De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

Kohlbrugge en het Oude Testament.

7 minuten leestijd

Het opschrift boven dit stukje doet vermoeden dat we hier geen actueel kerkelijke aangelegenheid aanroeren, maar een stukje geschiedenis van de theologie. Toch is dit allerminst het geval. Het Oude Testament staat immers in het middelpunt van de exegetische belangstelling. Meer en meer wordt de opvatting gemeengoed dat allerlei woorden en begrippen pas hun vulling en betekenis krijgen vanuit het getuigenis van Wet en Profeten. De tijd is voorbij dat het O.T. gezien werd als een godsdienstig document dat gelet op de verheven betekenis van het N.T. op een lager plan zou slaan. Een dergelijke beschouwing doet niet alleen tekort aan de eenheid van de Schrift, maar komt ook in strijd met de aard van de Godsopenbaring in Israël.

Dat wil niet zeggen dat er in het koor van stemmen slechts één melodie klinkt. Er zijn in de benadering van het O.T. nogal wat verschillende uitgangspunten. Hier en daar is de invloed merkbaar van de joodse theoloog Martin Buber. Daarnaast moet als een van de oorzaken van de hernieuwde bezinning op het O.T. ook genoemd worden de theologie van Karl Barth. Ook in r.k. kringen is op dit punt een zekere kentering speurbaar. Dat blijkt uit een onlangs verschenen dissertatie, waarin de auteur, dr. H. H. Miskotte laat zien hoe vele r.k. theologen tientallen jaren weinig aandacht hadden voor de grote betekenis van het Oude Testament voor kerk en theologie. De benadering van het O.T. raakt direct ook de vraag van de prediking.

In het maandblad „Kerk en Israël" schrijft ds. H. Mudde (Ev. Luth. pred. in Den Helder) in het verband van deze vragen over de aandacht die Kohlbrugge, de beroemde Elberfelder prediker en theoloog al meer dan 100 jaar geleden geschonken heeft aan het Oude Testament. Wanneer we uit dit interessante artikel hier iets overnemen is dit niet slechts om te laten zien dat ook allerlei eigentijdse zaken niet los van het verleden gezien kunnen worden, maar vooral om ook in eigen kring de aandacht voor Kohlbrugge te stimuleren.

Terecht wijst Mudde op twee publicaties waarin Kohlbrugge's visie op het O.T. duidelijk naar voren komt: Zijn overdenkingen over Mattheus 1 en zijn boekje: „Waartoe het Oude Testament? " Het laatste geschrift is een van de weinige geschriften, die een systematische opzet vertonen.

We citeren uit Mudde's artikel het volgende:

Wat ons al meteen, louter gezien, opvalt in de omschrijving van de bovengenoemde vijf vragen, is Kohlbrugge's uitdrukking „het zogenaamde Oude Testament". Kohlbrugge licht dit toe door te wijzen op een spraakgebruik van ons, dat foutief is, als gevolg van een onjuiste vertaling en exeges3 van 2 Cor. 3 : 14 de tekst die spreekt over Oud en Nieuw Testament — diathèkè, in de Septuaginta de vertaling van het Hebreeuwse berith. Het is, stelt Kohlbrugge, allereerst duidelijk, dat er van een Nieuw Testament als boek nog geen sprake was toen 2 Cor. 3 : 14 werd geschreven. De onderscheiding van Paulus is van andere aard: hij onderscheidt tussen bediening en bediening, die der letter en die des Geestes. „Dientengevolge waren voor hem de Schriften van Mozes en de Profeten óf letter óf geest! een Nieuwe Testament of een Oud Testament. Hij noemde hun gezamenlijke inhoud „het Oude Testament" in zoverre deze zó gelezen en verstaan werden als de Joden die niet tot Jezus kwamen, die lazen: in „het Nieuwe Testament" in zoverre men die boeken als naar die regel, welke hij „in Christus' noemt" één en dezelfde Wet was het éne of het andere, al naar de gesteldheid des harten van degenen die de Wet hoorden". Kohlbrugge verwijst hiervoor naar Nehemia 8 : 13. Voor hem staat dit vast: de gewone opschriften „Oude Testament" en „Nieuwe Testament" zijn niet te rechtvaardigen. K. H. Miskotte merkt in de lijn van Kohlbrugge op: De apostelen weten veel van een nieuw verbond, maar niets van een nieuw testament; het nieuwe verbond is in dé Schrift, d.i. in het Oude Testament, te lezen, indien de luier van Israël en van ons gezicht zou zijn weggenomen". (Als de goden zwijgen, Amsterdam 1956, pag. 88).

Kohlbrugge kiest voor de Schriftuurlijke benaming „Mozes en de Profeten" in zoverre het het Oude Testament betreft, en „Evangelisten en Apostelen" in zoverre het gaat over het Nieuwe Testament. Men ziet: het is Kohlbrugge al geweest, die deze spreekwijze, momenteel allerwegen aangeprezen, heeft voorgesteld.

Inderdaad zijn dit overwegingen die nog altijd meespreken in de huidige discussie. Het gaat om niets minder dan de éénheid van de Schrift. Wel rees bij het lezen van Mudde's artikel bij mij de vraag of men de parallel van Kohlbrugge's benadering van het O.T. en de huidige aandacht voor het O.T. al te zeer kan door trekken. Er liggen m.i. ook grote verschillen. Kohlbrugge's preken uit het O.T. bevatten van a tot z Christusverkondiging, en zijn uitleg is zozeer daarop betrokken dat men hier en daar de vraag niet kan onderdrukken of de grenzen van de allegorese niet overschreden worden. Deze christologische benadering van het O.T. vormt — dunkt ons — een wezenlijk verschil met wat in onze tijd wel eens te berde wordt gebracht, waarbij vooral de invloed van de Joodse exegese bijzonder groot is. Ook het „Broeders, blijf de aarde trouw" — wat men vooral vanuit het O.T. wil funderen — vindt m.i. nu niet bepaald een verdediger in Kohlbrugge. Dat deze aandacht voor het aards-concrete lange tijd vaak al te zeer gemist werd en dat de prediking van de grote daden Gods wel eens versmald werd en wordt tot een zielsgeschiedenis zal wel waar zijn. Omgekeerd dreigt thans een andere eenzijdigheid. De aandacht voor het aardse leven in al zijn horizontale verbanden is zo groot, dat de verticale lijn, de persoonlijke geloofsbetrekking tot God, het met-Christus-zijn totaal uit de gezichtskring verdwijnt. Ook dan zijn wij bij een misvorming van de Bijbelse boodschap. De Schrift spreekt hier rijker en voller dan vele theologen vandaag doen, die maar één snaar op hun instrument hebben: Het gaat God om de aarde. Men zal het ook om moeten draaien: Gaat het deze aarde, deze wereld ook om God? Om Die God, Die in Christus zondaren zoekt en zalig maakt. Die de mens persoonlijk oproept tot bekering. Die aandacht heeft voor de enkeling. In datzelfde zo concreet-aards sprekende O.T. staat toch ook Psalm 73, met zijn sterk persoonlijke toon: „Gij hebt mijn rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door Uw raad en daarna mij in heerlijkheid opnemen." Dit element missen we vandaag maar al tezeer. Al te gemakkelijk wordt dit alles afgedaan als „piëtistische hemel-vroomheid" waar een modern-mens niet mee zou kunnen beginnen.

Wij zullen ook hier de gehele Schrift moeten laten spreken. Het handelen Gods in deze wereld en op deze aarde staat niet los van de oordelen Gods en de crisis die er over deze aarde zal gaan, en de Bijbelse uitzichten op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde vormen geen tegenstelling met het vermaan: Heb de wereld niet lief, noch haar begeerlijkheid. Wie dat laatste verwaarloost, kan wel oproepen tot trouw aan de aarde, en menen zich te kunnen beroepen op het O.T. Echter hij loopt gevaar met deze oproep terecht te komen in een humanistisch vaarwater, waarin de boodschap van de kerk verzandt.

Wij doen er goed aan in deze tijd in de bezinning op de betekenis van het O.T. te luisteren naar het geluid van Kohlbrugge, die immers juist ook uit het getuigenis van Wet en Profeten heeft leren verstaan, dat God in Christus goddelozen rechtvaardigt. Dat laatste: de prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze wordt in allerlei beschouwingen maar al te zeer gemist, met als gevolg dat wij opnieuw terechtkomen in het diensthuis van moralisme en wetticisme. Daarmee zouden we toch weer terecht zijn gekomen bij de 19de eeuw, de eeuw waarin Kohlbrugge zo met klem heeft verkondigd dat God de Heere in Christus zondaren uit het diensthuis uitleidt! Het Evangelie van Wet en Profeten, evangelisten en apostelen!

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's