NIET ONTROERD!
Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos mij uit deze ure? Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. Vader, verheerlijk nu Uw Naam! Joh. 12 : 27, 28a.
(1)
Het is een bijzondere en aangrijpende bladzijde, die wij opslaan uit de lijdensgeschiedenis van de Heere Jezus Christus. Zoals u weet zijn we nu weer in de lijdensweken, en we maken ons op om bij vernieuwing te overdenken, hoe de Heiland en Zaligmaker zich voor ons heeft overgegeven tot de bange lijdensweg, die uitliep op het kruis. De stemming, waarin wij deze weken wel gedurig mogen verkeren, moge een stemming zijn van waarachtige en diepe ontroering; een stemming, die ons gemoed, ja onze ziel voor de Heere, zo klein en ootmoedig maakt.
Dit past ons reeds met het oog op al het lijden, zoals dat over Hem kwam, en dat Hij vrijwillig aanvaardde.
Eens weenden Jeruzalems dochters over Hem, met een wenen van bittere ontroering. Ze deden dit evenwel op verkeerde wijze! Want zij zagen in Hem niet de plaatsbekledende Borg, niet de verzoenende Middelaar, maar enkel en alleen een beklagenswaardig martelaar en een fel benauwde lijder....
Néén, zo mogen wij niet treuren; het zou oneer zijn voor Hem, die sterven moest om de zijnen, maar evenmin mag het zijn dat ons oog daaronder droog blijft, omdat we toch die Middelaar, die Zaligmaker en Borg, zien lijden om.... onzentwil, d.i.: om ónze zonden.
Daarom, wanneer onze ziel nooit om zijn lijden ontroerd is geweest, dan staan we nog beneden die vrouwen, en sluiten ons hart toe, om ook maar énige vrucht van zijn borgtochtelijk werk, tot zaligheid te ontvangen. En — wié moét er ook niet ontroerd zijn? Vooral, als we lezen in het gekozen tekstwoord, hoe het feit van zijn a.s. lijden ook Hemzelf heeft ontroerd en ten diepste aangegrepen, hoe moet dan die ontroering van Jezus ook onze ziel beroeren? Of — was het niet om ons, was het niet door onze zonden, dat wij Hem al die smart en dat leed berokkend hebben?
Zó, dat het Hem tot het allerdiepst geschokt en in zijn ziel beroerd heeft? Wat een liefde moest Hij hebben, wat een grote zondaarsliefde, dat Hij dit leed, dat bange en vervloekte kruis niet geweigerd heeft te aanvaarden, maar zich willig heeft gebogen om zo onze vloek te dragen. Wie moet zó'n liefde niet aangrijpen?
Nog meer — wie ooit een ogenblik bedenkt, hoe diep hij is gevallen en hoe groot zijn verdorvenheid is, dat alleen de dood des Zoons hem van de hel kan verlossen, die wordt ook zelf ontroerd, als hij in het Woord ontwaart de schrik van Gods eeuwige toom, die ook Jezus' ziel verschrikt heeft.
Zo'n mens wordt aangegrepen, zo'n mens wordt diep ontroerd, omdat hij zelf de oorzaak is van Jezus' diepe ontroering.
Nu, deze zalige ontroering verwekke Gods Geest in ons hart, en Hij gebruike daartoe ook de uitleg van deze woorden, die spreken van Jezus' ontroering.
Hoe zullen we ons toch moeten wegschamen, als de ontroering over alles, wat de Christus heeft geleden, bij ons volkomen ontbreekt.
Of, zijn wij niet de belanghebbenden? Is het niet voor ons geweest, tot behoud van onze ziel, dat Hij dit alles leed wat zijn menselijke ziel zo beroerde?
Maar wat voor mensen zijn wij dan, als zijn zielsworsteling en smart ons niet schokken tot diep in de ziel?
Zeker, dan zouden wij mensen zijn, die wel de mond vol hebben over de geestelijke dingen, maar bij wie toch in het hart de zaken niet leven.
Daiarvoor beware ons de Heere. Ons allen doe Hij kennen de ware droefheid naar God, die altijd werkt een onberouwelijke bekering, die tot zaligheid leidt.
Het is een zeer aangrijpend en eigenlijk huiveringwekkend woord, als wij in onze tekst lezen, dat Jezus zegt: „Nu is mijn ziel ontroerd..." Een woord, dat ons, bij nadenken, met heilige schroom vervult en ons aarzelend doet stil staan.
Dit woord leidt ons in in het allerverborgenste van Jezus' zieleleven; in het innerlijkste van Zijn gedachtenleven, in de overleggingen van Zijn hart. D.w.z. in de bewegingen en deiningen van Zijn echt menselijke ziel.
En wie zal hier niet terugdeinzen? Wie moet hier niet aarzelen en beven? Want wie heeft ooit het recht om zonder meer binnen te treden in het heiligdom der ziel, dat toch het allerheiligste is van onze persoonlijkheid!
Reeds bij een mens is dat zo, maar hoeveel te meer dan bij Jezus! Ja, bij Jezus, die we zó toch eigenlijk niet kennen, en ons zó maar moeilijk kunnen voorstellen; die altijd voor ons leeft als de Held, de Onverschrokkene; die hier nu voor ons treedt in een zwakheid der ziel, aan ons mensen zo eigen.
Is dit nu, dit nu ... Jezus?
Inderdaad! Nergens anders dan hier komt wel openbaar de waarachtige menselijkheid van de Heere Jezus Christus. Het blijkt immers hier, dat ook Hij, als ieder van ons, toch onderhevig kon zijn aan wisselende spanningen en aandoeningen in het gemoed. Hij is nu ten prooi aan een heftige zielsontroering.
Wat is hiervan de oorzaak? Zie tot nu toe was de beweging van Jezus' ziel als een gelijkmatige zee, omdat de krachten en vermogens en aandoeningen van Zijn menselijke ziel in volkomen harmonie waren. Ja we kenden Hem wel in Zijn droefheid en toom, als Hij met het leed der mensen en met de boosheid in aanraking kwam, maar nog nooit zagen we bij Hem een dergelijke geschoktheid, ontsteldheid en verwarring, als Hij hier openbaart. En dat ook zo plotseling, opeens, omdat het Hem perst tot de bittere klacht: „Nu is mijn ziel ontroerd..!" Nogmaals: wat heeft Zijn ziel zo bewogen?
In de tekst zelf krijgen we op deze vraag zo geen antwoord, maar toch valt het wel te raden, omdat uit het hoofdstuk blijkt dat het de lijdensangst is, die Hem heeft aangegrepen.
Daarvoor was ook een aanleiding.
In het begin van ons hoofdstuk wordt ons duidelijk aangewezen, dat het nog enkele dagen is eer Jezus met zijn discipelen het laatste Pascha zal vieren, en dus is de dag aanstaande, waarop Hij zal worden gegrepen en heengeleid om aan het kruis geslacht te worden als het Lam voor de zonden der wereld.
Zojuist hebben enkele Grieken de wens te kennen gegeven, dat ze Jezus wilden zien, en in dit dringend verzoek heeft Hij ongetwijfeld beluisterd het vervuld worden van het oud-profetisch woord, dat ook de Heidenen zullen komen en vragen naar de wortel van Isai, en Hij dus zo zal zijn de Behouder en de Redder der wereld. Maar om Zijn discipelen alle aardse waan te ontnemen, die ze nog zo dikwijls koesterden, laat Hij er terstond op volgen, dat het tarwegraan in de aarde moet vallen en sterven, opdat het niet alleen blijve, maar rijke vrucht voortbrenge.
En dan volgt in onze tekst het plotseling getuigenis van zijn zo diepe geschoktheid, als Hij zegt: „Nu is mijn ziel ontroerd ...!" Ja, Jezus' ziel wordt ontroerd.
Plots gaat daar voor Hem open, die bange lijdensweg, die Hij als Borg moet gaan. Zijn wachtend lijden ligt in alle omvang en diepte daar plotseling voor zijn oog. Het slaat Hem a.h.w. door de ziel. Het grijpt Hem heftig aan en doet al zijn kalmte wijken. Hij voelt innerlijk een diepgaande huivering.
O, die verschrikkingen van zijn lijden en sterven, onder de haat en de hoon zijner vijanden, in verlatenheid van de zijnen, en meer nog van Zijn Vader. O, dat komen in het geweld van de hel, dat vallen als in de handen van Satan, zie, dat verwekt in Hem een ontroering, die zijn gehele ziel schokt. Jezus is hier diep ontroerd!
Maar bevreemdt u deze ontroering? U zegt: „Hij wist het toch en Hij was daartoe toch gekomen? Was het geen vrijwillige daad, toen hij de hemel verliet, om de Vader gehoorzaam te zijn tot de dood, ja de dood des kruises? Inderdaad, maar dit alles zal u duidelijk worden als we die ontroering nader gaan ontleden, en proberen te verstaan wat het karakter daarvan was.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's