De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

De tweede helft

8 minuten leestijd

Hoofdstuk V. Art. 9. Van de bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid en van de volharding der ware gelovigen in het geloof, kunnen de gelovigen zelf verzekerd zijn, en zij zijn het ook, naar de mate des geloofs, waarmede zij zekerlijk geloven, dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden en het eeuwige leven. 

De tweede helft.

We zijn bezig met hoofdstuk V. Dit laatste hoofdstuk der Leerregels valt in twee delen uiteen. In de eerste acht afdelingen wordt beleden, dat de ware gelovigen, dankzij de bewaring des Heeren, in het geloof ten einde toe volharden. Dat hebben we besproken.

In de daaropvolgende zeven paragraafjes komt de vraag ter sprake, of de gelovigen ook voor zichzelf van deze volharding verzekerd kunnen zijn. Deze vraag wordt dan in bevestigende zin beantwoord. In dit gedeelte komt bijzonder de troost van het leerstuk aangaande de bewaring en volharding der gelovigen naar voren. Het is immers niet zo, dat deze volharding een natuurlijke zaak is, die vanzelf spreekt. De gelovigen zijn in zichzelf zwak en geneigd om af te vallen. Het is ook niet de kracht van hun wil, die de gelovigen bewaart. Wat is het dan wel? Het is de kracht van Gods wil. H. Witsius omschrijft de volharding of bewaring aldus: „Deze bewaring is een genadige daad van God, waarmee Hij de uitverkorenen, gelovigen en geheiligden, hoewel ze in zichzelf zwak en om af te vallen bekwaam zijn, alzo inwendig bewaart, door de almachtige kracht van Zijn Geest, en uitwendig door de middelen, daartoe met wijsheid verordineerd, dat ze de hebbelijkheden der deugden, die hen zijn ingeplant, nimmer geheel verliezen, maar door een bestendige volharding gewis tot de eeuwige zaligheid gebracht worden”.

De zaligheid van de kinderen Gods ligt vast. Zij worden zo bewaard, dat zij volharden in de gehoorzaamheid des geloofs en zij krijgen min of meer vaste zekerheid aangaande deze bewaring. Wat is de oorzaak dat de Leerregels zo uitvoerig handelen over deze innerlijke overtuiging der gelovigen, dat God hen niet zal begeven? De oorzaak ligt in het feit, dat men van Remonstrantse zijde die verzekering des geloofs, wat de toekomstige zaligheid betreft, loochende. Daardoor beroofde men Gods kinderen van hun vastigheid in God. Dat is duidelijk, als we de verwerping der dwalingen achter dit 5 de hoofdstuk lezen. Daar tekenen de Dordtse vaderen verzet aan tegen een leer, die fundamenteel van de Reformatie afwijkt, en de vrije wil op de troon zet, lerende:

De remonstrantse stelling.

„Dat de volharding der ware gelovigen niet is een vrucht der verkiezing of een gave Gods door de dood van Christus verworven, maar een voorwaarde des nieuwen Verbonds, die de mens voor zijn beslissende (gelijk zij spreken) verkiezing en rechtvaardigmaking door zijn vrije wil moet volbrengen”.

Hier is het geloof als menselijke daad op de troon gezet. De mens moet, door de kracht van zijn wil, volharden in het geloof. Dan komt hij er. Hij is echter op zijn eigen krachtige wil aangewezen. Hier is het geloof niet meer een gave Gods, maar een menselijk werk, een verdienend werk. Door de volharding in het geloven wordt de zaligheid verdiend, wordt de verkiezing verdiend. Het geloof is bij de remonstranten de zelfstandige voorwaarde, waardoor de mens over zijn verkiezing, rechtvaardigmaking en zaligheid de beslissende stem heeft. Arme mens, want er is niemand, die aan deze voorwaarde kan voldoen.

De gereformeerden hebben tegen de remonstranten gestreden vóór de genade en tegen de leer van de zaligheid door de werken der mensen. Zij konden het geloof niet zien als een beslissende voorwaarde, die voort moest vloeien uit de vrije wil. Het geestelijk leven zagen zij niet uit de mens opkomen, doch uit God. Zij zagen in de belijdenis der remonstranten misvatting van het geloof, waardoor het soevereine karakter der genade werd aangetast. Weliswaar spraken de gereformeerden ook van het geloof als een „voorwaarde”.

Maar dan bedoelden ze, dat God deze voorwaarde zelf vervulde. Deze afhankelijkheid van God in alles kenden de remonstranten niet, toen niet en nu nog minder. Helaas kennen vele predikanten, kerkeraadsleden en gemeenteleden van de kerk, die de Leerregels onder haar belijdenisgeschriften telt, deze afhankelijkheid ook niet, en zeker niet prakticaal. Toch is het voor de zaligheid altijd nog van uitermate groot belang, dat de leer van het evangelie zuiver verkondigd wordt. Waar dit niet geschiedt, berooft men God van Zijn eer en de mens van zijn heil. Daarvan getuigt de oude synode in het tweede artikel van de Verwerping der dwalingen achter hoofdstuk V, waar zij hen bestrijdt, die leren: at God de gelovige mens wel voorziet met genoegzame krachten om te volharden en bereid is, die in hem te bewaren, zo hij zijn ambt doet, doch al is het nu ook dat alle dingen, die nodig zijn om in het geloof te volharden, en die God gebruiken wil om het geloof te bewaren, in het werk gesteld zijn, dat het dan nog altijd hangt aan het believen van de wil, dat deze volharde of niet volharde. Want dit gevoelen bevat in zich een openbaar Pelagianisme; en terwijl het de mensen wil vrijmaken, zo maakt het hen rovers van Gods eer; tegen de voortdurende overeenstemming van de Evangelische leer, die de mens alle stof van roemen beneemt, en de lof dezer weldaad aan de genade Gods alleen toeschrijft; en tegen de apostel, die getuigt „dat het God is. Die ons ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in de dag van onze Heere Jezus Christus". (1 Cor. 1 : 8).

Zo stelden de vaderen tegen de remonstrantse beschouwingen van het geloof, als een mensenwerk, het: genade alleen.

De remonstranten echter moesten al verder de verkeerde kant uit. Zij werden hoe langer hoe meer 'n valse religie. Toen zij het geloof als een zelfstandig mensenwerk de ereplaats hadden gegeven en in hun belijdenis opgenomen als het beslissende moment in de zaligheid, kwamen zij van daaruit tot hun leer van 'de afval der heiligen. Deze leer houdt in, dat het zalig worden een werk is, waarin de mens kan roemen, want wie behouden wordt, ontvangt deze behoudenis als vrucht van z'n eigen werk. De remonstranten en allen, die het vandaag met hen eens zijn, tasten alzo de soevereiniteit der genade aan. Dit betekent niet, dat zij alle genade loochenen. Integendeel, zij roemen in genade. In art. 4 van hun remonstrantie leren zij, dat de genade is het begin, de voortgang en de volbrenging alles goeds, ook zo ver, dat de wedergeboren mens zelfs zonder deze voorgaande of toekomende, opwekkende, volgende en medewerkende genade, noch het goede denken, willen of doen kan, noch enige verzoekingen ten kwade kan wederstaan, zodat alle goede daden of werkingen, die men bedenken kan, aan de genade Gods in Christus moeten toegeschreven worden; maar wat de manier van werking der genade zelve aangaat: deze is niet onwederstandelijk”.

Hier hebt ge het dus. Genade is bij de remonstranten meewerkende genade. Niet bij God, bij de mens ligt de beslissing. Daarmee is uitgesloten, dat er ooit een mens zalig wordt, want alleen allesoverwinnende genade, die de mens gewillig maakt en waarbij een dood mens levend gemaakt moet worden, kan ons redden. Hier is de leer, die tegenwoordig in veel sekten en door velen in de kerken verkondigd wordt: meewerkende, helpende genade. Zij heeft voor de natuurlijke mens veel aantrekkelijks. God lijkt de eer te krijgen vanwege Zijn hulp en een mens houdt toch de verantwoordelijkheid en houdt zijn eer, want hij neemt de beslissing. Dit laatste woog bij de remonstranten en roomsen zeer zwaar. Men vreest, zegt men, een vleselijke veiligheid als vrucht van de leer van de soevereine genade Gods. Deze leer, zegt men, maakt goddeloze en zorgeloze mensen. De ervaring heeft bewezen dat het juist andersom gaat. Als ergens de reformatorische leer recht gepredikt wordt, worden juist de van nature zorgeloze mensen opgeschrikt. Zo'n hele gemeente weet dan, dat het zomaar niet gaat.

Doch waar de remonstrantse leer gepredikt wordt, is ieder zorgeloos, want de genade wordt daar zeer goedkoop gemaakt. Daar mist men alle besef van de noodzakelijkheid van levendmaking, wedergeboorte, inlijving in Christus.

Het gereformeerd belijden daarentegen brengt een werkzaam christendom mee, dat zich bewust is van de grote strijd, die er gestreden moet worden om in te gaan door de enge poort. Wanneer in een gemeente Woord en Geest samenstemmen, ontstaat er strijd, die tot het einde van een mensenleven blijft.

Het merkwaardige is nu, dat de afhankelijkheid van God en de belijdenis daarvan geen vleselijke rust baart, doch arbeid, gebed, strijd tegen de zonde. Hoe meer God onwederstandelijk werkt, hoe werkzamer de mens wordt. Maar óok: hoe meer strijd en spanning, hoe meer zekerheid in de diepte van het hart bij de ware gelovige, dat de Heere zo getrouw als sterk is. Over de zekerheid des geloofs wordt door deze en gene nogal eens geschreven. Het gevaar, dat velen lopen, bestaat hierin, dat zij een beredeneerde zekerheid en een geloofszekerheid verwarren. De zekerheid, die de H. Geest werkt, is een andere dan die voortvloeit uit de redenerende geest van de mens.

Dus zo staat het nu met de remonstranten. Zij leggen de nadruk op helpende genade en op de uiteindelijke beslissingsvrijheid van de mens. Voor de vaderen stond het zo, dat zalig worden een eenzijdig werk van God is. De remonstranten beleden wel met genoegen, dat de gelovige voor de tegenwoordige tijd van de oprechtheid van zijn geloof verzekerd kon zijn, maar zij achten het niet nodig, dat hij ook voor de toekomst daarvan zeker zou wezen. Daar moest ruimte blijven voor een nieuwe beslissing van de mens. De remonstrant rust in zichzelf, de gereformeerde rust in God. De belijdenis van de volharding der heiligen valt samen met de belijdenis van de onwederstandelijkheid der genade. Het geloof is voor de gereformeerden geen prestatie, het is een gave Gods. Maar omdat God de onveranderlijke is in Zijn ontferming, beleden zij van harte, dat de gelovigen verzekerd kunnen zijn en zijn van hun volharding in het geloof.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's