UIT HET NIEUWE TESTAMENT
Openbaring 7 vs. 1—8. De eigenlijke vraag.
Openbaring 7 vs. 1—8.
De eigenlijke vraag.
Het gaat nu dus om de vraag, waarom de stam Dan ontbreekt. Wat heeft dit ons te zeggen? Voor het antwoord is nodig, dat wij ons nu bezig houden met de geboorte van Dan en de geschiedenis van zijn stam.
De geboorte van Dan.
Dan is dus één van de zonen van Jacob. Van belang is de wijze, waarop hij ter wereld is gekomen. Daar is Rachel, één van Jacobs vrouwen. Zij heeft eerst geen kind en is jaloers op haar zuster Lea. Zij zet alles op alles om kinderen te krijgen. En daarbij slaat zij voor ons besef die „eigenaardige" weg in. Zij heeft een slavin Bilha. Volgens Oosterse begrippen is deze slavin geheel eigendom van haar „mevrouw". En een kind, dat zij ter wereld brengt, geldt geheel als kind van die mevrouw. Zo wil zij, dat haar man met Bilha omgang heeft als met zijn eigen vrouw. En dan brengt Bilha inderdaad een zoon ter wereld. Rachel is daar blij om. Zij zegt zelfs, dat God haar recht heeft verschaft en naar haar stem heeft gehoord. Dit kind toch geldt als haar eigen kind. En daarom noemt zij het Dan. „De Heere richt”!
Wij zien hier Rachel naar de schijn erg vroom doen. Maar in de grond der zaak begaf zij zich op een zondige weg. Zij kon niet wachten op Gods tijd. Zij kon niet klaar komen met het kruis, haar opgelegd, en ging God dwingen langs een kronkelige weg. Op deze manier zoekt zij haar recht. En de Heere gaf haar in Zijn hoge wijsheid, haar zin!
Met dat al was Dan het kind van de schijn en het surrogaat. Juridisch was hij een zoon van de vrije moeder Rachel, - doch in werkelijkheid was hij een kind van de slavin. Straks moet gedaan worden, alsof hij Rachels zoon Is, maar hij kon dat nooit echt worden. Hij moet zijn, wat hij eigenlijk nooit worden kan. Hij moet leven onder een gruwelijke dubbelslachtigheid. En dit alles, omdat Rachel Lea de ogen wilde uitsteken!
Hier is veel schijnheiligheid. Dit kind van de opstandigheid, van de sluwe berekening tooit Rachel met de mooie naam: „de Heere richt, en deed mij recht". Doch heeft de Heere haar eigenlijk wel recht gedaan? Of maakt zij dat er maar van? Doet de Heere werkelijk recht op een gebed, dat meer een ultimatum en protest is?
Wel geeft Hij hier in Zijn hoge wijsheid en omdat Hij daarmee Zijn bedoelingen heeft, datgene, waarom gevraagd werd, doch is dit „een recht doen? ' Veelmeer verschafte Rachel zich zelf recht. Echter, zo heeft zij gemaakt, dat deze jongen direct al wordt tot een levend teken van schijngodzaligheid en van een zondige dubbelzinnigheid, welke de wortel zijn van het Farizeïsme. Adderengebroedsel, - aanvankelijk nog onschuldig, maar, als men niet oppast, komen uit dit gebroedsel giftige slangen!
De profetie van Jacob op zijn sterfbed.
Zo komen wij nu op de woorden, welke vader Jacob op zijn sterfbed over Dan als een profetie gesproken heeft.
Rachel had met haar doen het hek van de dam geworpen. Er volgden in Jacobs gezin nog meer zulke kinderen. Doch hoe zou de houding zijn van de echte zonen tegenover de onechte? Zouden deze de zonen van de slavin uitdrijven? Die onechte kinderen hadden toch eigenlijk geen rechten?
Dan spreekt Jacob op zijn sterfbed zijn profetische woorden over zijn zonen en hun toekomst, en over de stammen, welke uit hen zullen voortkomen. Ook over zijn zoon Dan. In deze woorden breekt iets door van de genade Gods! Dan is ook naar Diens hoge Raad ter wereld gekomen. Daarom beschermt de Heere hem nog. Straks zal het gevaar groot zijn, dat Dan niet als een wettige zoon erkend zal worden - dat zijn stam geen eigen plaats in Kanaän krijgen zal. Doch daar klinken Jacobs profetische woorden: „Dan zal zijn volk richten als één der stammen Israëls". Dan zal toch een eigen positie en eigen rechten krijgen. Hij zal zelfs richten en regeren. Niet vallen onder de hegemonie van de andere stammen. Hij zal zelfs richters voortbrengen, als Simson! Hier valt de bescherming van Gods genade over deze zoon van Jacob. Doordat Hij Zijn recht stelt rondom deze zoon en deze stam!
Echter, toch trekt hier weer een zware schaduw over dit licht heen! Dan zal blijven leven onder die vreselijke dubbelzinnigheid en halfslachtigheid. In zijn stam gaan helaas de trekken van zijn moeder door. Zij wordt een grote stam. Haar komt een eigen positie toe, ze heeft daar recht op. Doch ze verkrijgt die positie op een bepaalde manier. Sluw gaat ze te werk tegenover hen, die haar in de weg staan. Wie niet sterk is, moet slim zijn. Maar deze slimheid wordt zo gemakkelijk sluwheid!
Ook hiervan heeft Jacob geprofeteerd: „Dan zal zijn een slang aan de weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijdier achterover valle”.
Dan zal dus zijn een slang. Bedoeld is hier de stofslang, die zich schuil houdt in het stof en als de ruiter voorbij snelt, vlug haar kop opwipt en het vergif in de hielen van 't paard brengt. Dan zal dus deze valse trek vertonen, dat zij degenen, die argeloos naderen en geen kwaad vermoeden, overvalt en weerloos maakt. Zij zal in zich bergen de lelijke combinatie van recht en sluwheid, van grootheid en kleinheid, van de richter, - maar dan één die kruipt in het stof en wacht op het moment, dat hij zich kan laten gelden, door middel van een lage overval.
Dan zal niet strijden met open vizier, doch zal aanvallen in de rug, met list. Zij zal niet de koninklijke weg gaan, maar de weg, waarop zij met des te minder risico haar slag zal kunnen slaan. Zij zal zakelijk soms het recht aan haar kant hebben, doch de wijze, waarop zij het zal trachten te verkrijgen, zal sluw, zondig, laag, zijn.
Jacob heeft dit alles niet voor niets geprofeteerd. Het is merkwaardig, hoe deze profetie in de geschiedenis van Dan realiteit wordt! Wij treffen daarin aan een wonderlijke en beangstigende mengeling van recht èn onrecht, van vroomheid èn het tegendeel daarvan, van geest èn vlees!
Enkele momenten uit de geschiedenis van Dan. De zoon van Selomith.
Een paar voorbeelden willen wij noemen. Daar is allereerst het optreden van de zoon van Selomith.
Uit Exodus 31 weten wij, dat één van de twee bouwers van de tabernakel onder Israël Aholiab was, uit de stam Dan! Hij was bijzonder begiftigd met de Geest des Heeren. Wij staan hier dus voor het feit, dat Dan zelfs uitverkoren werd en „waardig" bevonden om op een bijzondere wijze deel te nemen aan de bouw van het heiligdom. Dan werd hier niet verstoten, integendeel, op een bijzondere wijze betrokken bij de dienst des Heeren. Maar als altijd, hield ook deze verkiezing een bijzondere roeping in! Werd Dan hier niet geroepen tot deze nieuwe gehoorzaamheid, om de enige God des Verbonds en der genade aan te hangen en lief te hebben van ganser harte en met alle krachten? Moest Dan niet alle dubbelhartigheid verre van zich doen?
Inderdaad, de „verkiezing" van Aholiab was voor de stam Dan een bijzondere waarborg, van het feit, dat de Heere ook haar, nakroost van het „schijnkind", bij Zijn volk en dienst wilde betrekken. Tegelijk werd Dan geroepen tot de echte, ondubbelhartige vreze des Heeren. Zij behoefde niet te wanhopen vanwege haar dubieuze afkomst, zoals de afkomst van ons allen, - in zonden ontvangen en geboren - , een dubieuze is. Echter, dan moest zij anderzijds goed acht geven op de bijzondere roeping, welke tot haar kwam!
Maar, daaraan schortte het bij Dan! Telkens stak de speciale Danietische zonde de kop weer op. Daar was bij haar niet alleen die bereidheid tot de dienst des Heeren, waarmee God alleen maar vrede kan hebben en zoals Hij die werkt door Zijn Heilige Geest, - doch ook erge dienstweigering.
Wij weten uit Exodus 12 vs. 38, dat bij de uittocht van Israël uit Egypte veel gemengd volk, bestaande uit vreemdelingen en Egyptenaren, die of met Israël door huwelijken verbonden waren, of wellicht iets op hun kerfstok hadden en een goed heenkomen zochten, - mee is opgetrokken. Het is begrijpelijk, dat dit gemengde volk geen goede invloed op Israël had, vooral niet op de slappe gezinnen. Gemengde huwelijken leiden wel meer tot het verlaten van de wegen Gods!
Wat lezen wij nu in Leviticus 24? Een Israëlietische vrouw, Selomith geheten, èn uit de stam Dan, is getrouwd met een Egyptenaar. Wij hebben hier te maken met een typisch Danietisch huwelijk, dat hinkt op twee gedachten, een verbintenis van heiligheid en onheiligheid, welke leidt tot schijnheiligheid en tot nog erger, omdat blijkbaar dit huwelijk niet geheiligd werd door het oprechte geloof in de God des Verbonds. Een zoon uit dit huwelijk krijgt woorden met een Israëliet. En dan vloekt hij openlijk de Naam des Heeren. Deze godslasteraar wil zijn tegenstander treffen in het heiligste van diens bestaan, n.l. in zijn God. Hij maakt die God uit voor een God van niets. En als die God zo is, wat zal dan een mens, een volk, dat zijn kracht zoekt bij die God?
Deze Daniet haalt op een heel erge manier de Naam des Heeren door het slijk. Eigenlijk vertrapt hij de genade van die God, Die ook het gemengde volk een plaats wilde geven onder Zijn volk. Deze genade lastert hij hier openlijk. De schijnheiligheid en dubbelhartigheid worden hier tot radicale onheiligheid. Hierover gaat dan ook een radicaal gericht des Heeren. De lasteraar heeft door zijn zonde zijn plaats verspeeld binnen de gemeente van het Verbond Gods. Hij moet buiten de legerplaats worden gebracht en daar gestenigd!
Een volgend maal enkele andere momenten uit de geschiedenis van Dan!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's