De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Openbaring 7 vs 1 - 8

9 minuten leestijd

OPENBARING 7 vs. 1—8.

Wij vervolgen de momentopnamen uit de geschiedenis van Dan.

De overval op Laïs.

Natuurlijk blijft daar staan het profetische woord van Jacob: „Dan zal zijn volk richten". Soms deed Dan dit inderdaad, voor een rechtvaardige zaak. Soms echter deed zij dit niet. Debora moet Dan verwijten dat, toen het er om ging zijn „broeders" te bevrijden van de terreur van de vijand, zij „niet thuis" gaf. Dan hield zich toen op bij de schepen aan de kust. Daar kon zij goed verdienen in de handel met de Phoenicische kooplui. Zo was Dan toen laf en egoïstisch, en weigerde dienst.

En zo is daar in de geschiedenis van de stam Dan dat gebeuren, ons verhaald in Richteren 18, waarin duidelijk uitkomt de schijndienst van deze stam. Schijnbaar wordt de Naam des Heeren geheiligd, in werkelijkheid ontheiligd. En in dit drama komt wel heel sterk uit het slangenkarakter van Dan!

Zij heeft gebrek aan levensruimte. Het gebied, haar toegewezen, ten Westen van Juda en Efraïm, langs de kust, heeft zij slechts gedeeltelijk echt in bezit. De Ammonieten drongen de Danieten weg. Daarom zoeken zij expansie. En zij menen een mogelijkheid hiertoe gevonden te hebben. Uitgezonden verkenners rapporteren dat er in het Noorden een prachtig gebied ligt, rondom het onbeschermde Laïs. De bevolking daar leeft er rustig, op niets bedacht. De Danieten vinden dit een kans, van God gegeven. En zo trekken zeshonderd gewapende mannen op om Laïs te overvallen.

Onderweg komen dezen bij de woning van een zekere Micha. Daar vinden zij een compleet particulier heiligdom, met efod en terafim. En met een Leviet, die daar dienst doet! Zij voeren deze Leviet mee, opdat hij bij hen zijn werk zou verrichten. Deze man is daarmee erg in zijn schik. Het betekent voor hem een promotie. Hij zal nu niet langer meer dienstdoen in een particulier heiligdom, doch bij een stam. Welke perspectieven openen zich voor hem! Hij zal nog een concurrent worden van het officiële heiligdom in Silo!

En de Danieten van hun kant zijn eveneens erg in hun schik met deze Leviet. Het is voor hen, alsof de Heere hen sanctie geeft op hun doen. Zij slepen Hem erbij en spannen Hem voor hun karretje. Zo moet Hij wel met hen zijn! Dat denken zij tenminste, maar de realiteit is natuurlijk anders. Want de Heere laat Zich niet voor het karretje spannen van een volk, dat op eigenwillige wegen gaat en zo niet Hem dient, maar zichzelf.

’t Is in deze geschiedenis alles schijnheiligheid, schijndienst, eigenlijk afgodendienst. Dan heeft niet werkelijk de Heere tot haar God, doch eigen zinnen en idealen, buiten Hem.

Onder de valse „wijding" van die avontuur-Leviet, overvallen de Danieten het niets vermoedende Laïs; zij moorden het uit en verwoesten het. Daarna bouwen zij het weer op en richten daar dan dat beeld van die Micha op, - richten daar een eigen eredienst in. In naam noemen zij het een eredienst, den Heere. Doch wezenlijk ligt het gans anders. Beeldendienst, afgodendienst! En zo vinden wij ook hier weer een opgericht teken van de slechte aard van Dan. Zij is als een slang, dubbelhartig. Aan de buitenkant schijnt zij argeloos en vroom, van binnen echter is zij vals en goddeloos!

Simson. Hoe ook in zijn leven het kwaad van Dan!

Wij kunnen hier niet voorbijgaan aan het feit, dat ook de richter Simson uit de stam Dan is. Wat zien wij eveneens in zijn leven sterk die zonde van de dubbelhartigheid!

Daar is in dit leven eerst weer de bijzondere genade Gods, Die Dan nog op bijzondere wijze bij Zijn volk houdt. Zelfs verwekt Hij dus uit deze stam nog een richter. Dit brengt voor Simson echter een bijzondere roeping mee. Als Nazireeër Gods moet hij op een geheel enige wijze staan in de dienst des Heeren. Hij moet Israël verlossen van haar vijanden, die in zijn dagen grote macht over het volk des verbonds hadden, en van haar geestelijk minderwaardigheidscomplex dat haar oorzaak vond in die vreemde overheersing en in eigen ongeloof. Bij dit alles moet het lange haar het teken zijn van zijn bijzondere roeping. Uitbeelding van zijn innerlijke kracht, welke de Heere hem gegeven had met het oog op de uitoefening van zijn taak. En waarmede hij dus zeker geen onheilig spel mocht spelen!

En nu wordt het erge in Simson's leven dit, dat zijn innerlijke gesteldheid niet correspondeert met zijn ambt en roeping. En dat is juist zo noodzakelijk. Het ambt staat toch niet los van de persoon, die het dragen moet. Het is geen jasje om zo eens aan en uit te trekken. Het wil als een heilig vuur branden in het hart van de ambtsdrager. Helaas gaat Simson innerlijk erg slordig om met zijn roeping en ambt. Niet ootmoedig, maar overmoedig. Ze dringen hem niet tot gebed, doch tot avontuur. En zo speelt hij met heilig vuur. In plaats dat hij ook in zijn persoonlijk leven de grenslijn eerbiedigt tussen het volk des Verbonds en de vijanden, de Filistijnen, overschrijdt hij die. De Filistijnse vrouwen hebben een sterke aantrekkingskracht op hem. Zelfs daarmee heeft de Heere Zijn wijze bedoelingen, maar dit praat de zonde van Simson niet goed. Door zijn zondige slordigheid vervalt hij van kwaad tot erger.

Wel moet hij nog richter, verlosser zijn, - de stok welke de vijand slagen toebrengt. Maar de staaltjes van zijn kracht blijven tamelijk onvruchtbaar. Omdat daarin de ware ernst ontbreekt en het avontuurlijk spelelement overheerst. Meestal zijn het reacties op moeilijke situaties, waarin hij zichzelf vanwege zijn zondig handelen gebracht heeft. Of het zijn daden, waarin het slangachtige van Dan zo uitkomt. B.v. wanneer hij de overmacht der Filistijnen wil breken door driehonderd vossen met fakkels tussen hun staarten het korenveld in te jagen.

Zelfs ondermijnt hij het prestige van zijn ambt op zulk een wijze, dat zijn eigen volk hem eens uitlevert aan de vijand. Door zijn onheilig leven maakt hij het ook anderen wel erg moeilijk om in zijn richterschap te geloven! En wijkt de Geest des Heeren nog steeds niet van hem en maakt Die hem nog weer tot overwinnaar, - als een echte Daniet ervaart hij dat niet als een zegen Gods, doch veel meer als een menselijk succes!

Het rijpen van het proces.

Hoewel de Heere hem telkens nog tot bezinning roept, zet Simson het roekeloze spel van de dubbelhartigheid voort. En tenslotte verslingert hij zich aan Delila, die meer nationalistisch bloed in de aderen heeft dan hij. Bij deze vrouw wordt het goed duidelijk, dat Satan alle pogingen in 't werk stelt om Simson het geheim van zijn kracht te ontfutselen. En in plaats dat Simson daartegen biddend waakt, weerstaat hij zonder gebed, op vleselijke wijze deze verzoeking. Waardoor hij echter uiteindelijk tegen de verzoeking niet meer op kan. Hij verraadt het geheim en zijn ambt èn de Naam van zijn Heere!

God neemt dit kwaad zó ernstig, dat Hij die Naam liever smaden laat in de tempel van Dagon, dan dat Hij hier de zonde ongestraft laat. Simson, de Nazireeër Gods, moet daar staan met uitgestoken ogen, een speelbal in de handen van zijn vijanden!

Echter, hoe blijkt dan, dat de Heere zelfs over deze richter nog genadig is! God handhaaft toch nog weer diens richterschap. Door Zijn bijzondere genade doet Hij in het hart van Simson nog een wonder zich voltrekken, - in de ellende brengt Hij hem tot waarachtige bekering. En Simson, die eerst de ogen wijd open had voor de wereld en haar begeerlijkheden, en te weinig voor zijn roeping, en voor het recht van zijn God, - krijgt nu wèl oog voor dat recht èn voor zijn eigen zonden. Hij buigt onder dat recht en onder de slaande hand des Heeren. En dit alles geschiedt, opdat de Heere hem nog één keer zou verhogen! Nog één keer moet Simson terug in zijn kracht, maar dan zoals God dit bedoeld had! Op het gebed, - dat steeds de zwakke plek was in Simson's leven. In dit bidden verdwijnt nu het dubbelhartige tussen zijn ambt en particuliere leven, - ambtsdrager en ambt worden één. Dit bidden is geen gebed vol persoonlijke wraakoefening. Ondanks alles, staat Simson immers toch in de rij der geloofshelden, in Hebreeën 11!

Neen, nu doorleeft Simson wat het betekent, dat maar niet zijn persoon, doch zijn Nazireeërschap en daarbij de eer Gods is aangetast. En vanuit deze doorleving bidt hij. En hij, die er tevoren steeds voor terugdeinsde om terwille van zijn ambt het offer te brengen, is nu zo veranderd dat hij dit brengt, in de hoogste zin van 't woord, - hij brengt het offer van zijn leven!

Wat is vanwege dit alles, Simson als een brandhout uit het vuur gerukt. Zo is hij toch richter geweest, niet door eigen trouw, maar door Gods bijzondere genade. Bijna zouden wij zeggen: „kantje boord”!

Jerobeam.

Vervolgens vraagt de geschiedenis van Israël onder koning Jerobeam onze aandacht. Deze is dus de eerste koning over het Tienstammenrijk, na de scheuring. Bij hem treffen wij wederom de typisch Danietische zonde aan.

Hij regeert, als een slang, sluw, schijnheilig, dubbelhartig. Hij wil zich immers handhaven tegenover Rehabeam, de koning van Juda. Deze heeft veel op hem voor. In Jeruzalem, de stad Gods, stond de tempel, het godsdienstig middelpunt van het volksleven. Jerobeam overlegt, dat het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Zullen zijn onderdanen toch weer niet naar Jeruzalem trekken? Zijn rijk mist een godsdienstig hart. Zal Rehabeam daaruit geen politieke munt slaan? Zo zal er weinig nodig zijn, of deze wordt koning over de twaalf stammen! Daarom gaat Jerobeam sluw te werk. Hij wil in zijn gebied eveneens religieuze centra. En zo richt hij de kalverendienst op in Bethel èn te Dan! Dit laatste niet voor niets! Vroeger was er toch ook al zo iets in Dan gebeurd!

Wat Jerobeam wil is wel geen openlijke afgodendienst, maar beeldendienst. In deze dienst geeft hij voor God te vereren. Echter, ten diepste wordt ze toch ook afgodendienst. Want Jerobeam dient met dit alles ten diepste zijn eigen zaak! Zo vinden wij hier weer hetzelfde als wat wij vroeger bij Rachel en Dan aantroffen, - de godsdienst dienares van de eigen zaak en van de eigen belangen! En dit onder een vroom tintje, 't Is eveneens weer het Farizeïsme in kiem. Goddeloosheid onder godsdienstig mom. Buigen voor God en de mensen, op de manier van de slang. Onverhoeds, op het meest gunstige moment voor zichzelf, toebijten!

Een volgend maal de afsluiting van deze artikelen over de vraag naar aanleiding van het ontbreken van de naam van Dan in Openbaring 7 en 8.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's