De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk V, art. 9.
Hoofdstuk V, art. 9.
Van deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid, en van de volharding der ware gelovigen in het geloof, kunnen de gelovigen zelf verzekerd zijn, en zij zijn het ook naar de mate des geloofs, waarmede zij zekerlijk geloven, dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden en het eeuwige leven.
Veel klein geloof.
De theorie is, dat geloof altijd een vast en zeker geloof is. Niet dat getob zegt men dan. Wat is de praktijk? Die was in 1950 niet zo best volgens ds. J. G. Feenstra. Hij schreef daarvan: „Die zekerheid wordt zo vaak gemist. In dit opzicht is er een groot tekort. Er wordt meer geklaagd dan gejuicht. Daarom is het goed dat de kwaal ontdekt wordt en het geneesmiddel wordt aangegeven. De praktijk leert, dat de zekerheid der volharding niet bij allen gelijk gevonden wordt. Er zijn mannen en vaders in het geloof en ook jongelingen. En dan kan er tussen de ene tijd en de andere een aanmerkelijk verschil zijn. De gelovigen kennen de tijd van opgewekt geloofsleven en ook de tijden van inzinking en kwijnend geloofsleven, Dat hangt ook weer samen met hun strijd tegen de zonde. Wij moeten niet zeggen: eenmaal verzekerd, dat wil betekenen: voor alle ogenblikken des levens verzekerd. Zelfs zij, die tijdens hun leven mochten roemen in de bewaring des Heeren, worden somtijds, op hun sterfbed, nog aangevallen met geweldige aanvallen van satan, die hun wijs wil maken, dat zij het leven niet deelachtig zijn en dat zij verloren gaan. Omdat het geloofsleven zo schommelend is, daarom kan de verzekerdheid ook zo verschillend wezen. Dat hangt af van de mate des geloofs.”
Dus wel gelovig, maar weinig verzekerd. Daar zijn tobbers, niét alle gelovigen juichen. Tegenwoordig lees je het wel eens anders. Ik vrees, dat dit menigmaal voortkomt uit een gebrek aan geloof, zodat ze God niet vrezen, wel in de zonde leven, in vijandschap tegen en in jaloersheid op hun naaste b.v., maar geen verbroken hart en geen verslagen geest kennen. Zo houden ze altijd een verzekerd geloof. De duivel immers laat ze ook met rust. Hij heeft geen kind aan zulke verzekerde gelovigen.
Ik heb een stem uit 1950 aangehaald. Die stem klaagde over de onverschilligheid. Daarnaast zet ik een stem uit 1924. Ds. M. Meyering ziet het al niet anders dan zijn collega Feenstra. Van artikel 9 zegt hij: „Dat wil niet zeggen, dat alle gelovigen in dezelfde mate de troost der zekerheid gemeten. O neen, daar is in dezen groot onderscheid. Vooral in de tegenwoordige tijd zijn er velen, die erover klagen, dat zij voor zichzelf persoonlijk, zo weinig zekerheid hebben van hun zaligheid. Er is dikwijls zoveel twijfel in het hart. O de klacht over weinig verzekerdheid, die tegenwoordig zoveel gehoord wordt, is een aanklacht tegen 's Heeren volk, dat hun geloof zo zwak is, in weerwil van al de arbeid, die van 's Heeren wege, tot ver meerdering des geloofs aan hen besteed wordt. Een aanklacht, die wel tot ernstig zelfonderzoek nopen mag. Vanwaar het toch komt, dat het geloofsleven zo weinig bloeit.”
Wat mij treft is, vooral bij de laatste schrijver is dit het geval, dat zij er zichzelf niet bij insluiten. Dominees staan soms zo hoog bij zichzelf. Zou onder hen hun geloofsleven echt altijd zo bloeiend zijn? Er schijnt in elk geval een groep gelovigen te zijn, waar niet geklaagd behoefd te worden. Dan zijn we in 1958. De schrijvers behoren tot de Vrijgemaakten. Zij getuigen: „Krachtig zegt artikel 9, dat de verzekerdheid er is, naar de mate van het geloof, waarmee wij zeker geloven, dat wij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk.”
Hier hebben we dan de triomferende kerk op aarde. Weliswaar moeten deze schrijvers bij artikel 11 toegeven, dat die geweldige zekerheid wel eens iets minder is, maar dat is toch maar even.
Wij gaan op verhoogde toon verder. De werkelijkheid van de meeste kerken geeft geen grond 'dacht ik tot zulk een gejuich, ook niet daar, waar van de zekerheid toch veel gepreekt wordt. Nu een andere vraag: Hoe klein kan de mate des geloofs zijn? Calvijn gaat hierin heel ver. Men leze ten bewijze hiervan in zijn Inst. III, 2, 32, waar hij stelt, dat God niemand liefheeft buiten Christus. Er moet dus geloof in Christus zijn, al is het nog zo weinig. Maar hoe ingewikkeld en zwak kan dit geloof wezen. Daar is b.v. dit. „Cornelius, die een heidens mens en een Romein was, kon nauwelijks weten, datgeen 't welk niet alle joden bekend was, en dan nog duister: nochtans zijn zijn aalmoezen en gebeden Gode welbehaaglijk geweest." Calvijn noemt ook nog Naaman en de Moorman uit Handelingen 8. Hij schrijft hen allen geloof toe en dat, wat betreft Cornelius en de Moorman, voordat zij het evangelie uit de mond van Petrus of Filippus hoorden. „Voorwaar ik belijd, dat hun geloof nog enigszins ingewonden en onhelder is geweest, niet alleen belangende Christus' Persoon, maar ook aangaande de kracht en het ambt, 't welk hem van Zijn Vader was opgelegd. Ondertussen is het zeker, dat ze enige beginselen ontvangen hadden, die hen iets, hoewel het weinig was, deden smaken van Christus. En dit moet ons niet nieuw lijken te zijn. Want de Kamerling zou zich uit een ver gelegen land niet gehaast hebben naar Jeruzalem tot een onbekende God. Cornelius, die de godsdienst der joden eenmaal had aangenomen, heeft ook zoveel tijds niet toegebracht zonder zich te gewennen aan de eerste beginselen der ware leer. Derhalve hoewel de kennis, die zij van Christus hadden duister was, zo is het toch niet waarschijnlijk, dat ze helemaal geen kennis van Christus zouden gehad hebben. Immers, zij oefenden zich in de offeranden der Wet, welke door haar einde, dat is door Christus, moesten onderscheiden worden van de vervalste offeranden der heidenen.”
Calvijn ontdekt dus waar geloof in hen, die God en Zijn genade zoeken. Wij plegen dat een toevluchtnemend geloof te noemen. Ieder zal moeten erkennen, dat hier van heel weinig kennis van Christus sprake is en nog minder zekerheid. Maar wel van geloof in enigerlei vorm. Calvijn spreekt in zijn verklaring van Hand. 10 over een klein vonkje geloof bij Cornelius, dat een grote kracht had.
De kleinste mate des geloofs.
Dit kopje is natuurlijk bij wijze van spreken. Men kan zich misschien nog wel iets kleiner denken, dan dat gekrookte riet, waar ik nu aandacht voor vraag. In de Schrift wordt gesproken van een lammetje. Als we nu voor deze keer het geloof de ademhaling der ziel noemen, dan is de eerste handeling van het zwakke geloof een verlangen naar Jezus, zoals de eerste handeling van het ongeloof in het paradijs een verlangen naar de boomvrucht was. Daar gaat aan vooraf, dat de zondaar zich gevonden heeft in de afgrond des verderfs en bevonden dat er geen hoop van zijn kant is. Verder is hem geopenbaard, dat in de vereniging met Christus een middel gegeven is om geholpen te worden. Daaruit ontstaat een gelovig verlangen. David sprak: Heere, ik verlang naar uw heil". (Ps. 119 : 1 t/m 4). Is dit geloofsverlangen een voorbijgaand begeren?
Neen, het is geloofsverlangen dat meer naar Christus uit gaat dan naar iets anders. Daarvan staat: Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is mijns niet waardig; En die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is mijns niet waardig". Mt. 10 : 37.
Het rechte geloofsverlangen rust niet in dit geloof, want het komt niet eer tot rust tot het verzekerd is Christus in eigendom te hebben. Zoals een bedelaar de gift wil ontvangen, de zieke een dokter wil zien, een schipbreukeling verlangt naar de redding, verlangt deze zondaar in deze geest naar de openbaring van Christus als de zijne. Buiten Christus moet hij immers sterven.
Dit geloof wordt een hongeren en dorsten genoemd. „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot u, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen." Psalm 42 : 2, 3.
Hongeren en dorsten drukt de aard van het rechte verlangen en het beginsel van het geloof duidelijk uit. Het gaat niet alleen om een begrip en gezicht van Jezus, doch ook om een gevoel van de uiterste nood. Eten is onmisbaar. In het verlangen naar de Verlosser zit een overtuiging van de noodzakelijkheid en de algenoegzaamheid van Hem.
In honger en dorst zit een sterke drift, die al groter wordt. Zo heeft ook het rechte beginnend geloof een toenemende begeerte, totdat men met Christus verzadigd is. Honger en dorst maken ook werkzaam. Toen Hagar de waterput zag, ging zij scheppen. Hoezeer was Cornelius bezig met vasten en bidden en aalmoezen. Wat een lust is er in de beginnende gelovige, die weinig zekerheid heeft om te lezen, te horen, te bidden en zo de beloften van het evangelie voor het aangezicht des Heeren uit te breiden, benevens de bedreigingen der wet. Hoeveel drang is er thans om aan te houden. De gastheer uit Luka. 11 klopte onbeschaamd bij zijn buurman aan en de weduwe bleef het de rechter lastig maken. Het zwakke geloof is sterk in het aanhouden.
Als het ware sterke geloof een rusten in Christus, is het ware zwakke geloof een komen tot Hem: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren en gij, die geen geld hebt, komt koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk". Komen is geloven. „Die tot Mij komt, zal geenszins hongeren en die in Mij gelooft, zal nimmer meer dorsten". Joh. 6 : 35. Komen betekent dat men eerst ver van Christus was, maar nu van alle schepselen afscheid neemt en komt tot de gekruisigde Heere. Komen is ook; al maar dichterbij komen. Uit het geloven spruit het zoeken. Wie niet gelooft, zoekt niet. Wie tot Jezus komt, moet geloven dat Hij is en een Zaligmaker is, degenen die Hem zoeken. Dit betekent niet dat alle bekommering in dit zoeken ontbreekt. Integendeel, menigmaal denkt men: k zal de vrede en de zekerheid wel niet vinden, ik zal mijn verdiende loon wel krijgen. Maar de ware gelovige, al is dit geloof nog zo zwak, houdt toch niet op.
Wat zoekt men bij Christus? Men zoekt een toevlucht. Dat is te begrijpen; want men ziet zoveel nood. Daar is de schuld, die groot is, de verdorvenheid, die sterk is, de hel, die angstaanjagend is, de smart van het Godgemis, die diep is, zou er ergens een plek zijn, om te rusten? Zo zoekt men, wat de psalm zegt: „Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God. Dies de mensenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen.”
Het beginnend geloof is druk in de weer, Cornelius zowel als de Moorman. Zij moeten maar lopen. Doch van hen staat ook: Die op Hem zien en Hem aanlopen, derzelven aangezichten zullen niet schaamrood worden. Ps. 34 : 36. Ook dit: De naam des Heeren is een sterke toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen en in een hoog vertrek gesteld worden.”
Het zwak geloof ziet hoe langer hoe minder in zichzelf en gaat hoe langer hoe meer in Christus zien, verlangende voor zich de zekerheid van dit alles te hebben. Zo heet geloven ook wel: achten of verwachten, vooral voor de onverzekerden. In Habakuk 2 : 3 lezen we: zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen. Hij zal niet achterblijven". Geloven is dikwijls: achten op, zoals de psalm zegt: Ik blijf den Heere verwachten", maar er is een belofte bij: Die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen". Jes. 40 : 31. Wat van de man, die wijsheid Gods zoekt, waar is, is ook waar van de mens, die Jezus zoekt: Welgelukzalig is den mens, die naar Mij komt, dagelijks wachtende aan mijn - poorten, waarnemende de posten mijner deuren." Spr. 8 : 34. Het is dus een zoeken en wachten tot Jezus naar buiten treedt.
De bedoeling is niet, dat men bij een zwak geloof blijft. Het tegendeel is de bedoeling. Maar wel heeft de één een donkerder en langere weg in het komen tot Christus dan de ander. Dat kan z'n oorzaak hebben in 's Heeren welbehagen, doch ook in de aard der mensen of in de weinige kennis van de Schrift of verkeert onderricht van de leraars. Er kan ongeduld in het spel zijn, er kan ook een gemis aan zuivere liefde tot Christus wezen eil meer een schemerig zoeken. Het kan zijn dat men zich op de stroom van z'n driften laat meevoeren. Maar vergeet niet: het zwakke geloof is ook zaligmakend geloof, als het Christus omhelst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's