De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BELIJDENIS EN AVONDMAAL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BELIJDENIS EN AVONDMAAL

9 minuten leestijd

Binnenkort, zo de Heere wil, zullen weer honderden catechisanten in het midden der gemeente Openbare Belijdenis afleggen van het Christelijk geloof. Daarmede hebben zij in principe toegang verkregen tot de viering van het Sacrament van het Heilig Avondmaal. In principe, niet automatisch. Tussen Openbare Belijdenis en viering van het Heilig Avondmaal zal steeds weer de praktijk moeten zijn van de „waarachtige beproeving van onszelve" en het „overdenken, waartoe ons de Heere zijn Avondmaal heeft ingezet: namelijk, dat wij zulks doen zouden tot Zijne gedachtenis". Deze praktijk der godzaligheid zal er „moeten zijn", maar die is er lang niet altijd. In plaats daarvan is er dan een praktijk van on-godzaligheid, die als obstakel fungeert tussen het „ja"-zèggen in de Openbare Belijdenis en het „ja"-dóén" door aan de Tafel des Heeren te gaan. Het is tot bestrijding van deze onzalige beletselen, dat ik op het onlosmakelijk ver­band zou willen wijzen, dat de formulieren van onze Kerk hebben gelegd tussen Belijdenis en Avondmaal. Ik wil dat trachten aan te wijzen op drieërlei manier: vanuit de belijdenis, afgelegd bij de H. Doop; vanuit de belijdenis, afgelegd na de aanneming tot lidmaat, en vanuit de belijdenis, afgelegd bij de bevestiging tot ambtsdrager als ouderling of diaken.

Allereerst de belijdenis, afgelegd bij de Heilige Doop. Wie ooit als vader of als moeder (of ook als getuige!) een kind ten Doop heeft gehouden, heeft in het openbaar „ja" gezegd op een drietal doopvragen. Dat is de zogenaamde „doopbelofte". In dat ja-woord is dan besloten geweest onder andere de bekentenis „de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament begrepen is de waarachtige en volkomen leer der zaligheid te wezen". Ja, méér: dat gij belooft en voor u neemt dit kind in de voorzeide leer te onderwijzen"! Daarmee heeft men dan óók de leer des Heiligen Avondmaals als leer der zaligheid beleden, en daarmee heeft men óók beloofd zijn kind in deze leer van het Sacrament te onderwijzen. En wat is onderwijzen anders dan: zelf voorbeeld zijn? Zo is er, tenzij men het Avondmaalsbevel van de Heere Jezus uit de leer der zaligheid uitlicht, een onlosmakelijk verband tussen de doopbelofte van de doopouders en hun daarin verankerde zedelijke verplichting tot het Heilig Avondmaal te gaan. Het is mij dan ook een raadsel, hoe de Kerk het kan gedogen, dat mensen die geen toegang hebben of verlangen te hebben om aan het Avondmaal te gaan, wèl toegang verkrijgen tot het afleggen van de doopbelofte. Daarmee wordt de kracht en zwaarte van de doopbelofte ontroofd.

Ten tweede: de belijdenis, afgelegd na de aannemng tot lidmaat. Ook hier worden drie vragen gesteld, die stuk voor stuk om een daadwerkelijk antwoord vragen in het deelnemen aan de Tafel des Heeren. Want de eerste vraag: „Belijdt gij te geloven in Jezus Christus? " kan toch moeilijk met de mond beaamd worden en daarna, door te blijven zitten als gezegd wordt: „De Meester is daar en Hij roept u" met de daad geloochend worden! Uw ja zij ja en uw nee nee. Hij is „onze Heere" of Hij is het niet. En de tweede vraag klemt daarin nog sterker: „Zijt gij des zins en willens, uw Heiland getrouw te volgen, gelijk aan zijn ware belijders betaamt"? Ook daarop zegt men ja, maar dóét men nee, want als de roepstem klinkt: „Komt, want alle dingen zijn gereed", dan komt men niet, dan volgt men niet, dan volgt men het bevel niet óp, maar men blijft zitten! Was de Openbare Belijdenis dan geen lippentaal? En tenslotte die derde vraag: „Belooft gij, tot de bloei van het Godsrijk naar uw vermogen volijverig mede te werken? " Wederom heeft men „ja" gezegd. Maar wordt de bloei van het Godsrijk volijverig bevorderd door publiekelijke nodiging des Heeren deel te nemen aan Zijn Tafel af te slaan of op te volgen? Vanuit elk van deze drie vragen loopt er onontkoombaar een lijn naar de gewillige deelname aan het Heilig Avondmaal. Het is mij dan ook een raadsel, waarom men de Openbare Belijdenis heeft uitgehold tot een lidwoorden van een kerkgemeenschap, een uitwendige zaak. Daarmee is de inhoud van deze Belijdenis en zijn heenwijzing naar de Tafel des Heeren ontkracht.

Ten derde, en dit als toevoeging bij het voorgaande punt: de Openbare Belijdenis, zoals die wordt afgelegd bij de Doop aan volwassenen. Als ergens het verband tussen belijdenis en Avondmaal tot uitdrukking komt, dan wel hier. Want in de vierde vraag (er zijn er in totaal vijf) wordt aan de volwassen dopeling gevraagd: „Belooft gij, dat gij in de gemeenschap dezer Christelijke Kerk, niet alleen in het gehoor des Goddelijken Woords, maar ook in het gebruik des Heiligen Avondmaals, zult volharden? " Dat staat in de vierde vraag, maar het is in alle vragen de éérste belofte, die wordt gevraagd: de voorgaande vragen betroffen belijdenissen. En deze vraag staat, evenals het stuk betreffende het Avondmaal in de Heidelberger Catechismus, tussen het stuk der ellende (vraag 1 en volgende) en het stuk der dankbaarheid (vraag 5: het voornemen altijd christelijk te leven) in. Het vieren van het Heilig Avondmaal vindt niet pas plaats na het stuk der verlossing en derhalve als een teken in het stuk der dankbaarheid, maar in het stuk en in het werk der verlossing, na de kennis van zonde, vloek en ellende. Maar nogmaals, waar het mij hier om te doen is, dat is het rechtstreeks verband dat door het Formulier wordt gelegd tussen Openbare Belijdenis en het Heilig Avondmaal. Deze twee worden door de leer der Kerk aan elkander verbonden door een belofte! Hoe is het dan toch mogelijk dat van de schare „nieuwe lidmaten" slechts een fractie deelneemt aan het eerst daaropvolgende Avondmaal? Welke obstakels liggen daartussen? Wist men dan niet, wat men beloofde?

Tenslotte: de belijdenis, afgelegd door ouderlingen en diakenen bij hun ambtsaanvaarding. Ik lees in het desbetreffende formulier: „en alzo maken de Dienaren des Woords en de ouderlingen tezamen een college of gezelschap, zijnde als een Raad der Kerke ... die de gemeente, waarvan zij verkoren zijn, regeren". Een tweede citaat: „de ouderlingen hebben die zich onstichtelijk gedragen te vermanen en te verhoeden dat de Sacramenten niet ontheiligd worden". Neem nu eens beide citaten bij elkaar, en denk een ogenblik met mij aan een ouderling, die (niet bij wijze van uitzondering, maar jaar in jaar uit) niet deelneemt aan het Heilig Avondmaal. Wat doet die ambtsdrager dan? Hij stelt zichzelf, stilzwijgend, onder de Censura Morum, acht zichzelf onstichtelijk en vermaant zich en verhoedt dat de Sacramenten niet ontheiligd worden. Dat kan. Maar in de praktijk blijkt dan diezelfde ouderling wèl zijn kinderen te kunnen laten dopen en de doopbelofte af te kunnen leggen. En ook legt hij zijn ambt niet neer, en meent dus rustig door te kunnen gaan met zijn collega's „de gemeente te regeren". Hoe kan dat in de praktijk ooit bestaan? Bovendien heeft hij „ja" gezegd op de derde vraag die hem gesteld werd bij zijn ambtsaanvaarding: „Belooft gij uw ambt volgens de leer der Heilige Schrift (dus ook volgens de Avondmaalsleer) getrouwelijk naar uw vermogen te bedienen? " En tenslotte: na de bevestiging is tot hem gezegd: „Weest dan gezamenlijk in uw dienst getrouw, goede voorgangers zijnde voor geheel het volk." Raakt zo'n man dan niet in zielsconflict? Raakt de kerkeraad „gezamenlijk" dan niet in nood? En heeft de gemeente („geheel het volk") dan geen pijn in het hart, als ze ziet wat er van het „voorgaan" in de praktijk terecht komt? Kan dit allemaal maar zonder smart en zonder pijn? Of was er geen kennis van zaken bij de ambtsaanvaarding? En werd het onlosmakelijk verband tussen belijdenis en gang naar het Avondmaal niet gekend? Dan is, zowel door gemeente als door ambtsdragers, aan het kerkelijk gewicht van het ambt te kort gedaan. Dan zijn de ambten en hun zegenrijke werking ondermijnd.

Men begrijpe mij goed. Ik ontken niet, dat er gegronde redenen kunnen zijn waarom men de Tafel des Heeren mijdt. Als het maar redenen zijn, die het hart verscheuren van zelfverwijt en die een mens op de knieën brengen. Maar waar ik op wilde wijzen, zijn de redenen, die on-zalig zijn, het zijn de obstakels waar ik over sprak. De redenen, die liggen in een ijdele doopbelofte (wanneer men de Doop begeert uit „gewoonte of bijgelovigheid"), die liggen in een ijdele Openbare Belijdenis (wanneer men alleen maar lid wil worden van een Kerk zoals van een of andere vereniging, een uitwendige zaak), redenen die liggen in een ijdele ambtsaanvaarding zonder de diepe en vèr-strekkende consequenties en roepingen tot aan het Heilig Avondmaal toe ook maar te beseffen. En daaruit, uit die onzalige praktijken, komt zoveel mijding van het Heiig Avondmaal voort. Het is verre van mij, het Heilig Avondmaal tot een „lichte zaak" te maken. Maar het is hoog tijd, dat Doopbelofte, Openbare Belijdenis en Ambtsaanvaarding tot een zwaardere zaak worden. Dat ze komen te liggen op één lijn met het Heilig Avondmaal. Op die ene lijn, die in alle Formulieren voor ons wordt aangewezen.

Dan, als wij deze zaken weer in hun onderlinge, onverbrekelijke eenheid leren zien en beleven, zal er een drievoudige vrucht niet uitblijven. In de viering van het Heilig Avondmaal zal dan de aanvankelijk afgelegde belijdenis tot zegen worden: tot „sterking van het geloof" (Zondag 25 H. Catechismus). Vervolgens zal het „de kinderen" van de doopouders en het „gehele volk", toevertrouwd aan de ambtsdragers tot een jalouzie-verwekkend voorbeeld zijn, een ware „onderwijzing" en een ware „regering". Tenslotte zal de ere Gods er mee gediend zijn; om met de woorden van het gebed na de bevestiging van de ambtsdragers te spreken: „ten einde alzo, een iegelijk zich kwijtende in zijn ambt, uw heilige Naam daardoor groot gemaakt en het Rijk Uws Zoons Jezus Christus bevorderd moge worden". Mochten wij allen, doopouders, lidmaten van de Kerk en ambtsdragers, in onze respectievelijke belijdenissen diep te maken krijgen met het woord des Heeren Jezus: „Wie Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor mijn Vader die in de hemelen is; maar zo wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor mijn Vader die in de hemelen is.”

Kamerik,  J.J. Poort

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

BELIJDENIS EN AVONDMAAL

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's