UIT DE PERS
Rondom het diaconaat.
Tot de regelmatige terugkerende vragen in het kerkelijk leven behoort de vraag: „Heeft de diaconie na de invoering van Algemene Bijstandswet nog een taak? Doet de overheid het werk niet veel efficiënter? " Het blijkt dat ook in Oosteuropese landen dezelfde vragen gesteld worden. In een verslag van een gesprek met predikanten uit een Oosteuropees land stond de zinsnede: „Voor de kerk was het een punt van overweging of de grote diaconale inrichtingen nog nodig zijn, nu de staat soortgelijk werk verricht". Ik trof deze zinsnede aan in een artikel in 't maandblad „Diakonia" (febr. 1967). Het artikel is van de hand van de Groninger hoogleraar Prof. Dr. A. F. N. Lekkerkerker, die - zoals we dat van hem gewend zijn - op boeiende en heldere wijze de lezers inleidt in de kwestie: „Ambtsdrager en gemeentelid in het diaconaat”.
Terecht signaleert de schrijver een zeker onbehagen bij de gewone diaken, die door de ontwikkeling op het terrein van maatschappelijk werk, overheidszorg etc. het zicht op zijn taak wat kwijt is geraakt. Hier en daar dreigt een kloof tussen de „specialisten", die op de bureaus voor diaconaal-en maatschappelijk werk werkzaam zijn en de gewone diaken.
Bovendien wordt vandaag op allerlei wijze nadruk gelegd op het dienstbetoon van de gehele gemeente. Wat blijft erover van het diakenambt?
Ik citeer uit het boeiende artikel van Prof. Lekkerkerker het volgende fragment:
Daarom nu een tweede opmerking: de diakonia, het diaconaat mag worden verstaan als een ellips met twee brandpunten: het diaconaat van de gemeente èn het institutionele, diaconaat van diakenen. Wie alleen het tweede benadrukt, doet tekort aan de zelfstandigheid en de mondigheid van gemeenteleden, die trouwens met name In de 19e eeuw hun gang zijn gegaan in werken van barmhartigheid. Wie alleen het eerste benadrukt, het diaconaat van de gemeente en dan nog wel een diaconaat in algemene dienstverlening, en daarbij zelfs de diaken als instituut zou willen afschaffen, loopt groot gevaar de gemeente prijs te geven aan (wat ik met een theologische uitdrukking zou willen noemen): de „horizontalisering" van het geloof, het incognito van een er-zijn-voor-de-ander. Ik acht het een spelen met vuur om de figuur van de diaken af te schaffen in de eredienst en in het kerkewerk. Misschien zijn wij wel bezig deze figuur af te schaffen, met alle kerkordelijke plichtplegingen tegenover hem. De diepste reden voor het onbehagen van vele diakenen over de moderne ontwikkeling van het diaconaat is de vrees voor de „horizontalisering" van het geloof, waarbij het geloof dus een aangelegenheid wordt van zuiver wereldlijk werken binnen de horizont van dit aardse leven, in niets verschillend van ander werk, zonder enige verwijzing naar een hoogte of diepte van dit aardse leven. De diaconie van de gemeente kan dan opgaan in algemene dienstverlening.
Door de figuur van de diaken worden wij er echter aan herinnerd dat alle dienst bestaat bij de gratie van de Dienst van Godswege in de mens Jezus van Nazareth.
Alle liefde tot de naaste ontvangt haar dieptedimensie eerst door de liefde van God tot ons. De grote woorden van de West-Europese beschaving: menselijkheid, vrijheid, waarachtigheid, gerechtigheid, worden gevoed uit de bron van het Evangelie. In feite gaat het vandaag bij dit gesprek over ambtsdrager en gemeentelid in het diaconaat over dezelfde vragen als op het college dogmatiek, wanneer ik spreek over de zogenaamde venieuwingstheologie. Het Evangelie, het geloof laat zich niet restloos prijsgeven aan de horizontalisering. Daarom hechten wij belang aan de figuur van de diaken en dan liefst de diaken in de eredienst, de liturgische diaken, en ook aan eigen instituten voor maatschappelijk werk.
Dalend kerkbezoek in Duitsland.
Met enige reserve schrijf ik dit opschrift neer. Het zou de schijn kunnen wekken, als zouden we vanuit onze Nederlandse situatie eens hoofdschuddend gaan oordelen over het verval in een kerk buiten onze grenzen.
Dat mag uiteraard nooit het geval zijn. Als we in dit persoverzicht enkele (verontrustende) cijfers overnemen, kan en mag dit nooit gebeuren vanuit een gesteldheid, die overeenkomt met die van de genisten in Sion. Integendeel, juist deze verontrustende cijfers mogen ons een aanleiding zijn de hand in eigen boezem te steken en na te gaan: Hoe is het op het punt van het kerkbezoek bij ons gesteld? Te vrezen valt dat ook binnen de Nederlandse protestantse kerken reden tot zorg is.
De cijfers die we hieronder doorgeven troffen we aan in een artikel van Ds. H. G. Groenewoud in het Herv. Weekblad „De Geref. Kerk" van 23 febr. We citeren het volgende:
In het Centraal Weekblad voor de Gereform. Kerken lazen we onlangs het volgende bericht, onder bovenstaande titel:
De cijfers wijzen het uit: in Duitsland vermindert het kerkbezoek. Het aantal Rooms-Katholieken en protestanten dat ’s zondags naar de kerk gaat, is de laatste jaren aanzienlijk verminderd. Gemiddeld gaat 39 % van de rooms-katholieken en protestanten nog naar de kerk. Vier jaar geleden was dat 45 %. Bij de protestanten is de daling het sterkst: nu nog 20 % actief, tegen vier jaar geleden 28 %. Bij de rooms-katholieken is de wekelijkse misviering gedaald van 68 tot 64 %”.
Wat hier enigermate statistisch is uitgesproken, vernam ik enige tijd geleden ook op een predikantenconferentie in Oost-Duitsland. Predikanten uit de West-Duitse Bondsrepubliek spraken daar in dezelfde termen evengoed als predikanten uit de D.D.R, over het geringe kerkbezoek in hun gemeenten. En niet alleen dat, In beide Duitslanden bleek de kerkelijke belangstelling in het algemeen gering te zijn. Dit was in het Westen niet beter dan in het Oosten. Brengen de omstandigheden in het Oosten mee, dat er aan de kerkelijke outillage wegens geldgebrek nogal wat ontbreekt, in 't Westen waren prachtige en grote kerken gebouwd, met enorme en mooie orgels, evenwel zonder dat er een gemeente is, die er gebruik van maakt.
Wie als buitenstaander zich een beeld gaat vormen van deze situatie, moet wel zeer voorzichtig zijn. Er is, ook in de beide Duitslanden zoveel verscheidenheid tussen de situaties in verschillende gemeenten, dat men zich terdege moet hoeden voor generaliseren. Maar wanneer er in de pers een bericht verschijnt met concrete cijfers, is men geneigd dit te zien als een bevestiging van bovenvermelde uitingen.
Wie de overeenkomst in dit opzicht tussen de Bondsrepubliek en de D.D.R. opmerkt, moet wel tot twee conclusies komen: Ten eerste, dat er niet een politieke situatie als daar heerst nodig is, om het kerkbezoek, en ook de kerkelijke en godsdienstige belangstelling in het algemeen te doen afnemen. Wij zien de bedreiging van de kerk vaak uitsluitend in een atheïstische ideologie, die tracht het kerkelijk leven zo te bemoeilijken en de godsdienstige overtuigingen zo te bestrijden, dat ze op den duur moeten bezwijken. Deze eenzijdige visie is een bedenkelijke verzoeking. Want ze is uitermate geschikt, ons de ogen te doen sluiten voor het gevaar dat het leven in volle vrijheid en erkenning, zelfs waardering, in een welvaartsstaat en welvaartskerk, een even grote bedreiging kan zijn voor geestelijke belangstelling en sterk geloofsleven.
De tweede conclusie is, dat het leven in een zekere druk niet per sé tot gevolg heeft dat het godsdienstig en kerkelijk leven opbloeit.
Terecht legt de schrijver er de nadruk op dat ook het leven in welvaart en vrijheid een enorm gevaar kan vormen voor het geloofsleven. Wij mogen inderdaad niet de tegenstelling Oost-West in een zwart-witschema bezien. Groenewoud gaat ook in op de oorzaken van dit dalend kerkbezoek. Hij vraagt zich af, of de kerk niet mede schuldig hieraan is, vooral ook door de grote afstand die er is tussen de predikanten en de gemeenteleden. Voorts acht men in Duitsland zelf de theologische arbeid te abstract, te weinig op de praktijk afgestemd. D, e theologie is te weinig op de dienst der verkondiging gericht. Het zou daarnaast een punt van overweging kunnen vormen in hoeverre, de geringe belangstelling voor de kerkdienst ook veroorzaakt is door het feit, dat de bijbels-theologische arbeid zoals die in Duitsland beoefend wordt, zeer sterk onder invloed van de moderne Schriftkritiek staat. Wie ziet hoe de kritische visie op de Schrift tot een ingrijpende versmalling leidt, zodat vaak hele stukken van de heilswaarheid wegvallen, als niet meer relevant voor de moderne mens, vraagt zich met zorg af: Werkt deze reductie ook geen vermagering van de prediking in de hand?
We hebben immers in eigen land de voorbeelden hoe de uitholling van de prediking waarin de centrale heilswaarheden geloochend worden, kerkverwoestend gewerkt heeft. De situatie in Duitsland mag ons niet verleiden tot valse gerustheid.
Integendeel, wij zullen in onze situatie bedacht moeten zijn dat theologie en verkondiging op elkaar betrokken blijven, en bovenal dat het bijbels getuigenis onverkort en ondubbelzinnig doorklinke. Opdat de gemeenten inderdaad gevoed worden met het volle Woord Gods. Al zijn er vele factoren te noemen, het blijft toch evenzeer waar - ook voor de situatie ten onzent: De nood der kerk is veelszins de nood der prediking. Wie klaagt over functieverlies van de kerk zal altijd weer tot deze centrale zaak - de dienst der verkondiging - hebben terug te gaan. Niet alleen: Hoe predikt de kerk ....? Maar bovenal: Wat prediken wij - aan de mens van heden?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's