UIT DE PERS
’t Blijkt telkens weer een hachelijke zaak te zijn als de kerk zich bezighoudt met politieke vraagstukken. Hachelijk omdat zo licht de stem van het Evangelie vereenzelvigd wordt met een bepaald politiek standpunt. Wat als verkondiging wordt aangediend, blijkt in wezen een politiek program te zijn.
Hachelijk ook, omdat men wel eens de indruk krijgt dat de zaken op een afstand bezien worden, waarbij de vraag direct boven komt: Is de werkelijke stand van zaken zodanig als ze door iemand vanuit de Nederlandse situatie wordt weergegeven.
Uiteraard is daarmee niet gezegd dat de kerk geen roeping zou hebben ten aanzien van overheid volk. Integendeel, juist hier heeft art. 36 van de N.G.B. 't een en ander te zeggen. Maar de vraag naar de zuiverheid van het kerkelijk spreken is hier wel in het geding.
Naar aanleiding van een protestmars.
De hierboven geformuleerde overwegingen kwamen bij mij op bij de lezing van enkele reacties op de protestmars van dominees en priesters, gehouden in Amsterdam op zaterdag vóór het Kerstfeest, tegen de oorlog in Vietnam. U hebt kunnen lezen hoe deze mars van verschillende zijden toegejuicht en verdedigd is, als een getuigenisdaad bij uitstek. Uiteraard zal niemand de zuiverheid en oprechtheid van de bedoelingen van de initiatiefnemers in twijfel trekken. Dat de ontwikkeling in Vietnam ons voor vragen stelt, ons met zorg en deernis voor de slachtoffers van de terreur moet vervullen, zij direct toegegeven. Wie zou niet protesteren tegen leed en onrecht! Wie durft zeggen dat hij klaar is met het oorlogsvraagstuk?
En toch blijven er naar aanleiding van deze protestmars vragen over. Ik geef u een tweetal reacties vanuit verschillend gezichtspunt geschreven. Allereerst een gedeelte uit een artikel van ds. M. W. J. Geursen, pred. te Australië, dat we aantroffen in het blad „In de Waagschaal" van 4 febr. 1967. Ook collega Geursen is - begrijpelijk - verontrust over de Amerikaanse politiek in Azië, en heeft kritiek op de wijze waarop de Amerikanen de oorlog voeren. „Toch" - zo schrijft hij - „zou ik niet met Buskes en zijn vrienden kunnen meelopen in een protestmars onder de banier: „In Christus' naam, ophouden in Vietnam ..." Ds. Geursen weet namelijk niet goed aan wie hij deze protesterende uitroep moet adresseren.
De protesterenden richtten zich tot president Johnson, en ook tot het Nederlandse volk, dat via zijn regering doorgaat Amerika te steunen in de oorlog in Vietnam. Waarom richtten ze zich ook niet tot de regeerders van Rood-China, dat niet slechts zijn communisme wil exporteren, maar heel duidelijk geopolitieke doelstellingen heeft. Waarom richtten zij zich niet tot de Vietcong, die degenen waren, die met de wapenen in de hand de demarcatielijn van Geneve overschreden en in Zuid Vietnam penetreerden, middelen gebruikend, die wreder waren dan wij durven te beschrijven. Een zeer groot deel van de leden van het Zuid Vietnamese bestuursapparaat werd wreedaardig afgemaakt — het was een helse terreur.
Zijn diegenen, die vergelijkingen trekken tussen deze situatie in Azië met de Europese verhoudingen in de dagen van München 1939 zo faliekant mis?
Wat zou er met Z.O. Azië, met Indonesië, met Australië gebeuren, als de Amerikanen gehoor gaven aan de protesterende vraag van de Amsterdamse geestelijken? Wat gebeurt er als Amerika zich zou terugtrekken?
Heeft men de moed zich een beeld te vormen van de wreedheden, die dan zouden plaats vinden in Zuid Vietnam en Z.O. Azië?
Ik moet eerlijk bekennen, dat ik er niet uit kom. Ik weet aan de ene kant, dat de historische dynamiek op den duur het Westen weinig kans zal laten om met wapengeweld of met culturele of economische middelen een deel van Azië onder zijn invloedssfeer te houden.
Nederland moest Indonesië opgeven — de historische ontwikkeling dicteerde dat als een onontkoombare noodzaak. Maar ik weet aan de andere kant, dat de prijs die dit deel van Azië zelf voor deze zogenaamde vrijheid moest betalen, zeer hoog is.
Wat de Aziaat zijn broeder kan aandoen, is niet gering. Men herinnere zich slechts de 400.000 mensen die in '65 en '66 in Indonesië vermoord werden vanwege hun politieke overtuigingen. Dit is een bittere paradox, waar ik niet uit kom. Ik zie niet veel licht voor mijn morele, politieke beslissing.
Toen Eisenhower met zijn troepen in Normandië landde, bevocht hij met helse wapenen de vrijheid voor millioenen ontrechte mensen. Wij danken de vrijheid en het recht van West Europa voor een zeer groot deel aan deze landing.
De Amerikanen staan (nog) in Vietnam. En ik weet geen alternatief. Ik ben bang, dat het deel van de wereld, waarin ik leef en werk, het een en ander te danken heeft aan dit (op zichzelf kwalijke) feit.
Dat zijn overwegingen van iemand, die de zaak betrekkelijk van nabij meemaakt. Overwegingen, die de aandacht waard zijn. Temeer, omdat ze gepaard gaan met een eerlijke erkenning er niet uit te komen. Natuurlijk, dat laatste kan een dooddoener zijn. Is het niet typisch Hervormd om te zeggen dat je „er niet klaar mee bent? " Maar soms is dit eerlijker dan een zwart-wit tekening, die de werkelijke verhoudingen vertekent. Moet inderdaad ds. Geursen niet toegegeven worden dat het protest zich wel eens wat erg eenzijdig op Amerika richt, dat het communisme als macht en als ideologie wel eens onderschat wordt?
Het bezwaar van ds. Geursen wordt gedeeld door ds. Oomkes, die in de Friese Kerkbode van de Geref. Kerken over deze zaak schrijft (overgenomen in „Waarheid en Eenheid" van 27 jan.)
Eenzijdig protest.
Ook ds. Oomkes erkent het goed recht van een protest tegen onrecht. Maar ook hij laakt de eenzijdige en te milde kijk op het communisme. Tevens roert hij nog een ander aspect aan:
In verschillende steden worden maandelijks protestmarsen gehouden tegen de oorlog in Vietnam. Dat is een goed recht dat de burgers in een democratisch geregeerd land is toegekend. En wanneer deze optochten bedoeld zijn als middel om ons wakker te schudden en ons te doen beseffen dat er verschrikkelijke dingen in onze wereld gebeuren, die ook ons niet met rust mogen laten, dan heeft dit alles zeker zin, naast de politieke middelen, die ons ten dienste staan om uiting te geven aan ons protest.
Nu is het jammer, dat de protesten, die meegedragen worden, zo eenzijdig gericht zijn, n.l. tegen wat Amerika doet. Dat was ook weer het geval met de protestmars van dominees en priesters. Deze werd gehouden in Amsterdam op zaterdag voor Kerstmis.
Het idee hiervoor ging uit van de bekende hervormde predikant, dr. K. Strijd, één van de vooraanstaande leden van de pacifistische vereniging „Kerk en Vrede". In allerijl werd een kleine commissie gevormd, waarin o.a. pater Van Kilsdonk en ds. Nagel, geref. predikant, zitting hadden Zij organiseerde de zaak en stelde de leuzen op, die meegevoerd zouden worden. Het bekende recept: Amerika moet er mee ophouden en z'n troepen terugtrekken. Een honderdtal predikanten „geestelijken" en professoren in de theologie, nam er aan deel. Sommige kranten schreven: tweehonderd. Maar het getal doet niet ter zake.
Maar wat wèl ter zake doet is de vraag: Waarom uitsluitend tegen Amerika? Waarom niet tegen het communistisch Noord-Vietnam, dat begonnen is met z'n infiltraties? Waarom niet tegen de Rode Gardisten in China, die kerken sloten voor de eredienst of ze platbrandden? Waarom niet tegen Rusland, dat èn joden èn christenen verdrukt? Waarom niet tegen het Islamitisch regiem in Soedan, dat probeert kerk en christendom te vernietigen. (Dagelijks vluchten er velen naar andere landen). Waarom niet tegen het communisme in de Oost-Europese landen, dat de vrijheid van godsdienst tekort doet? En zo zouden we door kunnen gaan.
Wat mij vooral trof in een toelichting of interview van ds. Nagel was, z'n milde kijk op het communisme - iets wat we meer, ook bij gereformeerden tegenkomen. Maar vooral z'n beschouwing over de overheid: „De kerkmens leeft nog met de gedachte, dat de overheid door God is aangesteld; die moet je dus gehoorzamen. Een bepaalde interpretatie van Romeinen 13 doet nog steeds opgeld. Dat wordt zo langzamerhand levensgevaarlijk". Hij vindt dat maar iets „griezeligs".
Ja, het wordt hoognodig tijd, dat wij art. 36 van onze Ned. Geloofsbelijdenis veranderen. Daar staat immers dat „griezelige" te lezen: „Voorts is een ieder, van welke hoedanigheid rang of stand hij moge zijn (dus ook een predikant, E.J.O.), verplicht zich aan de overheden te onderwerpen, belasting te betalen, hun eer en eerbied te bewijzen en hun gehoorzaam te zijn in alle dingen, die niet strijden tegen Gods Woord en voor hen te bidden ".
„Levensgevaarlijk", zegt ds. Nagel. Opruimen die mijn! Terwille van de vrede van ds. Nagel. (Je krijgt onvrede met jezelf door alleen maar te bidden „geef ons vrede", zegt hij) en van de vrede van Vietnam. Daarom: van de kansel af, de kerk uit, en de straat op!
De commentator van „Waarheid en Eenheid" nodigt ds. Nagel uit om uiteen te zetten hoe Romeinen 13 dan opgevat moet worden. Duidelijk blijkt hoe ook in deze vragen de visie op de Schrift in het geding is. Zeker, wij zijn niet van de actuele problematiek af met een goede exegese van Romeinen 13, en een dito-interpretatie van art. 36. Maar dat dit mede in het geding is, staat vast. Opdat het politieke spreken van de kerk en de theologie zuiver blijve en niet vertroebeld wordt door humanistische overwegingen.
Problemen onderschat.
Tegelijk met deze reacties las ik een artikel van de Kamper hoogleraar Prof. Dr. G. Th. Rothuizen in 't Geref. Weekblad van 3 febr. Het handelt over de Carillon-pocket van Dr. K. Strijd, 52 vragen over oorlog en vrede.
Zoals u weet, is Dr. Strijd één van de voormannen van de organisatie Kerk en Vrede. In de hierboven genoemde pocket zet hij zijn pacifistische standpunt uiteen. Een van de - voorzichtig gestelde - bezwaren van Rothuizen is dat Strijd de problemen onderschat. In dit verband komt ook communistisch China en Rom. 13 ter sprake. Rothuizen schrijft in dit verband het volgende, dat we u tenslotte doorgeven:
Ik behoor tot degenen, die vinden dat Rood-China door de buitensluiting buiten de VN tot de meest vernederde naties der wereld behoort. Maar om nu van het daarin heersende communisme te zeggen dat het zo „vitaal" is en niet veel meer of anders (terwijl nog vóór het moordende optreden van Mao's Rode Garde óók Strijd bekend kon zijn, over hoeveel lijken dit communisme tot stand is gekomen), dat is mij po-litiek te simpel. Dan is het mijn vaste mening, dat de schrijver de problemen die zich, wanneer wij werkelijk gaan ontwapenen, onderschat. Natuurlijk moeten wij ze niet uit de weg gaan, maar we moeten ons wel realiseren, wat we doen, en dat daar niet weinig politieke en economische, behalve militaire maatregelen bij komen kijken. Het zijn juist uitspraken van iemand geweest, die dichter bij Strijd staat dan bij mij - Professor Röling - die mij van de ernst van deze zaak heeft overtuigd.
Tenslotte: men kan van mening zijn dat Romeinen 13 niet direct over het leger spreekt ter bescherming van het verschil tussen goed en kwaad, maar van de politie. Maar wie zal zeggen, dat juist de laatste zonder het eerste kan?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's