De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Weer Jacobs profetie

9 minuten leestijd

Weer Jacobs profetie.

Na deze uitweiding over de geschiedenis van de stam Dan, moeten wij nog één keer terugkeren naar Jacob op zijn sterfbed. Stellig heeft hij, profetisch verlicht, de werking van de zonde bij Dan voorzien. Des te opvallender is het, dat hij, juist na zijn profetie aangaande Dan uitroept: „Op Uwe zaligheid wacht ik, Heere!”

Wat moet er van Gods Verbond en volk terecht komen, wanneer de zonde bij Dan zó zal voortwoekeren en de Heere daarover in het gericht zal treden? Alle grond moet Jacob onder de voeten wegzinken. Hoe kan God nog Zijn Verbond houden als Dan zulke zonden koestert en zo geschiedenis zal maken? Zal er nog iets terecht komen van het volk des Verbonds, dan zal dat niet te danken zijn aan het geslacht van Dan, noch aan de andere stammen. Welk een onwaardigheid en onmogelijkheid stapelen déze op! Wat moet Jacob nog verwachten van dit uitverkoren vlees?

Hij moet geestelijk op adem komen. Hij kan niet meer geloven in het heil des Heeren, beloofd aan zijn nageslacht als hij slechts ziet op zijn eigen vlees en kinderen. Hij moet daarover heen zien. En dat doet hij, terwijl hij uitroept: „Op Uwe zaligheid wacht ik, Heere!”

Veel van wat hij aangaande zijn kinderen profeteren moet, vindt hij terug in zijn eigen leven. Zo is deze uitroep een schuldbelijdenis én een geloofsbelijdenis. Hij zoekt het heil buiten zichzelf en zijn kinderen, — in de God des Verbonds, in Diens beloften, welke ja en amen zijn in de beloofde Christus!

Het vergaat Jacob hier als óns vaak. Wanneer wij alléén zien op de zichtbare Kerk, dan kunnen wij niet verder. Wat een zonden en schuld, — wat veel, dat in strijd is met de ere Gods! O, als de Heere eens in het gericht zou treden? Ook wij moeten geestelijk op adem komen. En wij kunnen alleen weer verder, wanneer ook wij, als Jacob de zaligheid buiten onszelf en die empirische Kerk zoeken. In de beloften van de genadige en getrouwe God des Verbonds, in deze God zelf. Die Zijn Zoon heeft overgegeven!

In Wien de zaligheid gerealiseerd.

„Uwe zaligheid", zo horen wij nogmaals Jacob uitroepen. Deze wordt ten volle realiteit in en door het werk van Christus. In Hem richt God, meer hoe anders dan Rachel eens en dan de stam Dan! Hij richt op heilige wijze, zoals Hij alleen dat kan. Hij richt de zonden, ook die van Rachel en Dan. Alle schijnheiligheid en onheiligheid. Aan het kruis! Daar laat Hij zien, wie de mens eigenlijk voor Hem is. Doch daar toont Hij tevens Zijn grote ontferming. Voor allen, die Zijn gericht over hun zonden leren aanvaarden en hun bestaansgrond voor Hem buiten zichzelf leren zoeken in deze gekruiste Christus! Ja, aan het kruis gaat Gods gericht over Christus de Heilige, voor anderen één stuk onheiligheid geworden. Doch dit gericht rechtvaardigt déze goddelozen, spreekt hen vrij en geeft hen het recht op het kindschap Gods en op het eeuwige leven.

De stam Dan verachtte deze Genade.

En wat nu de stam Dan betreft, - ook onder haar was er een overblijfsel naar de verkiezing der genade -, niet alle kinderen van Dan zijn verloren gegaan. Echter, over het algemeen, heeft deze stam de door God beloofde en door Christus bewerkte zaligheid ten zeerste veracht.

Zij lag onder de vloek van haar afstamming, van het dubbelhartige, het schijnheilige en onheilige. Maar daar waren ook voor haar de eeuwen der genade. Waarin ook zij geroepen werd van Godswege. Doch zij hoorde niet. Zij koesterde haar zonden, en 't kwade proces rijpte. Uitvoerig gaven wij hiervan de illustraties. Juist in haar midden werden de eigenwillige godsdienst en afgoderij onder vrome schijn al sterker. En werd de kiem van het Farizeïsme gelegd.

De meest erge openbaring van dit kwaad vinden wij bij de Farizeeërs in Jezus' dagen. Hij deed Zijn roepstemmen uitgaan tot het volk. Doch toen gedroegen zij zich als mensen, die ook de Naam des Heeren nog bij hun praktijken aanhaalden, maar zichzelf op het oog hadden en hun machtspolitiek uitoefenden, zelfs in „kerkelijke" zaken. Zij richtten het volk ook als slangen. Zij bouwden tempels en altaren, maar veel meer voor zichzelf, dan voor de levende God. En zij deden dit nog geraffineerder dan Jerobeam. Want deze deed het nog op plaatsen, buiten het officiële heiligdom, in Dan en in Bethel. Maar zij deden het in de wettige tempel te Jeruzalem. En wat heeft toen als uitloper van dit alles de slang Christus dodelijk gebeten! Wat meenden zij bovendien, dat God de Christus richtte, toen Deze aan het kruis hing. „Indien Gij Gods Zoon zijt, kom af van het kruis!" Echter, zij waren blind voor het feit, dat God hier op een geheel andere wijze richtte!

Waarom Dan niet genoemd wordt in Openbaring 7.

Na de uitvoerige uitweiding over de geschiedenis van de stam Dan verstaan wij nu toch wel, waarom haar naam gemist wordt in Openbaring 7. Het bepaalt ons bij het feit, dat de Heere ook met Dan nog veel geduld gehad heeft. Het heeft aan roepstemmen en waarschuwingen niet ontbroken. Merkwaardig, - in Ezechiël 48, in het visioen van de nieuwe stad Gods staat nog een poort open voor Dan. Maar in Openbaring 7 wordt zijn naam gemist. Het heden der genade, juist voor de kinderen des Verbonds, heeft een einde. Het uitstel van Gods gericht betekent geen afstel. Er zullen er binnen komen uit Noord en Zuid, doch kinderen des Koninkrijks zullen buiten geworpen worden. Het zijn die kinderen des Verbonds, die tegen beter weten in, voortgaan op de weg van hun eigenwillige godsdienst, dubbelhartigheid, schijnheiligheid en Farizeïsme. Op deze weg kan het proces van de zonde rijpen tot algehele verharding en tot de zonde tegen de Heilige Geest. Voor hen, bij wie de zonde zo rijpte, is geen plaats meer in de nieuwe stad Gods!

Een merkwaardige oude traditie.

Er bestaat een oude traditie, reeds bij Irenaeus (± 175 n. Chr.) en Hippolytus (± 250 n. Chr.) te vinden, welke zegt, dat uit de stam Dan de Antichrist zal voortkomen. Daarom zou deze stam niet geteld worden onder de geredden. Deze traditie berust op een onjuiste uitleg van Jeremia 8 vs. 16. Toch ligt ze wel in de lijn van al het voorafgaande, wat wij over de stam Dan opmerkten!

Wij betrekken onszelf erbij.

Het ontbreken van de naam van Dan in Openbaring 7 zegt ons, dat niet alles Israël is, dat Israël heet. En dit zij ons ter waarschuwing.

Wij zijn ook kinderen des Verbonds in deze zin, dat wij gedoopte mensen zijn, tot wie de beloften Gods voortdurend komen. Uit louter genade, zonder enige verdienste onzerzijds wil Hij, om Christus' wil en door de inwoning van de Heilige Geest in onze harten, onze God zijn. Wat een voorrecht! Maar ook, wat een verantwoordelijkheid! Ook in dit Verbond zijn twee delen begrepen! Dat wij deze God aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganser harte, onze oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen!

Echter, zijn daar ook in ons leven en in onze natuur niet zo licht de zonden van Dan? Het dubbelhartige, - onder mooie woorden verbergen wij een kwade zaak. Het hanteren van vleselijke wapens, om onze zin door te zetten, zelfs in het heilige! Het slangachtige, - wij passen ons aan en zoeken het compromis en slaan toch onze slag, wanneer het ons goeddunkt. De schijnheiligheid in plaats van de echte heiligheid, - de schijnvroomheid in plaats van de ware vroomheid. Zitten ze ons niet in het bloed en spelen ze niet gemakkelijk een rol in ons kerkgaan, Bijbellezen en bezig zijn met de dingen van het Koninkrijk Gods? Hoe licht eren wij God met de lippen, terwijl wij in ons hart het altaar oprichten voor ons eigen ik en voor onze-afgoden?

Alleen wanneer wij over dit kwaad Gods rechtvaardig gericht leren aanvaarden, kan er in ons verslagen hart behoefte zijn naar en in onze levenspraktijk plaats zijn voor die grote genade en dat grote heil, door Christus verworven. Zó alleen richt de Heere ons in Zijn ontferming! Hij wil ons dan, terwijl wij Zijn gericht over onze zonden aanvaarden, in oprecht geloof achter Christus doen schuilen. En zo rechtvaardigt Hij ons en maakt ons tot Zijn kinderen en erfgenamen.

Daar is evenwel het gevaar, dat wij ons in deze zin niet willen laten richten. Wij willen dan, evenals Dan, niet buigen. Doch handhaven ons liever in de zonden, ook in die Danietische zonden.

En zo dreigt in ons leven hetzelfde te geschieden als in de geschiedenis van de stam Dan. Het proces van de rijping der zonde voltrekt zich en kan leiden tot algehele verharding. Doch die sluit buiten het heil des Heeren. En wij blijven buiten de deur, zoals Dan buiten de deur kwam te staan. Wij kunnen niet meer ingaan, door eigen schuld!

Gelukkig voltrekt dit proces zich maar niet zo! En de God des Verbonds laat ons op deze weg niet zonder meer voortgaan. Hoe vaak komt Hij ons daarop nog tegen, en roept Hij ons een halt toe, vriendelijk nodigend, ernstig waarschuwend, ons hard aanpakkend? Hij heeft nog geen lust in de dood van de zondaar, ook niet van Dan, maar in diens bekering en leven. „Wacht u dan voor de zuurdesem der Farizeeën". In Zijn Woord toont Hij ons, dat er ook uit Dan nog behouden zijn. En Jezus telde onder Zijn volgelingen ook Nicodemus, een raadsheer, - na de uitstorting van de Heilige Geest werden in Jeruzalem zelfs vele priesters gelovig, en Saulus van Tarsen werd Paulus, de apostel!

't Is wel zaak, om bang voor eigen hart, daarmee veel tot de Heere de toevlucht te nemen en Hem te bidden dat Hij dat grote in ons leven werkt, dat wij ons laten richten, ook wachten op Zijn zaligheid, en in het geloof schuilen achter Christus. Wij zullen alzo gerechtvaardigd moeten worden en vernieuwd! Geen schijnheiligheid, maar echte heiligheid, - geen schijnvroomheid, doch echte vreze des Heeren, liefde tot Zijn geboden. De altaren voor ons eigen ik en voor onze afgoden afgebroken, - Zijn dienst ons lief boven alles!

Dan staat er nog altijd een poort open naar het nieuwe Jeruzalem Gods. Die poort deed Christus open en houdt Hij nog open!

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's