BOEKBESPREKING
Dr. H. M. Kuitert, De Realiteit van het geloof. Over de anti-metafysische tendens in de huidige theologische ontwikkeling. Geb. 228 blz. Prijs ƒ 14,25. Kok-Kampen.
Dr. Kuitert, wetenschappelijk medewerker aan de V.U. te Amsterdam heeft in dit boek de uiterst actuele vraag aangesneden naar het werkelijkheidsgehalte van het christelijk geloof. In de hoofdlijn gaat het over de vraag naar de inhoud van het christelijk geloof (de fides, quae), waarbij uiteraard de fides, qua niet buiten bespreking blijft. Anders uitgedrukt: gaat het in de werkelijkheid van het christelijk geloof om de genetivus objectivus of de genetivus subjectivus?
De ondertitel geeft al aan, dat dit boek ontstaan is uit de anti-metafysische tendens in de theologie.
De lezers, die dr. Kuitert zich voorstelt zijn studenten en predikanten, aan wie hij de draad in handen wil geven om in het theologisch labyrinth van vandaag de weg weer te vinden.
Na een terreinverkenning krijgen wij in hoofdstuk 2 een beschrijving van het ontstaan van de anti-metafysische tendens. Onder metafysica verstaat Kuitert dat er niet alleen een voorhanden voorgrondswereld is, die wij zien en kennen, doch ook een onzienlijke achtergrondswereld, de wereld van God in Zijn wezen, woorden en handelen en dat wij over deze laatste wereld evenzeer algemeen geldige uitspraken kunnen doen als over de eerste. Nader geformuleerd: Zijn theologische leeruitspraken even algemeen geldig als andere wetenschappelijke uitspraken?
Dan wil dus anti-metafysisch zeggen, dat men zich keert tegen een theologie, die bezig is met begrippen, welke niet alleen zin hebben voor de gelovigen, maar ook voor de gehele mensheid.
Bij dit uitgangspunt van de lutherse en gereformeerde scholastiek van de 17de en 18de eeuw stelt Kuitert zich op. Intussen is het jammer, dat voor de zuivere opstelling hij niet eerst duidelijk maakt wat de reformatie was en wilde. Welke opmerkingen hij over Luther en Calvijn later ook maakt, het dilemma bij hem is: lutherse en gereformeerde scholastiek enerzijds èn de existentietheologie anderzijds. Later gaat Kuitert dan een eigen weg zoeken, maar daaraan komt de reformatie maar ten dele te pas.
Bij het lezen van dit boek heb ik mij voortdurend afgevraagd: Waarom laat Kuitert de positie van de reformatoren niet klaar en duidelijk zien om zo de ontaardingen van het Aristotelisme op het spoor te komen? Om alle misverstand te voorkomen: er worden in dit boek allerlei dingen gezegd over Luther en Calvijn, maar hun positie tegenover de scholastiek wordt niet duidelijk. Door deze opzet komt de reformatorische positie niet uit de verf. Dit wreekt zich vooral aan het einde van dit boek. Maar daarover straks.
Kuitert laat zien, dat de scholastiek tegenbewegingen opriep: pietisme en het historisch denken. Op deze plaats wordt Lessing breed besproken. Voor Lessing betekent de ontdekking van de historiciteit van de waarheid het bankroet van deze waarheid. De theologie worstelde met de vraag: Wanneer de voorstellingen en begrippen historisch van aard blijken, waar blijft dan hun eeuwige en onveranderlijke waarheid?
Daarna passeren Kant en Schleiermacher de revue. Bij Schleiermacher is alles genitivus subjectivus geworden.
Bij deze anti-metafysische tendens knoopt de nieuwere theologie, de existentie-theologie aan. Deze wordt in hoofdstuk 3 breed uiteengezet! Zij wil een geheel nieuwe fundering van de theologische wetenschap.
Kuitert weet zich tot verantwoording geroepen en gaat daarom breed en serieus op deze theologie in. De theologische wetenschap kan het niet laten om in gesprek met de tijd te blijven.
In de existentietheologie speelt de hermeneutiek als leer van het verstaan een grote rol. Bij Bultmann krijgt zij een bredere taak en wil zij zich ook verdiepen in wat voor verstaan in aanmerking komt en wat niet. De eigen interesse speelt bij Bultmann een grote rol. Dit noemen wij dan de existentiële interpretatie. Kuitert noemt Bultmann een gecompliceerde piëtist. De onderbouw ontleent hij aan Heidegger's filosofie. De tekst doet mij wat, wanneer ik er „anders" van word. Wat God aan ons doet is belangrijk. Veel in het N.T. is mythologische inkleding.
Daarna krijgen Puchs, Ebeling en Braim een uitgebreide beurt. Het verschil en de overeenkomst wordt besproken. Bij allen wordt het verleden opgeofferd aan het actuele heden.
De existentie-theologie heeft grote invloed door haar aanknoping bij het piëtisme en het onhistorisch denken van nu!
In hoofdstuk 4 komt de vraag aan de orde: Wanneer is het heil werkelijk? Hier komt het existentiele vrijheidsbegrip binnen de gezichtskring. Al doende blijkt de mens mens te zijn in vrijheid. Mens-zijn is authentiek reageren. Bij Ebeling is dit vrij „talen". Deze zelfverwerkelijking is Geschichte en geen historie. Er is alleen actuele eeuwigheid. Hier is een geheel andere anthropologie aan het woord.
De authentieke ervaring onttrekt de mens aan de machten. Hier staat Gods Zelfopenbaring in dienst van de mens, die vrij is tegenover natuur en geschiedenis. Alle nadruk valt op de subjectpositie van de mens. Vanuit de mens wordt de openbaring Gods versmald. De werkelijkheid wordt van mij uit geduid. In deze kaders wordt de hermeneutiek geplaatst. Zo worden de Bijbelse voorstellingen gezeefd.
In een volgend onderdeel komt de verhouding van de existentie-theologie en de natuurwetenschappen ter sprake. De theologie wordt van de historie ontdaan zowel naar voren als naar achteren. Daardoor is er een stormvrij gebied voor het geloof. Dit alles wordt aan de opstanding van Christus gedemonstreerd. Het extra nos valt weg. Het eenmalige van da verzoening evenzo.
Bij de bespreking van al deze excursen geeft Kuitert reeds allerlei voorspelen op hoofdstuk 5, waarin een eigen program wordt ontwikkeld. Dit hoofdstuk heet: Het historische in ons midden.
Na de uiteenzettingen volgt nu de balans. Volgens Kuitert is de weg terug naar de metafysica onmogelijk. Het ratio-concept van deze meta-fysica is niet te gebruiken. De nieuwe theologie is te waarderen in de ervaringswerkelijkheid en de functionaliteit van het christelijk geloof. De centrale plaats van de hermeneutiek moet worden erkend. De rol van het subject in het verstaan moet worden verdisconteerd.
Kuitert wil een nieuwe weg. Hij verwerpt de tegenstelling object-subject en wil inzetten bij de traditie — het overgeleverde geloofsgoed.
Met opzet vermijdt hij het woord canon, omdat daarmee de gezagsvraag van de Heilige Schrift gegeven is. Met de traditie is de historie genoemd. Deze traditie in de historie wordt omschreven als historische omgang en avontuur van Israël en Israëls God, culminerend in het getuigenis van de omgang met Jezus Christus als unieke representant van God. God is de grote Bondgenoot, die meegaat. De historiciteit van het heil moet voluit aanvaard worden. De formuleringen zijn historisch bepaald, niet onveranderlijk. Zij zijn daarom historisch bepaald, omdat zij door het formulerende subject zijn heengegaan. God roept ze op, maar dit neemt de tijdgebonden formulering niet weg. Dit neemt de vastheid niet weg, want deze ligt in de continue God. Wat blijft en verschuift, blijkt in de historische omgang. Er is een menselijke inbreng.
Dit heeft consequenties voor de theologische kennisleer. Beeldvorming is niet verboden; denk aan de mensvormigheid Gods. Hierin zijn grenzen gesteld door het tweede gebod.
Voor de hermeneutiek betekent dit onderscheid maken tussen het openbaringsgetuigenis en de culturele ruimte, waarbinnen dit getuigenis weerklinkt. Het fundamentalisme en het biblicisme geven geen ruimte voor het gebruik van het kritische verstand inzake geloofsvragen.
Het criterium voor dit onderscheiden blijft onbesproken. Er worden vingerwijzigingen gedaan, b.v. vanuit de kerkelijke traditie.
Met het getuigenis is onmiddellijk haar zin en strekking gegeven. De historie is en blijft verleden, maar is actueel door de Opgestane. De credenda gaan voorop. Jezus door de Geest brengt het over! Voor de dogmatiek betekent dit, dat de formuleringen voorlopig zijn, ten dele zijn en dat de volle waarheid voor het volk Gods, dat onderweg is, in de toekomst ligt. De kerk is doorgeefkerk, die het heil doorgeeft in telkens nieuwe beelden.
Het gaat om de toe-eigening. Men moet onderscheiden tussen de zaak en de verpakking. De formuleringen dienen functionalistisch, diep bevrijdend te zijn.
Tenslotte in de geschiedenis is de schuld en het raadsel van de zonde. De existentie-theologie heeft een niet-bijbels vrijheidsbegrip. Het kruis als „ergernis" kan niemand bespaard worden. Daaraan zitten vast gedenken en verwachten. De fides qua komt op uit de fides quae. In de existentie-theologie is er „ervaring" zonder inhoud (d.i. zonder de historische Jezus).
In een onwetenschappelijk naschrift geeft de schrijver nog enige beschouwingen.
Dit is een zeer betekenisvol boek, dat op de grondvragen van de theologie ingaat. Wie langs het doornige pad van de huidige theologie geleid wil worden, heeft in dr. Kuitert een zeer vakbekwame gids.
Tegelijk roept dit boek veel vragen op. Het ontbreken van de inzet bij de reformatorische positie is al eerder genoemd! Daarbij moet worden genoemd, de twijfelachtige positie, die de schrijver inneemt t.a.v. de canon. Wanneer hij de canon niet als uitgangspunt aanvaardt, moet hij er wel toe komen aan de kerk een kritische positie toe te kennen tussen het Gesagte en het Gemeinte, tussen het geloofsgoed en de cultuurwereld in de Heilige Schrift.
Dat met de onderstreping van de canon geen formele of formalistische inzet is bedoeld, wil ik uitdrukkelijk onderstrepen.
Verder mag de vraag' gesteld worden, wat de schrijver nu bijbels gezien precies onder metafysica verstaat. Wat daaronder in de filosofie en in de door filosofie beïnvloede theologie bedoeld wordt, maakt de schrijver ons wel duidelijk. Maar volgens hem zijn allerlei voorstellingen in de bijbel aan verandering onderhevig. Wanneer daarmee bedoeld is, dat God de mensen van die tijd met hun geestelijke en culturele inhoud gebruikt, zal dit waar zijn. Een andere vraag is, of het feit, dat God de Hebreeuwse en de Griekse taal in Zijn openbaring benutte niet een stuk verkiezing is, waarmee wij te rekenen hebben.
Vooral wanneer dit de Godsleer betreft, rijzen hier veel vragen. Zijn met de veranderlijke uitspraken ook bedoeld de uitspraken over het eeuwig Zoonschap, de prae-existentie, de geboorte uit de Maagd Maria? Dit zijn geen beschuldigingen, maar vragen, die voortvloeien uit de magere uitspraken in dit boek over de Christologie.
Verder, wanneer het gaat over de voortgaande beeldvorming, is het de vraag of aan onze beelden in onze cultuurkring gelijke waarde en gelijk gezag mag worden toegekend als aan die van de Schrift. Ik wil dit duidelijk maken aan de beelden voor de kerk. De bijbelse beelden zijn Bruidegom-bruid; Herder-kudde; volk Gods, fundament-levende stenen enz. In dit boek, dat uiteraard geen ecclesiologie wil geven, fungeert bijna alleen het beeld Bondgenoot en het volk Gods onderweg. Vooral dit laatste beeld overheerst vandaag. Hoezeer verduidelijkingen nodig blijven, mag toch gezegd worden dat de Bijbelse beelden beslissend zijn voor het gehalte en de gestalte van de Kerk.
Ook de rol, die dr. Kuitert aan de hermeneutiek toebedeelt, is te zwaar geladen. Zou de hermeneutiek niet met een bescheidener plaats genoegen moeten nemen? Zij mag in de handen van de kerk zich toch niet als beslissende instantie opwerpen tussen het Gesagte en Gemeinte? Het beroep in dit verband op de Geest, die in alle waarheid leidt is uiterst zwak, wanneer wij letten op Hem, die dit woord sprak en op de wijze van Zijn omgang met de Heilige Schrift. Het gaat in Joh. 16 : 13 toch niet om het onderscheid tussen getuigenis en klankbodem?
Dr. Kuitert heeft de nieuwe theologie uiterst serieus genomen. Opnieuw ben ik onder de indruk gekomen aan welke gevaren een „dode" voorwerpelijkheid en een „vroom" piëtisme blootstaat en hoe noodzakelijk het is de fides quae en de fides qua in de eenheid te zien èn te preken, 't Is jammer, dat dr. Kuitert aan de ratio, ook bij zeer moeilijke beslissingen een te grote plaats toekent.
Intussen heeft hij een boek geschreven om te bestuderen en om mee te worstelen. Hier zijn de grondvragen van de theologie aan de orde. Deze bespreking is — naar de inhoud van dit boek gezien — veel te karig en wil alleen maar leiden naar het boek zelf.
Katwijk aan Zee G. Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's