De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

Hoofdstuk V. Artikel 9. Trappen in het geloof?

9 minuten leestijd

Hoofdstuk V. Artikel 9.

Trappen in het geloof?

Het is uit de Schrift duidelijk, dat er onverzekerde en verzekerde gelovigen zijn. De een is veel vaster in zijn vertrouwen en veel zekerder in zijn kennis dan de ander. Waarom zou men dit ontkennen? Nu zegt men, dat de zekerheid des geloofs tot het wezen des geloofs behoort, maar dan mag men er wel bij zeggen, wat men met zekerheid bedoelt. Verstaat men er onder, dat alleen zij het ware geloof bezitten, die zonder twijfels verzekerd zijn van hun staat, dan waag ik dit te betwijfelen. Alle rokende vlaswieken en gekrookte rieten worden dan op de vuilnishoop geveegd. Men moet toch echt maar durven. Die man uit de bijbel, die zei: „Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp", valt dan buiten het geloof, hoewel Jezus dit onzekere geloof erkend heeft als geldig. Dit betekent niet, dat de zekerheid niet in het geloof in beginsel van de aanvang ligt opgesloten. Het betekent wèl, dat de gelovige vaak een onverzekerde is, die zegt: ik zou het toch zo graag zeker weten. Als iemand nu lust heeft om van al deze mensen te zeggen, dat zij geen kruimel waar geloof hebben, die moet zijn gang maar gaan. David heeft niet zonder reden gebeden: „Heere, laat mij niet in de handen der mensen vallen”.

Ik zou ook wel op een andere kant willen wijzen. Paulus schrijft: Al ware het dat ik het geloof had, zodat ik bergen verzette en de liefde niet had, zo ware ik niets". 1 Cor. 13 : 2. Soms nu doet zo'n groot gelovige, die altijd zeker is, denken aan deze tekst. Hij heeft al het geloof, maar heeft hij ook de liefde? Soms meer hardheid en hoogmoed dan liefde. Willen we hiermee een lans breken voor een blijven in de onzekerheid? Dat zij verre. Ik wil echter wel pleiten voor werkelijkheidszin. Het geloof uit zich in werkzaamheden van kennen, zien, vertrouwen, horen enz. en al deze werkzaamheden kunnen sterk of zwak zijn. Zij kunnen met grote zekerheid en met niet geringe onzekerheid geschieden. Daar is trap en mate in. Bavinck schrijft ergens „De verschillende daden des geloofs, zoals kennen, toestemmen, vertrouwen, welke van de vruchten van het geloof of de goede werken nog weer te onderscheiden zijn, vormen dan ook geen trappen in het geloof, die temporeel (in tijd) op elkander volgen, maar zijn werkzaamheden, die zelve alle en in verband met elkaar zwak of sterk kunnen zijn". Dan kan er dus een zwakke of sterke of zwakkere en sterkere zekerheid zijn. Daar kan nog geloof zijn als de wortel des geloofs bijna gestorven is. Het is verbazend hoe alle zekerheid afwezig kan zijn, terwijl er nog geloof is. Calvijn is daar zeer van overtuigd en wil dan ook wel van een ingewikkeld geloof spreken. Hij denkt aan de discipelen van Goede Vrijdagnacht tot de Paasmorgen. Was daar nog een kruimel zekerheid? En was er toch geloof? Dat was er zeker. Calvijn wijst er in Institutie III, 2, 4 op, dat al ons geloof omwonden en onklaar is: wij weten veel niet, zijn door dwalingen omringd, ver­staan niet alle dingen. Ieder heeft maar een zekere mate van geloof. Dat bewaart voor hoogmoed, want daardoor is de allerbeste leraar vaardig en bereid om zelf nog te leren. „Van dit nog ingewonden geloof kunnen we treffende voorbeelden bemerken in de discipelen van Christus eer ze een volle verlichting verkregen hadden. Wij zien hoe bezwaarlijk zij zelfs de allereerste beginselen der leer smaken, hoe ze in de minste dingen dobberen en wankelen en hoe weinig zij vooruitkomen, al is het, dat zij hun Meester gedurig horen spreken. Ja wat meer is, wanneer zij door de aanmaning der vrouwen naar het graf lopen, is de opstanding van hun Meester hen als een droom. Dewijl Christus voorheen van hen getuigd heeft, dat zij geloven, zo mogen wij niet zeggen, dat zij ten enenmale zonder geloof waren?? Dit dus toch niet!

Hoe was het echter met dit geloof? Dat was met donkerheid overdekt, dus zeer onzeker. Calvijn neemt een voorbeeld van de discipelinnen. Van hen staat, dat zij begonnen te geloven, toen zij de waarheid van Christus' woorden metterdaad bevonden hadden. Betekent dit, dat zij toen pas begonnen te geloven? Neen, zegt Calvijn. Blijkbaar kan het waar geloof zeer onzeker zijn en toch waar geloof wezen. Ik lees: niet dat ze toen begonnen te geloven, maar omdat het zaad van het verborgen geloof, 't welk in hun harten gelijk als 'verstorven was, toen zijn kracht en groei ontving en tevoorschijn kwam. Zo was dan in hen het ware geloof, maar bedekt en nog ingewonden". Dat kan dus. En dat is heel wat anders dan verzekerd geloof. Ik wil maar zeggen, dat we er goed aan doen in het geloof, dat in beginsel op zekerheid is aangelegd, te onderscheiden een onzeker en een zeker geloof. Is er misschien wel iemand met een volmaakt zeker geloof? Geloof het maar niet. In elk christen is ongeloof met geloof vermengd. Calvijn nog eens in genoemd gedeelte: aar is geen klaarder bewijs van het feit dat geloof nooit volmaakt is, maar iets ingewondens heeft: en tekort aan kennis en verstaan „dan dit te weten, dat' het geloof in alle christenen altijd met ongeloof vermengd is". Dan zien we er nog van af, dat in de Schrift velen gelovigen worden genoemd, die de rechte smaak van het Evangelie nog moesten ontvangen. Zij hadden in zeker opzicht een begin van het geloof, maar dikwijls kwam het niet verder. Eigenlijk was het niet anders dan een voorbereiding op het zaligmakend geloof. Doch over deze dingen gaat het nu niet. Wat ons interesseert, is het feit, dat alle werkzaamheden van het geloof zwak en bijna verstorven kunnen zijn. Niet alle waar geloof is verzekerd geloof, al zit het beginsel der zekerheid erin. Neem een voorbeeld aan de kennis des geloofs. Zij is een wezenlijk en voornaam element. Wat is geloof zonder kennis? Geloof is geen mystiek gevoel zonder klare kennis. Geloof is niet een daad van overgave, zonder helder besef aan Wie men zich overgeeft. Geloof is geen „beslissing", zonder te weten, waar\'óór het beslist, maar het geloof veronderstelt een we­ ten, waarop het rust en waaraan het ook altijd opnieuw zijn kracht ontleent. Maar juist in dit weten, deze kennis, zijn trappen. In 1 Cor. 2 : 6 zegt Paulus, dat hij wijsheid spreekt onder de volmaakten. De apostel bedoelt, dat zijn woorden onder de volmaakten voor wijsheid gelden. De volmaakten zijn mensen, die volwassen christenen zijn, volwassen in het geloof. Zij hebben het normale hoogtepunt van een volwassen christen bereikt. Helaas, niet alle christenen in Corinthe verstaan dat Paulus wijsheid brengt. Zij vinden een massa wijsheid in de wereld. Dat van Paulus vonden ze niet zo'n grote wijsheid. Het is altijd moeilijk voor de mens, zich los te maken van de wereld, ook al is hij een gelovige. Vooral op het gebied van wetenschap en kunst doen sommigen graag met de wereld mee. Paulus echter spreekt geen wijsheid van deze wereld en de gereformeerde dogmatiek of de reformatorische predikers doen dat ook niet. Helaas hadden de christenen van Corinthe nog zoveel van de natuurlijke mens, van wie in 1 Cor. 2 : 14, 15 gezegd wordt, dat de natuurlijke mens niet begrijpt en tevens niet aanvaardt, wat des Geestes Gods is. Hij neemt het niet aan, staat er letterlijk. Dat kan hij ook niet.

Wat wordt er bedoeld met de natuurlijke mens? Dat is de mens, zoals hij geboren is en die niet wedergeboren is, met wie niets gebeurd is. De mens dus, die alleen maar het natuurlijke leven leeft en die niet Gods Geest ontvangen heeft. Zulk een mens kan als man van wetenschap of praktijk tot grote hoogte rijzen. Maar hij mist de gave van de Geest Gods. De natuurlijke mens heeft geen oog voor de dingen van de Geest en kan er ook niet van spreken. Helaas ziet de natuurlijke mens dat niet en spreekt er vaak maar al te veel over. De natuurlijke mens wendt zich bijzonder van de dingen des Geestes af. Daar is hij het meeste tegen: bekering, wedergeboorte, dat er iets met de mens gebeuren moet: sommige natuurlijke mensen, vooral in de kerk, vechten ertegen, wat ze kunnen.

Hebben alle gelovigen, alle christenen, de Geest? In beginsel wel, doch vaak 'n klein beginsel. De apostel heeft daar ervaring van in Corinthe. Het waren geestelijke mensen, maar hij kon niet tot hen spreken als tot zulken. Hij moest tot hen spreken, zoals men tot vleselijken doet, tot onmondigen. Wat de geestelijke kennis betrof, stonden zij nog maar heel aan het begin. Zij hadden een aanvangskennis, een beginnend geloof. Calvijn spreekt in Inst. III, 2, 5, die gelovigen genoemd worden, doch die daar nog weinig of niets van geproefd hadden. Geloof moet je proeven, smaken. Zij hadden een eerbiedigheid, die hen aanporde en drong om zich gaarne aan Christus te onderwerpen; dit wordt geloof genoemd, hoewel het maar een begin van geloof was. Zo was het in Corinthe. Als men de christenen aanzag en vroeg: worden deze mensen door Gods Geest beheerst of door het vlees? dan moest men zeggen: ze zijn vleselijk. Toch is er een begin van de kennis van Christus, zoals kleine kinderen een begin van kennis hebben. Toen de apostel bij hen was, kon hij niet meer aan hen kwijt dan melk. Vaste spijze konden ze niet verdragen. Wat is melk en wat is vaste

spijze in dit verband? De prediking van Paulus zal zeker over Christus en Zijn genade hebben gehandeld. Maar hij moest veel over het eerste stuk spreken en hen telkens weer oproepen tot bekering. Zij bleven zo aards. Hij moest hen de bekering tot God vooral voorhouden en veel verder dan 'n toevluchtnemend geloof kon hij niet komen, om het nu zo eens te zeggen. Hoe hebben zij het nodig om uit het onmondige, onverzekerde, wankele, telkens terugvallende over te gaan in het verzekerde geloof. Zij moeten veel meer. van Christus weten. Conclusie: Er is een grote verscheidenheid in geloofskracht; er is veel onzeker, terugvallend, wankelend geloof. Dat was reeds zo in Corinthe en is altijd gebleven.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's