De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERTROUWEN DES GELOOFS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERTROUWEN DES GELOOFS

8 minuten leestijd

H. Catech. vr. en antw. 21. Vr. Wat is een waar geloof? Antw. Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennen, waardoor ik alles voor waarachtig houd wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen dat de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en heil door God geschonken is uit louter genade, alleen vanwege Christus' verdienste. 

De kennis des geloofs is kennis der gemeenschap, iets gans anders en veel diepers dan een intellectualistisch weten zonder meer. Zij is levenswarm en hartelijk, uit de bijzondere genadebediening van de Heilige Geest. Mogelijk herinneren we ons nog, dat ik de vorige keer daarop de nadruk gelegd heb. Ik meen dat het antwoord geheel verkeerd wordt geïnterpreteerd, als men de kennis verstaat als een weten door de algemene werking van de Heilige Geest, waaraan dan toegevoegd moet worden het vertrouwen des harten tot zaligheid, dit laatste dan door de zaligmakende bediening van de Heilige Geest. Of dat althans het antwoord daarheen zou tenderen. Neen, het gaat in ons antwoord om geloofskennis door de wederbarende Geest, die verlicht en vernieuwt. Het is die kennis waarin de mens in het geloof hartelijk ja en amen zegt op alles wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard. Deze kennis doet wat. Zij heeft in zich een buigen en vallen voor het Woord, zonder reserve. Zij brengt mee een beven voor het Woord, een eerbiedig opzien. Gaat het bij haar allereerst om verlichting van het verstand, dat wil niet zeggen, dat ze buiten het hart zou omgaan. Integendeel, zij bevat een van harte bijvallen, een met God hartelijk eens zijn, zowel in de tekening van 's mensen verlorenheid, doemschuld én zonde, in de openbaring van Gods heilig recht op de mens, als in de openbaring van de weg der zaligheid en der verlossing in Christus Jezus. Gelijk een kind in alles vaders woord goedkeurt toestemt en aanneemt, onvoorwaardelijk voor waar houdt, zo ook onderwerpt zich de ziel in het geloof vrijwillig en hartelijk aan God en Zijn Woord. En dat niet op gezag van mensen of van kerkvergaderingen enz., maar alleen op het gezag Gods. Men houdt liever zichzelf voor leugenaar, ja de ganse wereld voor bedrog dan de hoogste Profeet en Leraar der gerechtigheid, die zegt: Uw woord is de waarheid.

Daarom mag het geloof nooit tegenover het weten worden gesteld zoals dat geschiedt in de uitdrukking: Ik weet het niet zeker, maar geloof het wel . . . Dan is het alsof het geloof twijfel inhoudt, een niet zeker weten. Neen, het geloof is juist een stellig weten van Gods Woord, Wet en Evangelie, dreiging en belofte, vloek en zegen. En dit weten gaat door ons heen, raakt de diepste snaren van ons hart.

Maar nu is hiermee niet alles van het zaligmakend geloof gezegd. Het ging hierbij nog maar om het gericht zijn van de gelovige — met zijn gehele bestaan — op het Woord in het algemeen, in een levende kennis. Maar het geloof is niet alleen deze stellige kennis, maar ook een vast vertrouwen dat de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen maar ook mij vergeving der zonden enz. geschonken is.

Zie daar hebben we het geloof naar zijn dieptedimensie: het vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het Evangelie in het hart werkt.

Hierbij dienen we terstond de aandacht erop te vestigen, dat het bij het „niet alleen .... maar ook" niet gaat om de tegenstelling: weten — vertrouwen (zoals we reeds hebben getracht duidelijk te maken), maar om de toespitsing op de beloften van het Evangelie door de Heilige Geest in het vertrouwen.

Het zaligmakend geloof is niet maar alleen een stellige kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest in mijn hart werkt door het Evangelie, dat de beloften van het Evangelie mij persoonlijk gelden.

De kennis ligt verbonden met het vertrouwen. Het geloof is zinken op de in Zijn Woord gekende God in Christus. We zouden kunnen zeggen: de evangelische kennis is niet zonder het vertrouwen denkbaar, en het evangelische vertrouwen niet zonder kennis. Het gaat om de confrontatie van de gelovige in zijn geheel persoonlijk zijn met God in Christus, gelijk Hij Zich in het Evangelie aan hem als zondaar wegschenkt.

We hebben er wel op te letten, dat hierbij de kennis door het vertrouwen een toespitsing gekregen heeft in haar zeer speciaal gericht zijn op het Evangelie. Want het bijzonder voorwerp van het zaligmakend geloof — en hierom gaat het immers — is het Evangelie.

We hebben wel te bedenken, dat met de bespreking van het zaligmakend geloof niet alles gezegd is, wat er over het geloof kan worden gezegd. Als immers door de verlichting van de Heilige Geest de levende kennis van het Woord gaat opspruiten bij een zondaar, zal zijn geloof in overeenstemming met het getuigenis van zijn geweten zich juist richten op de Wet in haar gestrengheid en veroordeling. We kunnen spreken van het overtuigend geloof. Hierin valt de zondaar in kennis en besef van zijn zonden en verlorenheid, aanvaardend zijn veroordeling, voor het aangezicht van zijn God, voor Wie hij in alle opzichten schuldig staat. Voorwerp van dit overtuigend geloof is allereerst de Wet.

Daarom wordt in het antwoord op de vraag naar het waar d.i. zaligmakend geloof gezegd: “maar ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt” — Gods Woord omvat Wet en Evangelie. Zolang de Heilige Geest de kennis van het Woord toespitst op de Wet is er sprake van het overtuigend geloof; het zaligmakend geloof spruit daarop, waar de Heilige Geest de kennis van het Woord toespitst in persoonlijke toe-eigening op het Evangelie. En om dit laatste gaat het in ons antwoord.

Zo liggen dus in het zaligmakend geloof de kennis en het vertrouwen ten nauwste aan elkander verbonden. Als Calvijn het geloof omschrijft als „een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons, welke gegrond op de waarheid van zijn genadige belofte in Christus, door de Heilige Geest aan ons verstand wordt geopenbaard en in ons hart wordt verzegeld", dan zegt hij hiermee precies hetzelfde. En ongetwijfeld moeten we in het licht van deze formulering van Calvijn antwoord 21 van onze Catechismus lezen en verstaan.

Het ware geloof sluit — zoals blijkt — ontwijfelbare zekerheid en onwankelbaar vertrouwen in zich. Deze zekerheid en dit vertrouwen behoren dus tot het wezen van het geloof. Men heeft vaak onderscheiden tussen wezen en welwezen van het geloof, en dan de zekerheid en het vaste vertrouwen willen onderbrengen bij het welwezen. Op Schriftuurlijke gronden zal dat bezwaarlijk kunnen worden verdedigd. Het geloof is immers naar zijn wezen afzien van zichzelf en zinken op het Evangelie. Dat sluit onherroepelijk zekerheid en vastheid in zich. Iets anders is het of de gelovige in de beoefening van het geloof deze zekerheid geniet. Hij is menigmaal een wankel riet. Bovendien komt hierbij de vraag aan de orde, of het geloof nog in windselen verkeert, als een bloem in de knop, dan wel of het zich in alle volheid ontplooien kan in de kennis van Christus in afsnijding van ons leven voor God. Op de bodem van onze gestalten kan het geloof niet ge­ dijen. Nodig is er met al het onze buiten gezet te worden, zal het Evangelie zegevieren in ons leven. Dat wil niet zeggen dat we dan alle aanvechtingen te boven zijn. O neen! Maar het wil wel zeggen dat het ongeloof gekend wordt als de felste tegenstander van het geloof en de zwaarste zonde, de kankerplek in het zieleleven van Gods kinderen, hun tot grote smart.

De zekerheid des geloofs wordt genoten, waar de Heilige Geest het Woord der genade tot heerschappij brengt, en alles in mij, ook ik-zelf er onder moet .... en mag.

Nu zal ook bij de geringste geloofsoefening iets van de zekerheid, die aan het geloof inherent is, openbaar worden en gesmaakt worden. Maar iets anders is het dat het geloof - niet uit gestalten - maar uit Christus de sluitrede trekt tot vaste roem: Ik weet in wie ik geloofd heb, en ben verzekerd ....

Alle weldaden heeft Christus verworven: vergeving, eeuwige gerechtigheid en zaligheid. Alle weldaden liggen ook in Hem besloten. Het geloof richt zich daarom op Hem, gelijk Hij in het Evangelie zich richt tot de zondaar. De Heilige Geest legt de band der gemeenschap door het Evangelie. En dan is het persoonlijk: mij-. Nu gaat het door het onmogelijke en tegenstrijdige heen. De wateren verheffen haar bruisen. En toch het geloof raakt dan juist het meest in zijn element. Wat gebeurt er als iemand de schop onder je voeten in de grond zet? Dan zak je scheef, je valt. Het is een wonder: dan juist is er in het leven der Kerk, van het eenvoudige kind van God dat geloof, dat hangt aan het Woord, dat leeft van het Woord, dat zich werpt in het water en ... . overkomt. Het wonder uit het Wonder, Jezus Christus, de gave des Vaders; het wonder van de Heilige Geest: Ik weet, mijn Verlosser leeft.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET VERTROUWEN DES GELOOFS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's