstemming met de functie van de belijdenis der vaderen volgens art. 10 der K.O. De uitdrukking „in gemeenschap met" zo zegt men, is iets anders dan „in (letterlijke) overeenstemming met". Wijziging van één artikel der belijdenis zou daarentegen betekenen, zo redeneert men, dat de Ned. Herv. Kerk alle overige artikelen onverkort en onveranderd voor haar rekening neemt. Dit wil men bepaald niet! Men acht de belijdenis geen reglement, geen bundeling van artikelen, waarin men amenderingen kan aanbrengen of sommige door nieuwe kan vervangen, maar een geloofsstuk van samenhangende structuur, geboren in een bepaalde tijd, uit bepaalde Schriftuurlijke en theologische inzichten en opgesteld met het oog op bepaalde problemen en strijdvragen.
Het zal duidelijk zijn uit het voorgaande dat op deze wijze moeilijk meer een appèl op de belijdenis kan worden gedaan, als men zich er zo zeer van distantieert. Nu zijn het toch wel echt museumstukken geworden, die men bewondert, als oude harnassen, maar waarin men nu niet graag meer zou willen gaan. Men is eraan ontgroeid.
Het bovenstaande is een droevig verhaal. Hier is een vervreemding opgetreden ten aanzien van onze belijdenisgeschriften, die verontrustend is. Meer dan ooit wordt het tijd, dat de Gereformeerde belijders in de Ned. Herv. Kerk aantonen, dat onze belijdenisgeschriften hoogst actueel zijn. De belijdenis der vaderen is ook onze belijdenis. Daarin wordt het levende geloof vertolkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1967
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1967
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's