NIET ONTROERD! (2)
Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos mij uit deze ure? Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. Vader, verheerlijk nu Uw Naam! Joh. 12 : 27, 28a.
Om te beginnen droeg de zielsontroering van Jezus het karakter van een plotseling, opkomende, hevige inwendige strijd. Ze ontstond uit de botsing van verschillende invloeden. Welke? Zeker was Jezus gekomen om het Middelaarswerk op zich te nemen, en het was Hem ook bekend, dat het einde daarvan de dood was, omdat Hij alleen in en door zijn verzoenend lijden en sterven zijn volk verlossen kon. Dat alles was Jezus niet vreemd. Alleen, tot de volbrenging van deze taak had Hij op de aarde moeten komen, en een menselijke natuur moeten aannemen, en deze nu brengt mee, zoals dat bij ieder mens is, een sterke aandrift tot leven. En dus niet een ondergaan in smarten, smaad en hoon, maar een leven in vreugde en eer. En toch móet Hij óndergaan en 73I Hij zijn leven eindigen; en het zijn deze invloeden, die elkaar tegengesteld zijn, die nu worstelen in zijn ziel. Als een worsteling tussen het vlees en de Geest, tussen zijn menselijke natuur en zijn goddelijke Persoonlijkheid, een worsteling van wil tegen wil.
Zeker had zich in Gethsemané zijn menselijke wil onderworpen aan de heilige wil van Zijn Vader, maar juist daar ligt dan ook de erkenning én de openbaring van die andere, eigen wil, die behoorde tot zijn menselijke natuur, en die altijd wil in de richting vanaf het kruis, terwijl zijn goddelijke wil Hem juist leidde en dreef naar het kruis.
En deze botsing nu van zo ongelijke belangen, dit tegen elkaar schokken en botsen van stromingen in het innerlijkste van Zijn zijn, dat beweegt op het diepst zijn ziel, waarom Hij de klacht uitstoot: „Nu is mijn ziel ontroerd”.
Want Jezus heeft een echt menselijke ziel en die wil immers bij niemand ooit aan de weg van het lijden!
Heel treffend staat er ook in de tekst, dat Jezus' ziel ontroerd is, en niet zijn geest! En waar de geest de zetel is van de religieuze aandoeningen, is de ziel die van de natuurlijke. Zij is de zetel van al die aandoeningen, die samenhangen met onze persoonlijke belangen.
En dus zijn het hier het a.s. bittere lijden, de angst en de vreze des doods, die zijn ziel a.h.w. tot ontsteltenis toe verwarren. Hij ziet daar voor zijn oog de weg, die Hij moet gaan, en zijn echt menselijk hart huivert daarvoor terug.
Ja, dit schokt Hem in het gemoed! Het ontneemt Hem alle kalmte en rust voor een poos; zijn innerlijke harmonie wordt verstoord, de wateren van zijn ziel worden tot de bodem bewogen ...!
Maar daar komt nog iets bij. Om de strijd van Jezus, en de ontroering daaruit, ten diepste te kunnen verstaan, moeten we wel voor ogen houden het borgtochtelijke en plaatsbekledende in Jezus' lijden en sterven, waardoor Zijn lijden zo geheel verschillend is van óns smartenlijden, of van het lijden van een martelaar, die om des geloofs-wille sterft.
Wie Christus niet ziet als Middelaar, maar slechts als martelaar, die moet er wel toe komen Hem te stellen beneden zovele martelaren, die vrolijk en blij, soms zelfs psalmen zingend de dood zijn ingegaan.
Is Christus dan minder dan dezen?
Neen, want achter zijn zielsontroering staat de last van de toom des Vaders, staat de vloek van een heilige God en de gramschap van een rechtvaardige Rechter. Neen! Niet het naderend menselijk lijden zonder meer knauwde in deze ure zijn ziel, maar het felle van Gods toorn en de zwaarte van de vloek hebben hier zijn ziel verschrikt. Die persen Hem hier tot de klacht: „Nu is mijn ziel ontroerd ..." En — hierom juist heeft deze ontroering van Jezus ons zo heerlijk veel te zeggen!
Want o, wat ligt er nu in deze echt menselijke ontroering van Jezus voor ons een schat van vertroosting. Het is niet uit te spreken hóeveel! Hij, die God uit God is, echt mens geworden is, en ...dezelfde wisselende gemoedsstemming m eigen ziel heeft gekend, waaraan wij zo (dikwijls lijden! Hoe wisselen hoop en vrees m ons leven veelal af! Soms is er het blij vooruitzicht, dat onze ziel komt strelen, maar plotseling grijpt de angst ons weer aan, dan voor het een, en dan weer voor het ander! Hoe kan vooral die angst voor lijden en pijn, die angst voor dood en sterven ook Gods kinderen dikwijls aangrijpen! Dat des te meer, als er geen innerlijke en vaste zekerheid is, dat Gods gunst ook dan met ons zal zijn, als het stervensdoel bereikt wordt, en de donkere poort zich opent. Hoe kan er dan vrees zijn!
Hoe benauwd en beangst en ontroerd is dan menigmaal de ziel, zodat je met Jezus moet zeggen: „Nu, ja nu reeds, hoewel het nog zo ver niet is — nu is mijn ziel ontroerd! Nu, nu ik het alleen nog maar zie aankomen. Nu is mijn ziel ontroerd!”
Maar — wat heerlijke wetenschap dan! Dat Hij, die Heiland en Borg, die liefhebber van uw ziel, óók dié zielsontroering kent en zelf heeft doorgemaakt, ja. Hij nog veel zwaarder. Want wij kunnen onze weg tevoren niet overzien! Wij weten niet wat ons wacht! Wij lijden dikwijls 't meest, door 't lijden dat men vreest en — dat nooit op komt dagen! Zo hebben we meer te dragen, dan God te dragen geeft!
Meestal is het zo, dat de Heere onze weg voor ons verborgen houdt, opdat wij niet nodeloos ons tevoren zouden bezwaren, en niet reeds eronder gebukt gaan. Maar Hij daarentegen heeft met klaarte overzien al wat Hem zou overkomen; Hij wist dat het en ook wat daar komen zou.
Maar hoe kan Hij nu in alles ons te hulp komen! En hoe mogen we nu onze ontroering Hem altijd bekend maken.
Hoe mogen we Hem onze echt menselijke vrees en terugdeinzing voor het lijden laten zien! Hij zal ons er niet om verachten. Heeft Hij zelf het ook niet gekend? Hij kan u zo verstaan,
En dat is nog niet alles!
Want Hij ontroerde als de Borg, die uw zielsontroering droeg, maar dat is dan bovenal die ontroering, die u zo beven doet bij de gedachte aan het naderend gericht. Het was een schuldverzoenend en strafwegnemend ontroeren dat we hier van Jezus lezen, en — dat troost nog bovenal. Immers, als nu uw ziel zich ontroert, niet enkel om het tijdelijk lijden, maar uit angst voor het gericht, omdat u zich een zondaar weet, ziet, dan is Jezus ontroerd geworden, en dat in uw plaats, opdat u zich zoudt verheugen, eeuwig en altijd.
Hoevelen zijn er niet, die zó vaak ontroeren. Het is een zalige ontroering, ook een noodzakelijke ontroering. Kent u déze ontroering ook?
Als ge nog in eigen kracht uw hart zoekt te pantseren tegen de vrees voor de dood, en die dood maar steeds wegdenkt; als u zich alsmaar verhardt, geen enkele vermaning u iets doet, o, dat dan toch déze zielsontroering van Jezus eens uw ziel ontroere! Ontroere vanwege en over de hardigheid van uw hart, over uw zonde en ongeloof! Bedenkt toch, dat Hij ontroerd is geweest vanwege uw zonden, toen die door God op Hem kwamen! Waar zult u dan moeten blijven, als God ze eens op ü zal leggen, en u die zelfs moet dragen?
Werkelijk, deze dingen mogen u wel ontroeren! Want u vindt geen geluk om een verbond met de dood en een voorzichtig verdrag met de hel te maken. Dat zal toch betekenen: een verwerping van de Christus en een vertreding van zijn bloed! U zegt dan geen Borg nodig te hebben; maar wat zal u, buiten Hem, wachten? De gedachte daaraan alleen moge u doen sidderen en beven, om het lot, dat u straks eeuwig wacht.
Brenge de zielsontroering, die Jezus leed over uw zonden, u in de schuld voor God, en tot verootmoediging en in het verborgen op de knieën. Opdat u Hem mag vinden als de Verlosser van uw ziel, als de Redder van uw leven, in wie God tot u spreekt, als Hij zegt: „Ik zal ze van het geweld der hel verlossen en zal ze vrijmaken van de dood”.
Indien u hier echter iets van kent, en uw ziel zich ontroert uit angst voor de dingen, die u wachten om uw zonde, en dit alles u uitdrijft tot Hem — met zuchting en geween — bedenkt dan, dat Jezus uw ontroering reeds voor u gedragen heeft. Hij, om erin onder te gaan, maar opdat u er eeuwig van bevrijd zoudt worden.
Ziet, zo zult u rust vinden en vrede voor uw ziel. En uw ontroering zal in blijdschap veranderen. Dit is zeker. Want Jezus was nu wel ontroerd, maar Hij is het niet gebleven, doch Hij heeft de eeuwige vreugde verworven. En die wordt ook het deel van allen, die door het geloof zich op Hem verlaten.
Zoekt dan op Hem te vertrouwen. En wat er dan ook kome: „Uw hart worde niet ontroerd! Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij", zegt Jezus. Straks wacht u de hemelse zaligheid, waarin u ook ontroerd zult zijn, maar dan van blijde en verwonderende dankbaarheid over zo'n grote zaligheid, die Hij voor u aangebracht heeft. Geloofd zij Jezus Christus!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's