De Dordtse Leerregels
Naar de mate des geloofs
Hoofdstuk V. Art. 9. Van de bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid en van de volharding der ware gelovigen in het geloof, kunnen de gelovigen zelf verzekerd zijn, en zij zijn het ook, naar de mate des geloofs, waarmede zij zekerlijk geloven, dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden en het eeuwige leven.
Naar de mate des geloofs.
In artikel 9 wordt gesproken over de mogelijkheid voor de gelovige om zekerheid te hebben over zijn volharding. De vaderen hebben echter niet gezegd, dat alle gelovigen inderdaad verzekerd zijn. Velen hebben wel hoop, doch geen zekerheid. Zijn het geen gelovigen, die geen zekerheid hebben? Dat staat niet in artikel 9. De gelovigen zijn gelovigen ook als zij niet van de volharding zijn verzekerd. Er is een algemene klacht, dat de zekerheid vaak gemist wordt. Men geeft daar de schuld wel eens van aan de nadere reformatie uit de gouden en de zilveren (of was het koperen?) eeuw. Maar dat acht ik wel wat eenzijdig, om alle schuld bij mannen te zoeken, die juist hebben getracht tot een levend geloof te brengen en tot zekerheid. Men moet er wel aan denken ook, dat een dood geloof van nature veel zekerder is dan een levend geloof. Maar mijn hoofdbezwaar tegen het geven van de schuld aan de mannen van de nadere reformatie is toch wel, dat zelfs de discipelen van Jezus zo vaak aangevochten waren en dikwijls maar een klein, zwak geloof hadden.
Het is ontegenzeggelijk, dat er trap en mate in het geloof is. Wat is het geloof? Onze catechismus omschrijft het zaligmakend geloof als kennen en vertrouwen. Het eerste leidt tot geloofsgehoorzaamheid, het tweede tot geloofsovergave. Zijn dat nu twee goed gescheiden vakken in de ziel? Ik kan het zo niet denken. Kennen en vertrouwen, geloofsgehoorzaamheid en geloofsovergave zitten in die ene geest of ziel des mensen onvermengd en ongescheiden, zou ik zeggen. De prediking van het evangelie vraagt gehoor en gehoorzaamheid. Van nature is het er geen van beide. Maar als de Heilige Geest ons verstand verlicht, gaan we zien de dingen, die in het evangelie bedoeld zijn. Maar in dit zien en verstaan is al direct trap en mate, ook wisseling.
Het geloven wordt een zien genoemd, m.i. terecht. Maar de een ziet beter, ziet verder, ziet scherper dan de ander. De ene tijd ziet men ook verder en beter en scherper. Dat hangt van het licht of van de mist af. Geloof is gehoorzaamheid aan het evangelie en ongeloof is ongehoorzaam zijn. In plaats van evangelie kan men ook zeggen: de Christus van het evangelie. „Wie de Zoon ongehoorzaam is zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem" (Joh. 3 : 36). Deze gehoorzaamheid komt weer dicht bij vertrouwen, zich toevertrouwen aan om zich te laten zaligen. Maar hoeveel wantrouwen zit er niet in de mens, ook in de gelovige? Hoeveel begeerte om zich te onttrekken aan dat werk van Christus, dat ook uitzuivert en uitbrandt. Ongeloof is niet alleen een gevolg van slecht zien, maar ook een gevolg van slecht willen. Wat slecht willen? Slecht afstand willen doen van ongerechtigheid. Het evangelie vraagt gehoorzaamheid aan zijn inhoud. De inhoud is, dat Christus en de overgave aan Hem de heilsweg is. De bekendmaking van deze inhoud vraagt van de mens een beslissende daad, n.l. om die heilsweg te gaan omdat God hem verordend heeft en af te zien van elke andere heilsweg of van elk ander heilsmiddel dan dat hem in het evangelie wordt verkondigd.
Maar nu begrijpt ook ieder, dat de een de inhoud van het evangelie beter zal kunnen verstaan dan de ander. Daar zal zelfs het natuurlijk verstandelijk vermogen enige invloed op uitoefenen, voorts zal de gebondenheid aan een of andere hartstocht z'n invloed hebben op de mate van het geloof. Men vergete niet, dat de mens van nature een vijand van God is en blijft, want ook de gelovige blijft van nature geneigd God en de naaste te haten. De hele groten in het geloof, de vaders in Christus, zullen daar met een zekere bestendigheid overheen kunnen kijken. Maar velen zullen zeer aangevochten worden door de gesteldheid van hun vlees, dat zich niet aan God onderwerpt. Ik vind, dat deze en gene over de zekerheid des geloofs soms zo ongenuanceerd spreekt alsof er geen aanvechting tot in het uiterste soms, bestaat. De gelovige lijkt dan meer een automaat, die aan de dogmatiek gehoorzaamt, dan een levend mens, die de strijd heeft tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Het is dan ook net alsof men van geen onderscheid weet. Het is allemaal confectie maat 52.
Dit heeft één oorzaak, dacht ik. Men mist de kennis van het eerste stuk, n.l. hoe groot onze zonde en ellende is. En dat is echt geen kennis, waar men na een poosje in uitgestudeerd is, hoewel het wel een kennis is, die in volgorde aan de kennis van het tweede stuk voorafgaat. Zo is het tenminste in de Heidelbergse Catechismus bedoeld. Het is ook niet zo, dat de kennis der ellende tot de enige troost behoort. Zij gaat eraan vooraf. Zo is het in de catechismus gesteld en bedoeld.
Ursinus schrijft ervan: De kennis der ellendigheid is van node: iet dat ze van zichzelf ons troost of een deel van de troost zij (want van zelfs vervaart en verslaat zij ons meer als ze ons troost) maar omdat de kennis der ellendigheid in ons wekt een begeerte om verlost en getroost te worden, gelijk de kennis van de ziekte in de zieke een begeerte naar de medicijnen maakt. Zo lang als wij onze ellende niet kennen, zo wordt ook de verlossing niet begeerd en zo wordt ze ook niet verkregen. Immers God geeft zijn weldaden alleen dien deze begeren en daarom bidden, Matth. 7 : 7.”
Het is niet juist om te zeggen, dat de kennis van het eerste stuk niet een voorafgaande kennis is. Het is ook onjuist om te prediken, dat de kennis der ellende en der verlossing zo in enen hoofd en hart van de onbekeerde zondaar binnenkomen en hij tegelijk vertroost en in de ellende onderwezen wordt. God is een God van orde.
Maar om tot de trappen in het geloof terug te keren, uit het feit, dat het een kennen en gehoorzamen aan een bepaalde inhoud is n.l. Christus, zoals Hij in het evangelie tot ons komt, volgt al dat dit geloof een groeien en afnemen moet kennen. Waar het geloof in de ziel gewerkt is, blijft het, want de genadegiften Gods zijn onberouwelijk. Maar ondertussen heeft het geloof z'n trappen. Het is zeer nodig dit te zeggen, want anders wordt een zwakgelovige, die nochtans een oprecht beginsel van geloof heeft, in de war gebracht. Het is niet de bedoeling om trage gelovigen te stijven, maar wel om zwakgelovigen te steunen. Het is een bekend woord: Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iegelijk, die onder u is, dat hij niet wijs zij, boven hetgeen men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft". (Rom. 12 : 3). De apostel vermaant hier de gemeente om niet altijd op de tenen te willen staan. Het christelijk leven is een leven van offer, het is een dienst ter ere van God. Ieder moet daarom zoeken er achter te komen, waarmee hij of zij God kan behagen. Dat betekent in elk geval een breken met de levensstijl van deze wereld. Wat is die levensstijl? Het is een leven, dat niet in zelfovergave aan God bestaat, dat aan de zonde is onderworpen en in zijn openbaring daarop is gericht. Als echter de gelovige zijn leven als een offer aan God brengt, moet hij er echter ook niet iets geweldigs van zoeken te maken, dat boven zijn krachten gaat. De tekst spreekt van wijs zijn boven hetgeen men behoort wijs te zijn. Daarmee is bedoeld, dat men niet meer van zichzelf moet denken dan met de werkelijkheid overeenstemt.
Een mens moet zich geen groot en sterk geloof toeschrijven als hij maar een klein en zwak geloof beoefent. Hij moet niet hoog van de toren blazen over de zekerheid des geloofs, als hij ternauwernood aan het geloofsbegin en - beginsel toe is. Wijs zijn tot matigheid wil zeggen, wijs genoeg om zichzelf nuchter te beoordelen. God heeft ieder een bepaalde wijze van geloof gegeven, zodat de een in het ene en de ander in het andere iets aparts heeft. Ook in de zekerheid van het zaligmakend geloof is een maat, een bepaalde sterkte. Dit sluit niet in, dat het zwak en aarzelend zijn in het geloof, daarom niet aan de gelovige geweten kan worden. Daar zijn twee zaken. De maat des geloofs in zijn zaligmakende en charismatische kracht en de inspanning waarmee de gelovige het geloof, dat God hem gaf, beoefent. Dat er een maat in is lijdt geen twijfel. Jezus zegt tot zijn discipelen: Hoe, hebt gij geen geloof? " (Mare. 4 : 40). Ook wel: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? " (Matth. 8 : 26). Jezus zegt ook: O vrouw, groot is uw geloof." (Matth. 15 : 28). De man uit Marcus 9 : 24 sprak: Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp." Maar Paulus schreef: Ik weet en ben verzekerd" (Rom. 8). Het is niet de bedoeling dat de trap en mate van het geloof altijd gelijk blijft. De apostel schrijft in Thess. 1:3: Wij moeten God te allen tijd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast." Doch er kan ook aan het geloof iets ontbreken. In Thess. 3 : 10 lezen we: Nacht en dag zeer overvloedig biddende, om uw aangezicht te mogen zien en te volmaken, hetgeen aan uw geloof ontbreekt." In dit verband past toch ook wel Rom. 1 : 17: Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof." De gerechtigheid van Christus wordt aan de mens geschonken en in een groeiend geloof aangenomen. Het inzicht in de grote betekenis van de gerechtigheid van Christus en het vertrouwen daarop neemt in de gelovige toe, als hij niet in de wasdom van zijn geloof wordt verhinderd.
Dit is een voor de hand liggende verklaring, temeer daar het geloof in het Woord Gods niet een vaste ijzeren zaak aanduidt, maar een levend, wisselend, groeiend bezit. Calvijn schrijft dan ook: „uit geloof". De gerechtigheid wordt immers door het Evangelie aangeboden en door het geloof aangenomen. Hieraan voegt hij toe: „tot geloof', omdat naar de mate waarin ons geloof groeit en wij in deze kennis toenemen in ons ook tegelijk de gerechtigheid Gods zich begint te vermeerderen en wij als het ware in het bezit daarvan worden bevestigd. Wanneer wij in het begin iets van het Evangelie proeven, zien wij wel, dat Gods aangezicht vriendelijk ons toegewend is, maar van verre. Naarmate echter de kennis der godsvrucht toeneemt aanschouwen wij de genade Gods, doordat zij ons als het ware naderbij komt, duidelijker en wordt zij ons meer vertrouwd. Velen zijn van mening, dat hieraan een stilzwijgende vergelijking tussen het Oude en het Nieuwe Testament ten grondslag ligt. Dit is echter wel scherpzinnig gedacht, maar het staat allerminst vast. Paulus vergelijkt hier immers ons niet met de vaderen, die onder de wet geleefd hebben, maar hij wijst de dagelijkse voortgang aan, welke in alle gelovigen valt op te merken”.
Nog iets anders. De gerechtigheid Gods wordt geopenbaard, staat er: uit geloof. Is het niet genoeg dat zij geopenbaard wordt in de prediking? Neen, want het evangelie komt tot blinden en doven. Weliswaar bevat de prediking de ganse heilsboodschap van Gods genade in Christus. Maar de natuurlijke mens, verbondskind of niet, leest het, zonder zijn eigenlijke wezen op te merken en te verstaan. Hij ziet er het wonder van Gods genade niet in. Alleen als de mens is wedergeboren, zodat zijn verstand is verlicht en het wantrouwen in beginsel is weggenomen, zodat het geloof ontstaat, wordt Gods genade in Christus en deze gerechtigheid Gods uit het evangelie, ontdekt en gezien. En dit leidt weer tot geloof, tot volle verzekerdheid en vertrouwen, innerlijke vrede en rust.
Van een toevluchtnemend geloof tot een verzekerd geloof betekent een intensieve toeneming van het geloof in de enkeling. De woorden kunnen ook zien op de extensieve uitbreiding van het evangelie onder de volken. Het gaat voor de enkeling van heerlijkheid tot heerlijkheid. Het is een reuke des levens ten leven. Daar is dus trap en mate in het geloof en daarom worden ook de gelovigen onderscheiden als kinderen, jongelingen en vaders, 1 Joh. 2 : 13. Sommigen zijn te vergelijken met het gekrookte riet en anderen zijn eikebomen der gerechtigheid.
Daar is een zwak en een sterk geloof en dat heeft ook weer z'n eigen maat. Wel kan men zeggen, dat het zwak geloof meer van het zoeken in zich heeft en het sterk geloof meer van het vinden.
Men beschouwe de ontwikkeling van het geloof ook niet als een rechte opgaande lijn. Tussen de ene tijd en de andere tijd kan aanmerkelijk verschil zijn. Wij moeten niet zeggen: eenmaal verzekerd, dat wil betekenen voor alle ogenblikken des levens verzekerd. Daar zijn mensen, die in hun leven veel van de vastheid van hun geloof gesproken hebben, maar die in duisternis sterven. Daar zijn ook zwakke gelovigen voor wie het ten dage van hun sterfavond licht is. Daar is ook een vertrouwen, dat op de blindheid van de mens rust. Dat blijft meestal gelijk. Daar leeft men in en daar sterft men in, zonder dat men tot bezinning komt. Daarom zegt artikel 9: Gelovigen kunnen van hun eeuwige toekomst verzekerd zijn. Doch er is een groot verschil. Deze verzekerdheid kan zwak zijn en sterk, want zij is: naar de mate des geloofs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's