De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Tot geloof komen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tot geloof komen

9 minuten leestijd

„Nathanael antwoordde en zeide tot Hem: Rabbi! Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de Koning Israels. Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, zo gelooft gij.”

Nathanael laat zich niet zo maar overtuigen, en wat betreft die Jezus van Nazareth: Nazareth belooft niet veel goeds, daarom heeft hij iets tegen Jezus. Bijna was hij bij Hem vandaan gebleven, enkel omdat hij daar geen weg mee wist. Wat gelukkig, dat Philippus hem meeneemt, hem over de drempel heen helpt; zo nu en dan hebben we hulp nodig, mogen we hulp bieden. Nathanael is bereid om zich op de hoogte te gaan stellen, zij het onder voorbehoud. Eenmaal bij Jezus, smelt zijn vooroordeel, zijn voorbehoud, zijn voorwaarde — alles samengeknoopt tot een net, waarin zijn voeten verstrikt zouden raken — weg als sneeuw voor de zon. Jezus kenschetst hem als een Israëliet, waarin geen bedrog is; en als Nathanael, daardoor overrompeld, vraagt: van waar kent Gij mij, dient Hij hem meteen van antwoord: Onder de vijgeboom zag Ik u.

Deze zoon van Israël was het in het verborgene, in de verborgen omgang met de God Israëls, daar onder de breedvertakte vijgeboom. Hij worstelde met God en eer hem Philippus riep was hij in Pniël. Geen wonder, dat de woorden van de Heere Jezus hem diep ontroeren. Weet deze Man, wat God alleen weet? Is deze vreemdeling deelgenoot in de geheimen Gods? Nu houdt niets hem meer terug. Hij werpt zich ter aarde, voor de voeten van de Heiland en doet eerbiedig en uitbundig belijdenis van zijn geloof. Soms wordt een waterloop opgehouden door een dam van takken en bladeren. Wordt die dam doorgestoken, dan stroomt het water plotseling en met geweldige vaart verder: wie dacht dat er zo'n grote kracht in schuilde? Nu, Jezus ruimt de dam van wantrouwen en voorbehoud op en zie daar: de woorden wellen Nathanael uit het hart en vloeien hem over de lippen. Hij komt tot het geloof en legt daarvan een duidelijk getuigenis af.

Zijn woord is een antwoord. Hij was er nooit opgekomen, wanneer Jezus niet tot hem gesproken had. Dat is kenmerkend voor iedere belijdenis, waarin iemand zich uitspreekt over Christus. Het komt niet uit ons, het haakt in op de openbaring van het Woord. Het wordt door de Heilige Geest gewekt en gewerkt als een antwoord. Omdat Jezus zo doordringend gesproken had; zo doorgrondend, dat Nathanael zich niet meer van de dom-; me kan houden, maar voor de dag moet komen, daarom volgen hier zulke sterke woorden. Woorden, waarin Christus wordt verheerlijkt. En de man, die de grootste voorzichtigheid zocht te betrachten waagt zich nu het verste.

Rabbi, daarmee begint de belijdenis. Meester betekent dat, leermeester. Nathanael meldt zich als leerling. Hij is een onwetende, die wijzer wenst te worden; wijzer worden is onderwezen worden. Onder de indruk van Christus' wijsheid, noemt hij Hem Rabbi. Op Hem rust de Geest van kennis en verstand; Hij kende Nathanael door en door. Hij verstond wat deze nog verzweeg. Rabbi, mag ik U voortaan volgen? Ik ben voor u gewonnen, ik heb geen verweer. Ginds, onder de vijgeboom hebt Gij mij gezien. Gij weet dus alles van mij. Maar ik weet nog lang niet alles van U; leer mij Rabbi. Het is een ootmoedige belijdenis, bijna een gebed: vermeerder mijn kennis. Er zijn mensen, die maar niet tot belijdenis kunnen komen, ook jonge mensen. Eerst moeten ze er alles van weten, zeker zijn van zichzelf, zeker zijn van het geloof, of van hun geloof. Zou dit misschien een vingerwijzing kunnen zijn: begin eens waar Nathanael begon: Rabbi. Jezus is leermeester. Leert van Hem, Hij is zachtmoedig, nederig, geduldig. Jong en oud moet bij Hem in de leer, om Zijn naam breeduit te belijden, en om anderen wat te mogen leren. Rabbi! Boven die belijdenis groeien we nooit uit, het is de gemeenschappelijke belijdenis van alle discipelen, die immers leerlingen zijn, leerplichtig gedurende hun hele leven.

Nathanael stoot verder door: Gij zijt de Zone Gods! Hierin herinnert hij ons aan Simon Petrus en vooral aan Tho­mas. Thomas verklaarde ook: dat kan onmogelijk. Toen het toch werkelijk waar bleek te zijn, ging hij overstag; hij kon niet groot genoeg denken en spreken van deze Christus. Belijden is groot spreken van. O, die menselijke grootspraak waarmee wij ons opblazen. Wordt erin geprikt, dan loopt de luchtballon leeg, er blijft een verlept hoopje over. Hoort hier de grootspraak waarin Christus verheerlijkt wordt: Gij zijt de Zoon van God. Waarschijnlijk heeft hij het van Johannes gehoord: En ik heb gezien en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is — VS 34 —. Toen kon hij daar nog niets mee doen, nu moet hij het beamen. Het hoge woord is eruit, het woord, waanr.ee zij later zoveel moeite zullen hebben, als de Zoon van God moet lijden en gaat sterven. Gelukkig maar, dat het eruit is. Wij zeggen dan dingen, die wij nauwelijks kunnen verantwoorden en die toch waar zijn. Dat geldt van iedere belijdenis. Het geloof is net een fontein; het water spuit hoog op. Er zijn altijd mensen die een nader onderzoek instellen naar de inhoud van zo'n spontane belijdenis. Wat bedoelt Nathanael er mee, wat weet hij ervan, wat.... Jezus moedigt hem aan: Zeg het maar vast; het is waar, niet in zoverre Nathanael het verstaat, maar omdat het ons verkondigd wordt: Deze is Mijn Zoon.

Gij zijt de Koning Israëls. Nathanael struikelt haast over zijn woorden, zoveel ontdekt hij in Christus. Hij valt van de ene verwondering in de andere, en hij kan het niet voor zich houden. De Koning Israëls, de ware Koning, waarvan David en Salomo, schaduwen waren, meer niet. Nathanael is een echte Israëliet. Welnu, Israël heeft een Koning, van Israëls God gegeven. Die Koning was aan het volk beloofd, en Nathanael heeft stellig om de vervulling van deze Koningsbelofte gebeden. Met de komst van de Koning, brak de tijd van het Koninkrijk aan. Wat een tijd! Dan worden de weerbarstigen geregeerd, de ellendigen beweldadigd. Dan is er hulp voor de hulpelozen, hoop voor de hopelozen, troost voor de troostelozen. De Koning Israëls is de beschermheer van allen die door onrecht vervolgd en door overmacht in het nauw gedreven worden. Hij zou ook de vijanden ten onder brengen: de bergen zullen vrede dragen, de heuvelen gerechtigheid.

Die Koning Israëls, dat zijt Gij, de Zone Gods. Wat een helder licht valt er voor Nathanael over Christus, het licht van Woord en Geest. In dat licht mag hij Hem aanschouwen: Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid, zij zullen een vergelegen land zien. Dat vergelegen land zien wij van vlakbij, als deze Koning binnen onze gezichtskring komt, het is het land van Immanuel. Dan trekt de mist op, die om Hem heen hangt, en Hij blinkt en straalt in Zijn Koninklijke heerlijkheid. Werd u ooit overtuigd, van Zijn geheel enige betekenis? Zag u Hem in dit licht? Gij zijt de Koning Israëls. Wij kunnen nooit vrijblijvend belijden. Wie „Rabbi" zegt, zegt meteen: mag ik Uw leerling zijn? Wie Koning zegt, zegt daarmee: mag ik Uw onderdaan zijn? Een Israëliet herkent zijn Koning en brengt Hem in zijn belijdenis hulde. Belijden is zich aan Hem uitleveren en overgeven. Om voortaan door Hem geleerd en geregeerd te worden. Merkt u wel, dat wij dan onszelven uit het oog verliezen, en dat alle aandacht op Christus gericht wordt. Wie ik ben, weet Hij blijkbaar; daar wijden we niet over uit, ook niet over die vijgeboom en wat we daar ondervonden. Maar wie Gij zijt, dat weet ik, ten dele, o zeker, maar in waarheid: Rabbi, Gij zijt de Zone Gods, de Koning Israëls. Dat verruimt het hart: Gij zijt. Is het nu niet een goede gelegenheid om die belijdenis te hernieuwen: Gij zijt het en Gij zult het eeuwig wezen.

Jezus is verblijd met deze belijdenis. Hij wordt daardoor in Zijn ambt bevestigd; Zijn Vader openbaarde het aan Nathanael, aan de discipel die nogal bezwaren opperde! Al wat Mij de Vader geeft zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Hij neemt hem dadelijk op in de kring der discipelen. Deze leraar laat er geen gras overgroeien, hij begint zijn onderricht: „Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, zo gelooft gij." Nee, Hij dingt niets af op dat geloof, het is een oprecht geloof, het geloof van een Israëliet in wie geen bedrog is. Christus kent Zijn eigen werk goed. Nathanael kreeg vertrouwen in Hem, dat is doorslaggevend en veelbelovend. Christus werkte het in hem, door Zijn Geest en Woord; waar zou dat vertrouwen anders vandaan komen? Tot geloof komen, is overtuigd worden. Christus wordt ons te sterk, het Woord wordt ons te sterk.

Toch gaat Hij niet op de belijdenis van deze discipel in. Waarschijnlijk, omdat dit nog niet kan lijden. Wie is een Leraar als Hij? Zijn onderwijs is vervolgonderwijs en na dit antwoord stelt Hij geen vragen: later zal Hij het wel aanvullen. Nathanael spreekt verder, dan zijn kennis reikt. Dat is geen bezwaar hoor. Hij behoeft er niets van terug te nemen, hij heeft wel lessen nodig. Het gaat om de oprechtheid! De oprechte gaat het licht op in de duisternis. Laat dat maar aan deze leermeester over. U hebt gelijk, Nathanael weet niet nauwkeurig en volledig wat dat inhoud: Zone Gods, Koning Israëls! Hij kan er geen verslag van geven, en Jezus weet dat. Hij laat deze belijdenis voor wat ze is, althans voorlopig. Pas veel later zal Hij erop terugkomen: En gij, wie zegt gij, dat Ik ben. Dan zal Hij ook Nathanael aan­ kijken: Herinnert deze leerling het zich nog, hoe hij Christus destijds beleed. Dan zal Petrus ook namens Nathanael verklaren: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Nog later, zal Hij deze belijdenis inhoud geven, wanneer Hij als de opgestane Heere, Zijn leerlingen de dingen van het Koninkrijk Gods aan hun geopend verstand zal brengen. En nog later zal de Heilige Geest hen in al de waarheid leiden. Dat alles is reeds aan de gang, het is nog niet aan een eind. Tot geloof gekomen, dat is beslissend. Het geloof wil beleden worden, de belijdenis wil geleerd worden. Daarom begint de belijdenis met: Rabbi.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Tot geloof komen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's