De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Openbaring 6 vs. 9-11. - Johannes ziet de zielen onder het Altaar.

9 minuten leestijd

Openbaring 6 vs. 9-11.

Johannes ziet de zielen onder het Altaar.

Het gaat ons nu dus om wat de apostel verder van de zielen onder het altaar verneemt. Doch eerst letten wij nog op iets, dat in dit verband evenmin zonder betekenis is. En het voorafgaande als onderstreept.

Er staat in de tekst dus ook dat Johannes de zielen der martelaren, gezaligden, aanschouwt onder het altaar!

Hij ziet dus visionair een altaar in de geopende hemel.

Wij zullen hierbij moeten terugdenken aan wat wij in het Oude Testament bij Israël aantreffen. Daar stonden in het heiligdom meerdere altaren. Daar was o.a. het brandofferaltaar, waarop de offers der verzoening gebracht werden, welke heenwezen naar het offer, dat Christus brengen zou. Het was gebruik, dat het bloed der offeranden onder het altaar werd uitgegoten.

Moeten wij hier bijzonder aan dit gebruik denken? Dan kan dit de zin zijn van wat de apostel hier aanschouwt: zoals onder Israël het bloed van de offerdieren werd uitgegoten, zó zijn de zielen der martelaren uitgestort in de dood. Natuurlijk moeten wij hierbij dan elke gedachte aan enige verzoenende kracht, in die uitstorting gelegen, uitbannen. Eerder is hier dan een overeenstemming te zoeken met een woord van Paulus uit de tweede Timotheüsbrief, n.l. dat de tijd zijner ontbinding nabij is en hij tot een drankoffer, in de zin van een wijgeschenk aan zijn Heere, geofferd zal worden.

In het heiligdom van Israël stond behalve het brandofferaltaar ook het réukaltaar. Hierop werden elke dag de reukoffers gebracht, als symbool van de gebeden, welke als de rook van het reukwerk moesten opstijgen tot de troon der genade.

’t Is ook mogelijk, dat wij bij onze tekst hieraan moeten terugdenken. Dan wil, wat Johannes hier ziet, zeggen, dat in de hemelse heerlijkheid in zeker opzicht de dienst der gebeden nog wordt voortgezet. De martelaren en de andere gezaligden, zijn daar dus reeds zalig naar de geest, zij zingen het lied van het Lam. Doch zij zijn immers nog niet, wat hun lichaam betreft, verheerlijkt en het Koninkrijk van hun Heere is toch nog niet in volle glorie openbaar geworden? Daarom danken zij voor de kroon op hun strijd, welke zij reeds hebben ontvangen. Maar zij bidden, omdat hun toestand nog een voorlopige is. En zij zien in hun zaligheid toch nog met verlangen uit naar het uur van hxm volmaking!

Dat de apostel de zielen der martelaren en gezaligden aanschouwt onder het altaar, spreekt niet alleen van het voorlopige van hun toestand, maar ook van het feit, dat zij nog met ootmoed en eerbied bekleed zijn. Er is nog een afstand tussen hen en de Heere der Heeren. Dat doorleven en erkennen zij. En zo buigen zij zich neer. Onder het altaar.

Zij zitten hier niét op tronen!

Welke houding past óns dan in dit leven nog tegenover de Heere? Ook als wij als Zijn kinderen tot Hem mogen naderen?

De zielen onder het Altaar bidden. Wat bidden zij? Het gaat ons nu om wat Johannes dus verder geopenbaard wordt. Hij hoort de martelaren en gezaligden dus bidden: „Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? ”

Dit doet ons voorzichtig vragen: Herinneren de gezaligden zich wat er met hen op aarde geschied is? In elk geval staat hen blijkbaar goed voor de geest, dat zij geleden hebben om de Naam des Heeren. Dat zij op onrechtmatige wijze omgebracht zijn en dat dit maar niet ongewroken kan blijven.

Welk motief schuilt achter hun gebed?

Toch schijnt zo, bij het eerste horen, hun gebed weinig hemels, hen niet passend! Zij vragen om wraak, oordeel. Is dit een gebed, dat hen, die op aarde zich als schapen ter slachting lieten leiden, past? Past dit hen, wier Heere aan het kruis bad voor Zijn vijanden, en die in hun kring tellen een Stephanus, die onder de stenenregen pleitte voor zijn beulen?

Natuurlijk zou dit gebed hen niet passen, als het alleen voortkwam uit persoonlijke wraakzucht. Dan zou het een zondig gebed zijn, dat vloekte met de hemelse zaligheid en als een dissonant daarin opklonk. Doch wij moeten het stellig geheel anders opvatten. Elke gedachte aan persoonlijke wraakzucht of aan een andere onheilige hartstocht zij hier verre. Dit gebed is zuiver en heilig en pas wèl in deze zuivere lucht. Want de achtergrond is een gans andere!

Het is de zaak, de eer des Heeren, welke hen zwaar op het hart ligt!

Even vragen wij nu: Was éénmaal niet het hart en heel het leven van de mens afgestemd op deze hoge zaak? Door de zonde is dit zo gans anders geworden. Het menselijk hart is er vijandig tegen in komen te liggen. Christus, de nieuwe Mens, ging het weer om deze hoge zaak. Hij had slechts één heilige hartstocht, - om de Naam des Vaders weer groot te maken in Zijn werk, dat zo ook omvatte de redding van zondaren en van een verloren wereld. En hoe staat het in deze met hen, die oprecht in Hem geloven leren? Hij drukt in dit opzicht Zijn stempel op hen. Elke wedergeborene krijgt die Naam lief boven alles. Wordt hij ontdekt aan zijn grote schuld, het recht Gods gaat hem boven alles. Leert hij geloven in de Heere Jezus en mag hij ondervinden, welk een zaligheid hierin gelegen is, de Naam des Heeren wordt hem een Naam, te prijzen boven alles!

Echter, deze liefde blijft in dit leven stukwerk, bedekt onder allerlei andere dingen. Maar hoe moet dit wel zijn bij de martelaren en gezaligden in de hemel? Zij zijn daar naar de geest verlost van alle zonden en tekort. Brandt bij hen die liefde dan niet als een heilig vuur? En hierdoor aangestoken, roepen zij met grote stem nog wel: „Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen!"

Niet voor niets noemen zij hier de Heere de Heilige. Hij is die God, Die te rein van ogen is om het kwade te dulden. En de Waarachtige. Hij is die God, Die trouw is aan Zijn beloften en bedreigingen, ook aan Zijn Woord, dat het bloed der martelaren dierbaar is in Zijn ogen. En de Heerser. Hij is die God, Die onbeperkte heerschappij oefent over alles en allen.

Het is duidelijk, dat het de martelaren en gezaligden hier dus gaat om de glorie van de deugden van hun Heere. Dat die zou schitteren, onomfloersd. En hun strijd en dood staan daar voor hen niet los van. Die staan voor hen in het enig juiste licht. Het ging daarbij niet om hun eigen zaak of eer, doch om het Woord en getuigenis, dat zij hadden. Wie zich asm hen vergreep, vergreep zich aan hun Heere, raakte aan Diens heiligheid en heerschappij, tartte Diens waarheid en trouw. Daarom ligt in de openbaring van de volle glorie van de deugden des Heeren mede besloten, dat hun lijden en dood gewroken zal worden. Zal dit geschieden, dan zal ook daarin de volkomen schittering van die deugden doorbreken.

En dit is het, waarnaar de martelaren en gezaligden verlangen. Laat de Heere aan Zijn eer komen! Aan zichzelf denken zij minder of niet. Bij al hun zaligheid missen zij nog één ding. De vólle triomf van de Naam des Heeren! En daarom bidden en roepen zij nog onder het altaar! Waarom roepen zij uiteindelijk anders dan om het einde van hun voorlopige toestand, om de jongste Dag, waarop de opstanding des vleses zal plaats vinden en de Heere zal wederkomen om het laatste gericht te houden? Dan toch zal ook hun getuigenis voor aller oog gerechtvaardigd worden!

Is dit Verlangen ons vreemd?

Vernemen wij van deze dingen, terwijl wij daar helemaal niet kunnen inkomen?

Wanneer wij door genade niet vreemd zijn aan het leven des geloofs, weten wij, dat wij vaak door allerlei vragen gekweld kunnen worden. Daar zijn vaak de raadselen en onbegrijpelijke wegen. Bange vragen, welke het persoonlijk en gezinsleven of de gang van zaken in de grote wereld rondom ons raken.

Vooral echter vindt dit alles zijn oorzaak in het feit, dat de zonde dikwijls nog zo zegeviert over de heiligheid, de leugen over de waarheid, de roem van het schepsel over de glorie Gods. Dat zo vaak nog het Woord Gods wordt tegengestaan. Zijn recht vertreden en Zijn genade gehoond. Waar de liefde Gods in onze harten is uitgestort, zal ons dit ten zeerste bedroeven. Maar als deze tijdelijke triomf van de Boze hier het hart van de kinderen Gods, nog vaak zo vol van veel onheiligs, reeds zo benauwen kan, dan moet het ons toch niet verwonderen, dat de gezaligden in de hemel, naar de ziel reeds zo volmaakt heilig, vurig verlangen naar die grote Dag, waarop de Heere Zijn triomf aan het licht zal brengen en recht zal doen aan Zijn volk èn aan Zijn vijanden!

De toestand, waarin de martelaren en gezaligden nog verkeren, herinnert tevens voortdurend aan het feit, dat deze grote Dag nog komen moet. Zij genieten nu reeds zaligheid, maar nog in de afgescheidenheid van hun lichaam Ook dat moet nog worden opgewekt en verheerlijkt. Dan zal daarin de overwinning des Heeren over de laatste vijand, de dood, volkomen zijn!

In dit Verlangen zijn de strijdende en triomferende Kerk één.

Wij vragen: moest dit heilig Verlangen ook niet meer leven in de strijdende Kerk hier op aarde? Het wordt vaak te weinig gevonden. Toch zorgt de Heere er Zelf voor, dat het nooit geheel gedoofd wordt. En vooral in tijden van verdrukking en vervolging doet Hij dit verlangen temeer opvlammen. Ook de wraakpsalmen b.v. moeten zó verstaan worden.

En zo is er, bij alle onderscheid, in één bepaald opzicht een diepe éénheid tussen de strijdende en de triomferende Kerk. Niet alleen hier op aarde, doch ook in de hemel, leeft nog dat verlangen naar de eindontplooiing aller dingen, naar de volkomen openbaring van Christus' heerlijkheid en de glorie van de deugden Gods!

Een volgend maal over het antwoord, dat de zielen onder het altaar ontvangen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's