OVER DE VERZOENING (4)
Vandaag gaat het over de ontvangst van het meerderheidsrapport en de minderheidsnota op de Generale Synode van november 1966.
Voor elk ingezonden rapport benoemt de synode een commissie van rapport. Deze commissie van rapport bestond uit ds. F. H. Jansen, voorz.; ds. C. v. d. Steen, rapporteur; ds. F. van Dieren; oud. W. H. V. d. Dool en ds. H. L. A. de Wijk.
Deze commissie constateert, dat dit stuk zich aandient als een theologisch stuk van belijdend karakter. Met het oog daarop mogen drie maatstaven worden aangelegd:
I. Komt het bijbels spreken over de verzoening tot zijn recht?
II. Hoe wordt de vraag, of het mogelijk is, „dat een Ander mijn zonde en schuld zou kunnen dragen en wegnemen" beantwoord?
III. Biedt het rapport uitgangspunten om over de verzoening te spreken op een wijze, die voor de mens van deze tijd verstaanbaar is?
I. Bij de eerste vraag wordt opgemerkt, dat het verheugend is, dat het rapport inzet bij de rol van Israël in Gods verzoeningswerk. Daarbij mag een zwaar accent vallen op het verbond en op het offer, als de door God gegeven mogelijkheid tot herstel van het verbond.
Alleen, het is de commissie niet duidelijk hoe dit alles functioneert. Zonder overgang wordt van Zijn volk op de mens overgesprongen. De omtrekken van de gemeente worden niet duidelijk. Veel te laat komen de Heilige Geest en het geloof aan de orde. Hoe een mens bij de verzoening betrokken wordt (Laat u met God verzoenen!) blijft in de mist en over het raadsel van de verkiezing en het ongeloof wordt niet gerept . Het „onderwerpelijke" wordt op deze wijze weggedrukt tot een aanhangsel van een op overweldigende Wijze door het „voorwerpelijke" beheerst betoog.
De overwegende aandacht, die verbond en offer krijgen, zet andere voorstellingen, die de bijbel gebruikt om de verzoening te beschrijven, in de schaduw. Plaatsbekleding, losprijs, vrijkoping, komen nauwelijks of geheel niet aan bod. De vraag wordt gesteld: Konden de commissieleden hierover niets „samen zeggen”?
Wat over de ethiek wordt gezegd, acht deze commissie waardevol, maar ook hier had het werk van de Heilige Geest uitdrukkelijk aan de orde moeten komen.
Ook over het bijbelgebruik is de commissie van rapport niet te spreken. Dit had uitvoeriger gemoeten.
II. Is schuld overdraagbaar? Deze vraag wordt in het rapport niet beantwoord. De betekenis van het offer in Israël wordt in het midden gelaten. Het offer van Christus wordt beeldspraak genoemd. Het wordt zo gezegd „bij wijze van spreken”.
Daaruit concludeert de commissie van rapport, dat de vraag naar de overdraagbaarheid van de schuld ontkennend wordt beantwoord. Als er over plaatsvervanging gesproken wordt, gebeurt dit nergens in verband met het dragen van de zonde, maar in de zin van vertegenwoordiging van de mensheid. Waarom is er wel plaatsvervanging in de gehoorzaamheid, maar niet in het dragen óók in de schuld?
Functioneert de toom Gods in dit rapport slechts binnen het verbond?
III. Spreekt dit rapport zo over de verzoening, dat dit verstaanbaar is voor de mens van deze tijd? Dit rapport heeft — naar eigen getuigenis — een voorlopig karakter. Intussen mag gevraagd worden of woorden als vertegenwoordiging, representatie en lotsgemeen zijn (solidariteit) hiervoor de aangewezene zijn.
Ook de moderne mens verstaat onder verzoening: overbrugging van een door schuld ontstane kloof. Daarom kan de verzoening door het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, niet in deze zin door vertegenwoordiging en lotsgemeen zijn worden . omschreven.
Het rapport zegt: In Jezus Christus heeft God zich solidair gemaakt met de mensen. Deze uitdrukking kan misverstand verwekken. Immers God heeft de wereld met Zichzelf verzoend, niet Zichzelf met de wereld. Het woord solidariteit past niet bij het eerste, wel bij het tweede. Maar dit tweede betekent dan, dat God de zonde door de vingers zou zien.
In de conclusie wordt o.a. geprezen de grote mate van overeenstemming over het „wat" van de verzoening, de frisheid en de helderheid van de formulering, enz.
Over het „hoe" van de verzoening wenst de commissie van rapport meer helderheid. Menig bezwaar uit de minderheidsnota spreekt de commissie van rapport aan.
Het advies aan de synode luidt: dit stuk moét in deze vorm niet aan de kerk worden aangeboden. Wel vertrouwt de commissie van rapport, dat het als uitgangspunt voor een nadere bezinning vruchtbaar zal blijken.
Tot zover de commissie van rapport.
Wanneer wij dit alles op ons laten inwerken, is de conclusie gewettigd, dat de commissie van rapport, bij alle waardering voor het meerderheidsrapport, dit niet geschikt acht de kerk in te zenden.
Deze conclusie was voor mij, gehoord de besprekingen jaar en dag in de commissie voor de verzoening en gehoord de besprekingen in de Raad voor zaken van Kerk en Theologie, een verrassing. Ik was er dankbaar voor, dat de commissie van rapport uit de synode de vinger legde bij de wondeplek van het meerderheidsrapport, n.l. het niet of ontkennend beantwoorden van de vraag: Is schuld overdraagbaar?
Deze vraag beroerde en beroert de kerk. Deze vraag was ook de aanleiding tot het instellen van de commissie voor de verzoening.
Het is beschamend, dat wij op deze vraag na vier jaren — althans van de Ned. Herv. Kerk — nog geen antwoord hebben gekregen.
Hoe komt het, dat de kerk in de oorlog wel de dwaling van het natioteenaal-socialisme onderkende en daartegen luide getuigde, terwijl zij onder het Algemeen Reglement eigenlijk geen mond had om te spreken?
En hoe komt het, dat de kerk, nu zij een belijdende kerk wil zijn, over de allerbelangrijkste zaak van de verzoening nog geen antwoord heeft gegeven?
Dat het ons aangrijpe en uitdrijve tot verootmoediging en gebed! Wanneer dei Geest in de raderen is (Ezechiël!), zal deze pok werken in de raden en commissies. Of zijn wij in de raden en de commissies een sta-in-de-weg voor de Heilige Geest?
Laten wij intussen in de bediening van de verzoening in deze lijdenstijd vlijtig voortgaan. Dit is tot nu toe het belangrijkste geweest. De prediking van Christus in Zijn plaatsvervanging zowel in de gehoorzaamheid als in het dragen van de zonde en de straf op de zonde is belangrijker dan allerlei rapporten, hoezeer de bezinning een geboden zaak blijft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's