UIT HET NIEUWE TESTAMENT
Openbaring 7 vs. 1—8.
Openbaring 7 vs. 1—8.
De vorige keer zagen wij dus, dat er twee opvattingen zijn over de vraag, wie met de 144000 verzegelden bedoeld worden. Gaat het hier om de gelovigen alleen uit Israël of om de gemeente des Heeren uit Israël èn uit de andere volkeren?
Zonder iets te willen afdoen van het prerogatief van Israël en de bijzondere verwachting nog voor dit volk, mede op grond van wat Paulus schrijft in Romeinen 9—11, neigen wij persoonlijk ertoe, om hier voor de tweede opvatting te kiezen.
Nog eens de verzegeling.
Nog eens letten wij thans op het feit, dat de 144000 dus verzegeld worden. Johannes hoort, dat het zegel - symbool dus van het feit, dat zij bijzonder eigendom des Heeren zijn en onder Zijn bijzondere leiding staan - aan hun voorhoofden moet worden aangebracht. Het voorhoofd is één van de belangrijkste en meest opvallende gedeelten van het menselijk lichaam. Hier vertegenwoordigt het de gehele mens. De verzegelden vallen geheel en al „met huid en haar" onder de bijzondere bewaring Gods!
Merkwaardig is, dat al spoedig, in de oude Kerk, de Doop zegel is genoemd, - ook in deze zin. Stempel, eigendomsbewijs van Godswege!
In onze Belijdenisgeschriften komt de uitdrukking „veldteken" voor.
Natuurlijk gaat het hier dan niet om de Doop, „zonder meer”. Maar om de Doop, zoals die, volgens Gods bedoeling, op de rechte wijze functioneert in de opvoeding en in het persoonlijk leven! Ze beeldt zichtbaar af en bevestigt van Godswege Zijn beloften en het heil in Christus tegenover de zondaar. Doch die beloften willen van harte geloofd, dat heil in Christus van harte gezocht door die zondaar, als één die persoonlijk geleerd heeft, daar niet meer buiten te kunnen. Wij moeten hier oppassen voor een verkeerd Sacramentalisme, dat genoeg heeft aan de beloften, zonder persoonlijk geloof en bekering. Het gaat hier om de rijkdom van de beloften en van het heil in Christus, maar dit niet los van dat persoonlijke geloof door de Heilige Geest. Zo bedoelt het toch ook onze belijdenis, wanneer zij de uitdrukking „veldteken" voor de Doop gebruikt. Deze uitdrukking appelleert op het persoonlijk geloof. Alleen daardoor staat en blijft men werkelijk in dienst van de Koning en geldt ook de troost van deze dienst. Zonder geloof is men deserteur.
Het is daarom begrijpelijk, dat verschillende exegeten bij de verzegeling denken aan het werk van de Heilige Geest bij de gelovigen, n.l. aan de vernieuwing van hun hart, welke naar buiten openbaar korat in een leven van geloof en bekering. Ook Paulus spreekt in de 2de Corinthebrief en in de Efezebrief in deze zin over het werk van de Heilige Geest.
De verzegeling en de uittocht.
Opmerkelijk is de gedachtegang van sommige exegeten in verband met datgene, wat wij in vs. 3 van Openbaring 7 lezen!
Zij wijzen erop, dat in de Schrift de uittocht uit Egypte een grote rol speelt. Daarbij werd het volk Israël op een wondere wijze bewaard, terwijl de gerichten Gods zich over Egypte voltrokken. Dit feit wordt in de Schrift meerdere malen gezien als het voorbeeld van de verlossende en bewarende daden Gods in het leven van Zijn volk. Terwijl de plagen, welke Egypte troffen, beeld zijn van de oordelen, welke over de ongelovige wereld gaan zullen.
Merkwaardig is - zo zeggen deze verklaarders - dat in de Openbaring de gerichten Gods eveneens onder het beeld van de plagen worden geschilderd. Terwijl deze gerichten woeden, wordt dus Gods gemeente bewaard. Bij de uittocht en de plagen over Egypte werd Israël bewaard, doordat 't schuilde, in vertrouwen op wat de Heere beloofd had, achter het bloed van het geslachte lam. Zo werd Israël toen „verzegeld". Welnu - zo merken deze exegeten op - mogen wij dan bij de verzegeling van de 144000 niet denken aan Christus, het Lam Gods en Zijn bloed en aan het geloof, dat schuilen doet achter dit Lam en Zijn bloed?
En wij vragen: wat is dit eigenlijk anders dan een nadere karakterisering van het werk van de Heilige Geest in het leven der gelovigen? Een karakterisering, welke hier zeer op haar plaats is!
Het getal der verzegelden.
Thans moet het onze aandacht hebben, dat Johannes de verzegeling zelf niet ziet gebeuren. Wil dit ons leren, dat, hoewel enerzijds het leven des Geestes bij de gelovigen moet uitkomen in hun levensopenbaring en dit dus als zodanig voor anderen zichtbaar wordt - (het zegel moest ook gezet op het voorhoofd) -, anderzijds toch niemand met onfeilbare zekerheid kan zeggen, wie dit leven in hun hart bezitten en wie de uitverkorenen Gods zijn? Alleen de Heere toch kent degenen, die de Zijnen zijn!
Wel verneemt Johannes dus het getal van de verzegelden:144000!
Het is duidelijk, dat dit getal hier symbolische betekenis heeft. Het is een samengesteld getal 12x12x1000. De getallen 1000 en 12 drukken ieder de idee van volkomenheid uit. 12 is product van 3 en 4. Dus van het getal, dat het goddelijke, de Drieëenheid, aanduidt, en van het getal, dat de volle ruimte der wereld (de 4 hoeken der aarde), aanduidt.
Israël bestond uit 12 stammen, Christus verkoos 12 apostelen. En 1000 is 10 maal 10 maal 10. Ook het getal 10 geeft een volheid aan. God trof Egypte met 10 plagen, de Heere Jezus heeft het in één van Zijn gelijkenissen over 10 maagden. Het product van al deze getallen verzinnebeeldt dus de gedachte van volheid en volkomenheid, in hoge mate. Hier gaat het er dus niet om, dat die verzegelden volgens onze nuchtere telling precies 144000 zouden zijn. Maar dit grote, afgeronde getal moet ons door haar samenstelling ten eerste een voorstelling geven van de ontzaglijke en overal vandaan vergaderde schare der verzegelden. Vervolgens drukt het uit, dat het aantal verzegelden, hoewel voor ons onbekend, nauwkeurig door de Heere bepaald is.
En ten derde geeft het aan, dat de verzegelden allen met elkaar één geestelijke éénheid vormen, terwijl zij toch uit allerlei groeperingen zijn vergaderd en samengesteld.
Zij komen ook uit alle stammen Israëls. Wat dus de exegeten, die hier alleen aan de gelovigen uit Israël denken, letterlijk opvatten. Maar waar de andere verklaarders van de Schrift eveneens een overdrachtelijke betekenis aan geven!
De namen van de stammen Israëls. Enkele opvallende dingen in de opsomming.
Wat nu de opsomming van de stammen van Israël betreft, hierin vallen enkele dingen op. Niet alleen, dat de stam Dan ontbreekt.
Allereerst is de volgorde merkwaardig. Niet de naam van de stam, voortgekomen uit de oudste zoon van Jacob, staat voorop. Doch de naam van Juda. Stellig is dit niet zonder opzet. Juda was de koningszoon in Israël. En uit Juda, David - kwam de Christus voort. In het vooropgaan van deze stam ligt stellig schone symboliek. Het gaat hier immers om de bewaarde gelovigen? Om Wien moeten zij anders gegroepeerd en door Wien wordt hun leven anders beheerst, dan om Hem en door Hem, uit Wien al hun zaligheid is, Juda's grote Zoon, Christus? Eigenlijk staat Hij aan het hoofd van hen allen als het Hoofd, door Wien zij allen geregeerd worden!
Verder worden de stammen niet genoemd in de volgorde van de zonen van Jacob, of naar Oud Testamentische orde, doch geheel anders! Wij zouden zeggen, ze staan in wanorde, door elkaar. Maar schuilt achter deze wanorde geen hemelse orde? Dit wil zeggen, dat de Heere in de toebrenging van de Zijnen wel vaak rekening houdt met de verbanden en geslachten, zoals Hij die zelf gelegd en gevormd heeft, doch dat Hij daar ook vaak op een soevereine wijze dwars doorheen gaat. Soms laat Hij vleselijke en geestelijke banden samenvallen. Maar dikwijls worden die geestelijke banden totaal anders gelegd. Bovendien houdt de Heere er een heel andere volgorde op na dan wij. Voorrechten, posities naar de wereld, tellen hier niet mee. De eersten worden hier de laatsten en de laatsten de eersten. Wie een zetel vooraan zoekt, moet leren tevreden te zijn met een plaats achteraan. En wie bescheiden wegschuilt, verneemt het woord: „Vriend, kom hoger op". Hoe Hij in Zijn Koninkrijk Zijn gasten rangschikt is Zijn koninklijk geheim.
Opmerkelijk is ook, dat onder de namen van de stammen Israëls wel die van Jozef en Manasse voorkomen, doch niet die van Efraïm. Dit heeft stellig eveneens een diepere oorzaak. Wij stippen die slechts aan, omdat de vraag hierover niet ging. Wij weten, dat Efraïm, één van de zonen van Jozef, tot een belangrijke stam is geworden in Israël. Maar zij stond voorop bij de scheuring van het rijk. En zij speelde ook een voorname rol bij de invoering en instandhouding van de kalveren-en beeldendienst in Dan en Bethel. Zij had bijzonder de hand in de politieke en godsdienstige breuk onder de stammen van Israël. Dit was een grote zonde! Wat heeft de Heere Efraïm laten waarschuwen en teruggeroepen tot Zijn zuivere dienst! Wij behoeven alleen maar te denken aan de profeet Hosea en zijn prediking. Doch over 't algemeen heeft Efraïm zich verhard. En daarom bleef het oordeel over deze stam niet uit! Is daarom ook haar naam hier uitgevallen?
De eigenlijke vraag.
Thans komen wij tot de eigenlijke Vraag: „Waarom ontbreekt in de opsomming van de stammen ook de naam van de stam Dan? Heeft dit ook ons nog wat te zeggen? " Stellig!
Doch hierover een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's