De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nieuwjaarsmeditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nieuwjaarsmeditatie

6 minuten leestijd

„Zeg de kinderen Israels dat zij voorttrekken.” Exodus 14 vs. 15b.

Een gezegend 1967 toegewenst!

Daar hebben wij elkaar mee begroet zoals elk jaar, maar hebben die woorden juist deze keer niet een andere bijklank als de vorige jaren? Al zijn we nog zo optimistisch van natuur, ditmaal zijn de donkere wolken toch echt wel bijna hemel verduisterend.

Dat geldt de wereldsituatie met haar steeds grotere onzekerheid in Vietnam, dat geldt de toestand in ons eigen land met de zich opeenstapelende berichten van werkloosheid en bedrijfsonzekerheid, dat geldt onze vaderlandse kerk, waar velen zich afvragen: wat zal dit „kerkelijk" jaar ons brengen?

Van alle kant zien wij de moeilijkheden opdoemen, de zorgen gaan de drempel van ons huis al over en al probeer je deur en ramen stijfdicht te houden, dat helpt niet. De nieuwjaarsrede's en de krantenvoorspellingen helpen ons ook al niet verder, daar wordt waakzaamheid, bezuiniging en voorzichtigheid aangeprezen, geen uitweg getoond.

In Exodus 14, het hoofdstuk van de doortocht door de Rode Zee, verkeert het volk van Israël in een wel zeer gevaarlijke positie, van drie kanten komt de bedreiging: het gebergte, de zee en het leger van Farao.

Deze mensen, uitgetrokken om te offeren in de woestijn, zullen een poging doen om de slavernij te ontkomen en naar het eens beloofde land te trekken. Wat als een feestelijke „vrijheidsmars" bedoeld was, wordt een bange tocht vol onrust, vrees en ontzetting.

Van het blijde lied, waarmee begonnen werd, blijven de woorden in de keel steken en al gauw wordt geroepen: „Wij willen terug". In Egypte wist je immers wat je had en al was dat dan ook niet veel bijzonders, beter wat dan niets.

Tegenover deze onrust staat de rust, waarmee God Zijn plan ten uitvoer brengt. Hij laat Zich niet van Zijn wijs brengen. Hij zet door!

Er zijn geen uitzonderingen onder dat volk, op dit beslissende ogenblik kan niet gesproken worden van half of heel-, van goed-of slechtvertrouwenden, zelfs „de groten" in 't geloof, ook Mozes, allen zijn ten einde raad.

Wat nu, er is vanzelfsprekend een laatste alarmkreet: het gebed tot God om verlossing en uitredding.

Dat geldt dus ook voor ons bij het begin van het nieuwe jaar, dat wij mogen en moeten bidden om Gods hulp, om Zijn bijstand, niet alleen vandaag, maar elke dag.

Dat is de les van het verleden en het gebod voor het heden.

Maar God luistert niet naar Zijn volk, God luistert niet naar Mozes - ons teksthoofdstuk geeft geen gebed weer van hem, maar uit het antwoord Gods is af te leiden, dat ook hij, niet openlijk maar in het verborgen, niet hardop maar in zichzelf, tot de hemel geroepen heeft

Een wonderlijke zaak: de HEERE luistert niet naar het gebed. Hij, van wie in het begin van dit boek te lezen is dat Hij hoorde, voordat Israël riep, antwoordt met die onverwachte woorden: „Wat roept gij tot Mij? "

Nu kunnen wij dit woord verkeerd uitleggen, we kunnen zeggen dat het onterecht was, dat het een grove zonde betekende, dit bidden in deze omstandigheden?

Het was beter geweest te zwijgen, dan kritiek te hebben op het handelen Gods, want zo werd geprobeerd in te grijpen in Gods plannen. Het was beter geweest te zwijgen, want spreken getuigde van ongeloof, van gebrek in vertrouwen in het heilshandelen Gods.

Dat lijkt inderdaad een goede verklaring, maar bij nader inzien toch niet juist, want de Heere wil gebeden zijn, Hij verwacht van ons geen valse lijdelijkheid, dit antwoord geeft weliswaar het tegenovergestelde van de vraag, maar sluit het gebed niet uit.

„Zeg de kinderen Israëls dat zij voorttrekken".

Een onverwacht, een onmogelijk antwoord En toch de éne mogelijkheid om de grens naar het beloofde land te overschrijden. 

Dit woord wordt het wachtwoord voor de toekomst van Israël: voorttrekken. Op dit woord Gods splijten de wateren van de Rode Zee en worden zij droogvoets daardoor geleid .... en hun vijanden - Gods vijanden - verdrinken in datzelfde water.

Hoe is het mogelijk?

Wij staan voor dit wonder en het is ons verboden een blik te werpen in dit geheim, God staat het niet toe dat wij dit begrijpen. Anders is er het gevaar van de ontleding, van het proberen waar te maken wat eens gebeurd is door de grote hand des HEEREN.

Hierdoor komen twee dingen ons tegemoet: Israël leert wie hun God is, maar ook Egypte leert wat: „dat Ik de HEERE ben" (vers 4). Dit is de God van het verbond, eens in het verleden gesloten, nu bevestigd en volledig van kracht blijvend.

En daarom het geen wonder, dat deze geschiedenis het motief is, waarop j hele Oude Testament voortborduurt, wat ook in het Nieuwe Testament zijn plaats krijgen zal.

Daar zie ik de lijn van de verkiezing. God redt Zijn volk op het ogenblik, waarop de totale ondergang dreigt, opdat ook straks het niet op zichzelf, maar op Hem zal vertrouwen. We zien ook de  lijn naar 1 Korinthe 10,  waar Paulus over de woestijnreis spreekt en waar de gemeente van Korinthe gewaarschuwd wordt met het oog op de komende afval.

Het wachtwoord van Exodus 14 kan daarom voor heel de kerk gelden, ook voor onze tijd, voor het nieuwe jaar, dat we weer samen begonnen zijn.

Het wonder van de doortocht geeft Israël het beeld van de zekerheid des heils, geen levenslange garantie, wel de beloften Gods.

Een gezegend 1967 toegewenst!

Daar hebben wij elkaar mee begroet zoals elk jaar, en wat hebben wij ermee bedoeld? Het kan zo'n loze wens zijn, zo'n uitgesleten woord, waar de inhoud van verdwenen is.

Gods wens, nee. Zijn gebod is: „Zeg de kinderen Israëls dat zij voorttrekken", dat betekent dat er een weg is dwars door onze wereld met haar moeilijkheden op staatkundig, geldelijk en kerkelijk gebied heen, een weg van onze God, waarop Hijzelf vooraan gaat, en wie Hem volgen, zullen niet beschaamd worden.

Toch geen gemakkelijke weg, want het gaat recht door de Rode Zee heen, het is die weg, waarvan Zondag 33 zegt: „de afsterving van de oude, en de opstanding van de nieuwe mens". De weg van wedergeboorte en bekering, maar de weg van Gods beloften.

De weg niet van een enkeling, maar van Zijn volk.

Wilnis.  J.H. van de Bank

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1967

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Nieuwjaarsmeditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1967

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's