NIET ONTROERD! (4)
Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos mij uit deze ure? Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. Vader, verheerlijk nu Uw Naam! Joh. 12 : 27, 28a.
De overwinning: We hoorden van Jezus' diepgaande strijd om de weg des Vaders te gaan. We zagen Zijn grote ontroering. Vanzelf dringt nu de vraag: is Hij aan die strijd ook ontkomen? Heeft Hij nog een uitweg gevonden? En hoe?
Gode zij dank! Hier past een krachtig: ja! Ja! Jezus is ontkomen! De Borg is niet bezweken. Geloofd zij de Heere tot in alle eeuwigheid!
Want hóe fel Hij is geprangd en hóe bitter Hij ook is bestreden, Hij was en bleef ook in dié strijd als zonder zonde! Ofschoon de Vader Hem a.h.w. losliet, Hij liet Zijn Vader niet los! Hoort, in welke weg Hij de overwinning heeft bevochten.
Eerst heeft de stem van Zijn natuur Hem gedrongen om een poos de mogelijkheid te overwegen om te bidden: „Vader, verlos Mij uit deze ure!" - nauwelijks is die gedachte bij Hem opgekomen of de stem van Zijn geest dringt die meteen terug; ja, deze overwint en vindt het rechte gebed, dat Hij alleen kan bidden. Jezus komt tot gebed. Die weg staat altijd open. Ook open voor de Zoon! En - wat een gebed bidt Hij! O, hoe kunnen wij hier leren!
Bij ons is er dikwijls het loslaten van de Heere om eigen weg te gaan, hoewel Hij ons steeds vasthoudt, en dus net andersom dan wij bij Jezus merken, maar dan is er verder ook bij ons het zo dikwijls verkeerde gebed, waarin we alleen maar weten te bidden: naar ons toe, naar onze eigen wil. Maar Jezus bidt zo anders! O, neen! Hij schrijft niets meer voor! Hij stippelt geen weg meer uit. Hij dwingt aan de Vader niets af, neen! Zijn gebed is enkel maar zo, dat Hij zelf geheel en al wegvalt, en de Vader, die blijft alleen over. Zijn Vader alleen is Hem alles.
Hoort wat Hij bidt, en waar heel Zijn zielsworsteling in eindigt: „Vader, verheerlijk Uw Naam!" D.w.z. Vader, neem van Mij Uw eer, en doe aan Mij wat Gij wilt, wat Uw behagen is! Vader niets voor Mij, alles alleen voor U! ... En als deze bede, ja déze bede rijst, dan - is er meteen het einde van al Zijn zielestrijd èn van Zijn zieleansgt, dan rust Hij met Zijn wil enkel in des Vaders wil! Al Zijn echt menselijke begeerten verzinken geheel en al in de oceaan van Gods eeuwig welbehagen! In de zee van Gods heerlijke besluiten, die tesamen vormen Zijn eeuwige Goddelijke Raad!
Wat een bede: „Vader, verheerlijk Uw Naam!” D.i. Vader, de heerlijkheid van Uw Naam is geschonden, door de onterende zonden van alle mensen, ja ook van hen, die Gij, o Vader van eeuwigheid hebt liefgehad. En die eer van Uw Naam moet gered! Ja, die moet gered, al zal het zijn door Mijn lijden en sterven! Als dit Uw raad is, o Vader, zie, hier ben Ik! Ik ben gewillig om mij geheel over te geven, opdat uit de nacht van Mijn lijden Uw heerlijkheid weer omhoogstrale!....
Wat een bede! Jezus vraagt niet om verlost te worden van Zijn lijden, maar veelmeer om in Zijn lijden bewaard te blijven voor alles, wat het liefdedoel Gods met de mensen mocht verhinderen.
Hoe het zij - zo vindt de Borg een volkomen en heerlijke uitweg. En - wat is nu daarvan het geheim? Dat ligt ten allerdiepste in de aanspraak, die Hij bezigt, als Hij roept: Vader....
O, in Zijn diepste zieleangst hecht zich Zijn oog alleen aan de Vader vast; En Hij gevoelt de eeuwige liefde, die Zijn gehele leven omsluit. Hij onderkent de eeuwige liefdesverhouding, die Hem aan Zijn Vader verbindt!
En daaruit, daaruit is het nu dat de kalmte in Zijn ziel overwint. Want dat „Vader" staat daar voor Hem, en Hij weet en gevoelt het zo diep: op die Vader kan Hij aan, ook als alles Hem ontzinkt en ook als alles zich tegen Hem keert. Dan nog is en blijft de Vader daar, en blijft de Vaderlijke liefde eeuwig Hem gelden als de uitverkoren en veelgeliefde Zoon.
Zo trekt Hij zich dus a.h.w. aan de Vader op! Hij worstelt zich aan de Vader naar boven! Die Vader is zijn sterkte en burcht. Het is de brandende liefde tot de Vader in Zijn hart, die Hem uiteindelijk doet bidden: „Vader, verheerlijk Uw Naam!”
Hebben wij al zó leren bidden? Loopt altijd onze strijd ook uit op deze geheel, enige bede? Die strijd, die wij dikwijls voeren tussen Zijn en onze wil? Mocht het bij ons allen zo worden, in welke nood dan ook, hetzij algemeen of persoonlijk, in lichamelijke of geestelijke nood, in tijdelijke of eeuwige benauwdheden: „Vader, verheerlijk Uw Naam!" Ja, eigenlijk moet dat altijd onze bede zijn, of we al of niet verlost zouden worden uit tijdelijke druk en beproeving.
Nog meer: eigenlijk zouden we niet moeten willen verlost worden uit enige nood, tenzij - Zijn eer werd bevorderd. Die eer moet ons altijd gaan boven eigen verlossing en uitredding. Hoe kost ons dat een strijd.
Wie heeft hiermee niet te worstelen? Dan is het enerzijds: „Voer mij uit mijn angst en noden . . . ." en anderzijds: „Als het Uw wil is mij te beproeven, maak mij dan stil en maak mij onderworpen". Welnu .... in deze strijd en worsteling is Hij alleen uw kracht! Hij toch kan als Borg in geheel uw toestand inkomen. Ja, Hij is daarin gekomen, en heeft zo voor u aan Gods heilig recht voldaan. En omdat Hij er is ingegaan, kunnen wij eruit verlost worden, en kunnen wij verhoring vinden. Want Hij heeft de strijd gestreden, en de angst doorleden, en is in onze benauwdheid geweest, ja, daarin ondergegaan, en dat vóór ons en in onze plaats. Maak dan maar veel gebruik van die heerlijke Middelaar.
Tenslotte - als u geen kennis hebt aan de waarachtige zielsontroering om uw zonde en ellende, en om uw levensschuld en diepe verlorenheid; als u dus ook geen kennis hebt aan, het roepen uit de diepte, noch aan het vluchten tot Hem, die toch gekomen is om juist het verlorene te zoeken - bedenkt toch: die kennis moet u bezitten, zal niet ooit u een haastig verderf overkomen.
Bedenkt toch, dat Gods heilige Naam en eer ook door u zijn aangetast en bezoedeld, en als u niet bijtijds gedekt bent tegen Zijn eeuwig brandende toom, dan zal nochtans Zijn heerlijke Naam uit u verheerlijkt worden, n.l. door uw eeuwige straf.
Bent u nog nooit ontroerd geweest over deze dingen? Hoe is het toch mogelijk? Heeft dan ook de ontroering van Jezus nog nooit uw ziel ontroerd? Weer: hoe is het mogelijk? Immers: Hij is ontroerd geweest vanwege uwe zonden. Hoe moet dan niet Zijn zielesmart ons smarten aan het hart. Ja, dat moest zeker zo zijn, als de vrees voor het oordeel niet uw ziel heeft doen ontroeren.
U kent toch wel die regels:
Ja, IK kost Hem die slagen, die smarten en die hoon; IK'doe dat kleed Hem dragen, dat riet, die doornekroon. IK sloeg Hem al die wonden, voor MIJ moest Hij daar staan. IK deed door al mijn zonden Hem al die jamm'ren aan! Daarom .... hoe moet eens het oordeel u treffen, als u daarover nooit ontroerd bent. Als u onbewogen voortleeft. Koud en gevoelloos. Dan is aangaande u, al Zijn ontroering tevergeefs geweest, dan - zult u in uw zonden sterven ....
Gode zij dank - het oordeel is nog afwendbaar. Hoe? In welke weg? Dat u, die verre zijt, ontroerd wordt over uzelf; over uw hemeltergende schuld, over uw schreiende ellende; over uw droevig lot, over het dreigende eeuwige gevaar.
En als u daarvan iets mocht kennen of leren kennen - ga met die zielsontroering tot Hem, om in Zijn zielsontroering volkomen rust te vinden: Zie op Hem, in geloof, opdat u eens volmaakt aanschouwen mag en in algehele zielsverwondering uw kroon voor Hem af moogt werpen en jubelen met alle gezaligden: „Gij hebt ons Gode gekocht door Uw bloed!”
W. VAN HERPEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's