UIT HET NIEUWE TESTAMENT
Een vraag naar aanleiding van Openbaring 7 VS. 1-8.
Een vraag naar aanleiding van Openbaring 7 VS. 1-8.
De tweede vraag, die gesteld werd, betreft het gezicht uit Openbaring 7 vs. 1-8. Het gaat hier om de 144.000 verzegelden. Hierbij worden de stammen van Israël genoemd. De vraag is nu: „Waarom ontbreekt de stam Dan? ”
Stellig is dit niet zonder opzet het geval. Het heeft ook ons iets te zeggen. Wij willen dit nader gaan bezien.
Het Verband.
Natuurlijk staat dit visioen in een bepaald verband. Het volgt op datgene wat ons in Openbaring 6 beschreven wordt. Daar zag Johannes in beeld de gang van het Evangelie door deze wereld. Ze is zegenrijk. Alom werkt het echt geloof. Maar ook de tegenstand blijft niet uit. Daarom worden vele gelovigen vervolgd en om hun geloof martelaren. De „wereld" houdt vast aan haar ongerechtigheid. Vanwege haar verwerping van het Evangelie treffen haar de gerichten Gods.
Aan het einde van hoofdstuk 6 is sprake van het grote gericht, dat over de wereld gaan zal. Doch dit is niet het enige. Stééds breken er oordelen over haar los, welke de apostel nader getoond worden.
Echter, eerst wordt hem nog iets anders getoond. En dat vinden wij opgetekend in het begin van Openbaring 7.
Johannes ziet in dit gedeelte 4 engelen, als dienaren Gods. Zij moeten de winden beteugelen. Deze zijn hier, als op meerdere plaatsen in de Schrift, eveneens aanduiding van de oordelen Gods, welke immers met stormwinden te vergelijken zijn. Als zulke winden breken zij los en in hun geweld stormen zij alles, wat zich daartegen verheft, omver. Die engelen staan pp de vier hoeken der aarde. Naar oud-Oosterse voorstelling is hier de aarde als een plat vlak gedacht. Dat deze dienaren Gods staan op de 4 hoeken, - uiteinden - daarvan, wil dus zeggen: het gaat hier om iets, dat wereldomvattend is. De gerichten treffen de gehele wereld. Deze stormwinden zullen waaien over het land en over de zee. En overal hun vernielend spoor trekken. Huizen zullen in storten, schepen vergaan, bomen ontworteld worden en dier en mens in nood en dood geraken.
Echter, de engelen hebben deze winden nog in hun hand! Zij beteugelen ze dus nog. Zodat ze nog niet kunnen losbarsten, zolang deze dienaren Gods ze vasthouden. Alles valt onder Zijn hoog bestuur, ook het losbreken en woeden van deze stormwinden. In hun gang zijn ze aan Hem onderworpen, evenzo wat betreft de tijd van hun activiteit. Niets kunnen zij beschadigen, noch op het land, noch op de zee, - geen mens of dier kunnen zij treffen, of Hij moet ze daartoe de vrijheid geven.
Waarom moeten de engelen ze echter eerst nog vasthouden en beteugelen? Waarom eerst nog die windstilte?
De windstilte en wat er intussen gebeuren moet.
Er moet blijkbaar eerst nog iets belangrijks gebeuren. En dit krijgt Johannes nu verder te zien en te horen.
Daar treedt nog een andere engel naar voren. Deze komt van de opgang der zon. Dus uit Oostelijke richting. Het Oosten is dus de plaats, waar de zon opgaat, en daarom tevens de plaats, vanwaar het licht opgaat. Wat uit deze richting komt, brengt meestal iets goeds. Ook hier gaat het om iets, dat heil en troost bevat voor allen, die het geldt!
Intussen, de engel, die komt uit Oostelijke richting, spreekt. Niet voor niets met grote stem! Hij moet overal worden gehoord en gehoorzaamd. Hij spreekt met autoriteit. En wat heeft hij te zeggen? Dit staat in verband met wat hij bij zich draagt: het zegel Gods! Hiermee moeten eerst nog de dienstknechten Gods verzegeld worden. De windstilte is er dus, omdat dit eerst moet gebeuren!
De verzegeling en de bedoeling ervan.
De bedoeling van deze verzegeling is duidelijk. Het is immers mogelijk hier aan een bepaalde gewoonte in de Oudheid te denken. Een slaaf kreeg vaak een bepaald stempel van zijn meester op zijn voorhoofd. Dat was het zichtbaar teken van het feit, dat hij het eigendom was van deze meester. Hij stond in diens dienst, maar ook onder diens bescherming. Wat hier in dit visioen gebeuren moet, duidt er dus op, dat er mensen zijn, die als het bijzonder eigendom des Heeren in Zijn dienst staan en onder Zijn bijzondere bescherming vallen, ook, wanneer de stormwinden van Zijn gerichten de wereld zullen treffen.
En deze verzegelden worden dus de dienstknechten Gods genoemd.
Wie worden met de verzegelden bedoeld?
De vraag is, wie hier met deze verzegelden worden bedoeld. Zij heten dus dienstknechten, 't Zijn gelovigen. Doch valt er nog niet iets naders van te zeggen?
Er zijn verklaarders der Schrift, die hier naar voren brengen, dat het opmerkelijk is, dat eerst in Openbaring 7 gesproken wordt van deze verzegelden en dat van hen een getal genoemd wordt 144.000! Later is er sprake van een grote schare, die niemand tellen kan. Met deze twee „groepen" zullen daarom wel niet dezelfden bedoeld zijn. De grote schare komt uit alle volkeren en talen. De verzegelden worden echter nader aangeduid met de namen van de stammen uit Israël. Daarbij ontbreekt dan dus wel de naam van de stam Dan, terwijl daarvoor in de plaats Manasse - niet Efraïm - staat. Moeten wij deze aanduiding met de namen van de stammen van Israël niet letterlijk nemen?
Zo denken deze exegeten hier aan de gelovigen uit het volk Israël. Daar zijn de gelovigen uit het Oude Testament, de gelovigen uit de Joden in de eerste christengemeenten. En hoevelen zullen er uit Israël nog in de loop der eeuwen bekeerd worden? Ja, welke bijzondere verwachting mogen wij in deze, o.a. op grond van wat Paulus schrijft in Rominen 9-11 nog koesteren in verband met de naderende eindtijd?
Hier zou Johannes dan getoond worden, wat de Heere met dit Israël doen zal. Zij zullen niet buiten de stormwinden van de gerichten blijven, - maar als Gods bijzonder eigendom zullen zij op een bijzondere wijze bewaard blijven. Ja, zij zullen zelfs een bijzondere plaats in Zijn heerlijkheid innemen. Ook Mattheüs 19 VS. 28 zou in deze richting wijzen. En dit, vanwege het prerogatief van Israël. Zij mochten de eerste dragers zijn van de beloften Gods, en naar het vlees de Christus in hun lendenen dragen. Zo is de zaligheid uit de Joden. Wel zondigden zij zwaar, maar de Heere wilde juist aan hen op geheel enige wijze, als voorbeeld voor anderen. Zijn trouw bewijzen.
Andere exegeten hebben een andere gedachte omtrent de vraag, wie met de verzegelden worden bedoeld. Zij ontkennen, dat het in dit gezicht alleen om de gelovigen uit Israël zou gaan. Zij wijzen erop, dat de naam Israël in de Heilige Schrift meerdere malen 'n overdrachtelijke betekenis heeft. En dan aanduidt de gemeente des Heeren uit Israël en uit de andere volkeren. Deze gemeente draagt die naam, omdat in haar eeuwenlang gerealiseerd wordt, wat God aan Israël beloofd heeft, n.l. dat zij zelf gezegend, alle volkeren der aarde tot een zegen zou zijn!
Daarbij: Israël heet Jacob, als strijder met de Heere, en als overwonnene door Hem en overwinnaar van Hem door het geloof. Is hij als zodanig geen type van elke gelovige, uit welk volk ook?
Volgens deze exegeten heeft hier eveneens het noemen van de 12 stammen van Israël een overdrachtelijke betekenis. Het volk Israël was onderling onderscheiden in 12 stammen - toch vormde het één organische éénheid in Gods oog. Zo is ook Zijn gemeente onderscheiden, maar ze vormt voor Hem ten diepste één organische éénheid. Ze is één planting Gods, in meerdere twijgen vertakt!
En, zo vragen deze verklaarders - kunnen met de dienstknechten Gods alleen de gelovigen uit Israël bedoeld zijn? Zijn ook de andere gelovigen dit niet?
De gelovigen onder verschillende belichting.
Volgens de tweede opvatting hebben wij dus in het begin èn in het vervolg van Openbaring 7 met dezelfde personen van doen. De 144.000 verzegelden en de grote schare, die niemand tellen kan, zijn dezelfden, de gelovigen uit Israël en de andere volkeren. Echter, dan wordt hier de aandacht op hen gevestigd, onder tweeërlei belichting!
De grote schare, - dat is de gemeente in de heerlijkheid, welke voor haar is weggelegd en Christus voor haar heeft verworven. In de volmaakte feestvreugde! De verzegelden - dat zijn de gelovigen, die inderdaad in die heerlijkheid in gaan, - doch dit geschiedt niet, zonder dat de oordelen over de aarde gaan. en die voltrekken zich niet buiten hen om. Echter, die hebben voor hen een ander karakter gekregen. Christus heeft voor hen de eigenlijke verschrikking van het gericht God gedragen. Zo worden zij, door de oordelen heen en ondanks deze bewaard.
Bovendien valt hier dan een tweede onderscheid op te merken. De grote schare is niet te tellen! Wél is ze natuurlijk bij God geteld. Hij kent al de Zijnen bij name, krachtens Zijn eeuwig welbehagen. Doch voor ons is zij niet te tellen.
Hierin ligt een bijzondere troost. Wel spreekt de Schrift ook van weinigen, die zalig worden en van een klein kuddeke. Om alle oppervlakkigheid bij de wortel af te snijden en ons op het hart te binden dat er ten bloede toe gestreden moet worden om zalig te worden, wat een groot wonder is! Maar hier spreekt ze van een grote schare, welke niet te tellen is, opdat moed zouden vatten, juist degenen, die op dit punt bestreden worden en ervoor zichzelf zo mee zitten kunnen. Er is grote ruimte in het hart Gods en in Zijn Koninkrijk. En er is een ruime pleitgrond!
Van de verzegelden wordt evenwel een bepaald getal genoemd. Doch dit behoeft met het vorige niet in strijd te zijn. Immers, zoals op meerdere plaatsen in de Schrift, heeft het getal ook hier overdrachtelijke betekenis!
Deze betekenis stellen wij nog nader aan de orde.
Een volgend maal eerst nog iets over de verzegeling. En dan komen wij bij de vraag: „Is het met opzet, dat de stam Dan hier gemist wordt? ”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's