De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het voorwerp van het zaligmakend geloof

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het voorwerp van het zaligmakend geloof

Heidelbergse Catechismus vraag en antwoord 22 en 23

7 minuten leestijd

Vr. Wat is dan een christen nodig te geloven? Antw.: Al wat ons in ket Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof in een hoofdsom, leren. Vr. Hoe luiden die artikelen? Antw.: Ik geloof in God de Vader enz.

Na het wezen van het ware (zaligmakend) geloof te hebben omschreven wijst de catechismus het voorwerp van dit geloof aan. Dit laatste is niet minder belangrijk dan het eerste. Het kan hierbij niet gaan om twijfelachtige zaken. Ook heeft de kerk van Christus altijd zeer nadrukkelijk afgewezen alle relativisme, als zou het meer aankomen op het „hoe" van het geloven dan op het „wat". Nochtans mag dit laatste voor onze tijd toch wel dubbel onderstreept worden. Want in deze eeuw van oecumene wordt helaas ten opzichte van de leer maar te gemakkelijk relativistisch gedacht. Men wil dan maar al te grif aannemen een tegenstelling tussen de persoon van Christus en de dogma's van de Kerk aangaande de persoon en het werk van Christus, zoals die in de loop der eeuwen geformuleerd zijn. Het gaat dan niet — naar het zeggen van velen — om het geloof in de levende Heere. Deze tegenstelling als tegenstelling is vals, ook al kan vanzelf het zweren bij een aantal dogma's als het voorwerp des geloofs het ware geloof in Christus verduisteren of zelfs geheel verzaken. Dan is er sprake van het vastgevroren raken in de verkillende greep van het orthodoxisme. Maar dat mag nooit ten laste gelegd worden aan het dogma der Kerk als zodanig. Want in het dogma bedoelde en bedoelt immers de Kerk juist de persoon en het werk van Christus te belijden naar de Schriften. Het ging en gaat haar daarbij niet om een leeruitspraak, om een formule op zichzelf, maar om het geloof in de Christus der Schriften.

De Kerk heeft met haar dogma nooit anders willen zeggen dan wat Paulus bedoelde met de woorden: Indien u iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt. En dat ontvangen Evangelie is het Evangelie van de Christus der Schriften. De Kerk weet daarom in haar belijdenis de Heilige Schrift tot gelding te brengen en belijdt daarin het heil van haar drieënige God en Zijn Christus, geschonken en geopenbaard door het Woord, verzegeld door de Heilige Geest in haar hart.

De christen leeft van het Woord Gods. Daarbuiten vindt hij geen voedsel maar de dood. Nu spreekt de catechismus zeer nadrukkelijk van het Evangelie: Al wat in het Evangelie beloofd wordt (op de vraag: wat is de christen nodig te geloven). Immers openbaart niet de wet de Christus als middelaar Gods en der mensen, maar doet dat het Evangelie alleen. In het algemeen zijn daarom wel beiden, Wet én Evangelie voorwerp van het geloof, maar de Wet maakt niet zalig, doch overtuigt van zonde en verdoemt. Het Evangelie bevat echter de verkondiging van de genade in de geschonken Christus, en is daarom voorwerp van het zaligmakend geloof, dat rechtvaardigt en troost. De Heilige Geest maakt door de bediening der wet plaats voor Christus in het hart, en richt door de bediening van het Evangelie de onder de wet gebogene en gebrokene op. Dat is het aandeel van de Heilige Geest in het verbond.

Vandaar de vraag: Wat is dan een christen nodig te geloven? (namelijk tot zaligheid). En het antwoord: Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt.

Op dit Evangelie zinkt een zondaar nooit neer aleer alle andere gronden hem onder de voeten zijn weggegraven. Maar dan ook wordt zijn enige grond van troost en leven het Evangelie van Jezus Christus, verzegeld door de Heilige Geest in zijn hart.

Het is het Evangelie der beloften van de drieënige God in Christus als de God van volkomen zaligheid. De apostolische geloofsbelijdenis is dan ook niets anders dan het Amen der Kerk in het geloof op dit Evangelie en bevat daarom ook niets anders dan het Evangelie: Ik geloof in God de Vader en in Jezus Christus Zijn enige geboren Zoon, en in de Heilige Geest. Gezegend is het leven, waarin dit geloof tot volle doorbraak mag komen en zich richt op dit Evangelie, dat de toegang tot een verzoend God in Christus ontsluit.

De belijdenis is derhalve niets anders dan een Amen zeggen der Kerk op het Woord, op het Evangelie Gods. Daarom heeft de belijdenis gezag. Niet oorspronkelijk gezag, maar dan toch afgeleid gezag, dat waarachtig bindend is, wijl de Kerk er het Woord Gods in belijdt. Daarom dient de belijdenis te zijn een muur rond de Kerk. Iemand die de waarheid van haar belijdenis, dus naar het weten der Kerk: van het Evangelie, geheel of gedeeltelijk loochent, moet binnen haar muren niet kunnen leven. Die belijdenis is de band der gemeenschap.

Hieruit moet het duidelijk zijn hoe zeer een kerk die met haar belijdenis in deze zin geen ernst maakt, bezig is zelfmoord te plegen. Zij zal dan juist het tegendeel bereiken van wat zij beoogt. Zij wil in de wereld mogelijk getuige zijn en dat praktisch verwerkelijken door met andere gemeenschappen zo breed mogelijk front te maken, doch als een eerloze, die zichzelf te schande maakt, zal ze terzijde worden geschoven.

Als we nu als leden der gemeente, als kinderen des verbon ds in de samenkomst der gemeente de apostolische geloofsbelijdenis horen afleggen en in ons hart mee spreken, zoals te doen gebruikelijk is, hebben we wel tot ons zelf in te keren met de vraag, of zij ook onze hartebelijdenis is? Want zo niet, dan zijn we immers een vreemde­ling binnen Zions muren, en zijn we — hoewel levend op het erf der Kerk en der genade — toch vijanden van Gods Kerk en de vrije genade, door die Kerk vertolkt.

De catechismus noemt hier de apostolische geloofsbelijdenis „de artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld, christelijk geloof".

Algemeen of katholiek wijst op de eenheid der Kerk. De 12 art. zijn een oecumenisch geschrift, behoren de ganse christenheid toe. Maar meer afgestoken naar de diepte wijst het woord „algemeen" op het éne geloof, dat al Gods kinderen van alle tijden en plaatsen verenigt. In deze wereldbedeling nog onzichtbaar zal deze éne Kerk eenmaal als de verloste mensheid naar buiten treden in het nieuwe Jeruzalem, neergedaald op de nieuwe aarde.

In deze artikelen wordt belijdenis gedaan van het ongetwijfeld geloof. Met haar belijdenis staat of valt de Kerk. Wie twijfelt is een baar der zee gelijk, die van de wind gedreven en op en neder geworpen wordt.

Dat de duivel graag de twijfel zaait in het hart en het hart vaak de twijfeling koestert, weet iedere pelgrim naar Sion zeer wel en met diepe smart. Zijn zwaar, dof, naar de aarde trekkend en daarom twijfelend hart baart hem veel zorgen en werpt hem vaak neer in de schuld voor God en doet roepen: Aanzie mijn nood! — Gods getuigenis is er echter niet minder vast om. En.... het geloof worstelt en ontzwemt: Ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp! Verloren hebbende onze wijsheid zinken we op het getuigenis van apostelen en profeten: Wij hebben het profetische Woord dat zeer vast is.... Het geloof moet er door heen. Het zucht als Abraham de roofvogels weg, die azen op het Offer.

Want het Offer der verzoening van Christus staat in het midden. Het gaat immers om het christelijk geloof. Hij is het Hoofd, het Leven, de grond der Kerk, haar zaligheid. In Christus heeft God Zijn welbehagen geopenbaard, en in Christus mag ons hart opblikken tot het vriendelijk aangezicht van de Vader. Daarom, naarmate de kennis van Christus helderder is, naar die mate klinkt ook het getuigenis van Gods kinderen helderder en vaster.

Helaas leven er op het erf der Kerk velen, die het zonder Christus kunnen stellen. Of door hun onverschilligheid in het algemeen, of door hun handhaving van zichzelf in eigenwillige vroomheid. Zij zijn ten diepste vreemdeling aan het christelijk geloof.

Zo hebben we in deze 12 artikelen, die langzaamaan gegroeid zijn uit een korte doopbelijdenis van de gemeente te Rome in haar eerste tijd, een kostbaar geschenk Gods aan Zijn Kerk van alle navolgende eeuwen. En we mogen het zeker zo stellen, dat alle belijdenis die nadien geschreven werd, slechts beoogde deze 12 artikelen, die zo heerlijk het apostolische getuigenis samenvatten, weer opnieuw te bevestigen als de sterkte van Sion.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het voorwerp van het zaligmakend geloof

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's