UIT DE PERS
De Geref. Gemeenten en de Ned. Herv. Kerk.
In de Kerkbode der Geref. Gemeenten van Rotterdam en omstreken (van 24, febr.) schreef ds. A. Vergunst een sympathiek artikel over de Herv. Kerk en de houding van de Geref. gemeente tegenover onze kerk. Ds. Vergunst wijst erop dat deze houding niet maar alleen negatief mag zijn. Hoeveel er te laken is in de Herv. Kerk, ook de Geref. gemeenten lopen grote gevaren: Enerzijds verstarring en dood formalisme, anderzijds tendensen van oppervlakkigheid.
De Herv. Kerk is en blijft voor hem de Kerk der vaderen, geworteld in de Reformatie hier te lande.
Onze eigen Gereformeerde Gemeenten zijn afkomstig enerzijds uit de „Afscheiding" van 1834; anderzijds uit de actie van ds. Ledeboer. Vooral de „Ledeboeriaanse" inbreng is in onze Gereformeerde Gemeente altijd sterk gebleven. De vereniging van 1907 heeft het stempel van Ledeboer vooral in de Hollandse Gemeenten sterk op onze kerkgemeenschap gedrukt. Ledeboer kende iets van het “heimwee" naar de Kerk van de Vaderen. Hij was nimmer los van haar. Nimmer heeft hij haar als de „valse kerk" bestempeld, zoals in de Gereform. Kerken en in de Chr. Geref. Kerken veelal geschiedde. En iets van dit „heimwee" is in de kring van onze gemeenten gebleven.
Ik geloof dat dat er blijven moet. Ons uitzien moet zijn naar de dag, dat „God ons haar weder geeft" (zoals Ledeboer het uitgedrukt heeft). Als dat er niet meer is, dan raken we met de „eigen kerk" zo tevreden, dat we helemaal vergeten „nood-behuizing" te zijn. Dan willen we nooit meer uit de „noodwoning". Wij, die buiten de Ned. Herv. Kerk leven, maar niet los van haar mogen leven, zouden de strijd van hen, die worstelen binnen de Hervormde Kerk om het goed recht van de Gereformeerde Belijdenis veel meer moeten meestrijden. Dat geschiedt veel te weinig. We leven zo veel te veel langs hen heen, die het soms o zo zwaar hebben. Zij moeten zich gesterkt weten door zovelen, die de Gereformeerde leer liefhebben. Of zouden wij alleen maar moeten zeggen: waarom gaan ze er niet uit. Naar mijn gedachte moeten ze dat niet als ze niet uitgeworpen worden. Maar ze moeten tot trouw vermaand en aangespoord worden.
Er ligt een taak voor allen die de Reformatorische belijdenis liefhebben, binnen en buiten de Herv. Kerk. Wij zullen naar middelen moeten zoeken om elkaar meer en meer te vinden. Noch de Herv. Kerk, noch de Geref. Gemeenten zijn gebaat bij een lichtvaardige beslissing, maar wel bij de worsteling om elkaar te zoeken en te vinden in de waarachtige eenheid des geloofs, aldus de schrijver van dit artikel, waarvan we gaarne een gedeelte aan u doorgeven.
Verwarring in Friesland.
Het rommelt in Friesland. Franeker, Drachten . . . dat zijn enkele namen die in de kerkelijke pers telkens weer voorkomen. Conflicten met de P.K.V. en bredere kerkelijke organen zijn aan de orde van de dag. En de achtergrond: De oecumenische gezindheid van hen, die vrijzinnig en rechtzinnig geestelijk willen integreren.
De praktijk in Friesland zou de vraag op kunnen werpen: Betekent deze geestelijke integratie een geestelijke dwang voor hen die naar Schrift en Belijdenis begeren te leven en te handelen?
In een breed artikel, getiteld „Friese Toestanden" gaat prof. dr. G. P. van Itterzon in op de gerezen kwesties, in het orgaan van de Confessionele vereniging van 2 maart. We begrijpen dat juist de Confessionelen in onze kerk over de gang van zaken verontrust zijn, omdat Friesland van ouds een kweekplaats van confessionele predikanten is geweest.
De Utrechtse hoogleraar noemt in zijn artikel geen namen. Hij duidt de plaats aan met de letter X. Ingewijden zullen wel begrijpen over welk dorp het gaat. Breed tekent hij de situatie.
Welnu, X is een bloeiend „dorp" met 4 predikantsplaatsen, en 3 dienstdoende predikanten. Er is geruime tijd één vacature, die maar niet wordt vervuld. Blijkens de mij ter beschikking staande gegevens wil X gerekend worden tot de vrijzinnige gemeenten, en is X zelfs aangesloten bij de Provinciale vereniging van Vrijzinnige Hervormden. Dat is dan duidelijk. Of, eerlijk gezegd, helemaal helder is mij dit niet. Immers van de 4 predikantsplaatsen in X zijn er maar twee vrijzinnig (zie het bekende Jaarboek) en is het de opzet, dat de andere twee rechtzinnig zijn. In feite is dan ook een der predikanten van orthodoxe modaliteit en zegt men, dat het de bedoeling is, dat ook de vacature in die geest zal moeten worden vervuld. Hoe nu X, dat twee vrijzinnige en twee rechtzinnige predikanten wenst te hebben, bij een provinciale vereniging van vrijzinnigen kan zijn „aangesloten" is mij duister. Ik dacht, dat dit bij een dergelijke gemengde bevolking net niet moest. En zeker niet, als men naar een „geestelijke integratie" wil heenwerken. Doch misschien heeft men intussen het vreemde ervan ingezien, en voor het lidmaatschap bedankt. De aansluiting van een gemeente bij een vereniging is, uit kerkelijk oogpunt, toch al een zonderlinge zaak.
Waardoor X in de laatste tijd zich nu weer in 't nieuws heeft gebracht? Er waren ambtsdragers van rechtsen huize, die zich door hun eigen predikant (de enige, die momenteel aan hun modaliteit ter beschikking staat) wilden laten herbevestigen. Men kan niet zeggen, dat dit een onredelijke eis is. In grote gemeenten hebben immers alle predikanten het recht en de roeping hun medebroeders in het ambt van ouderling of diaken te bevestigen. In alle plaatsen van enig formaat is dat dan ook het geval. In X kon men echter dit teken van verdraagzaamheid niet oprichten. Onder de leus, dat er een „geestelijke integratie" moest komen, vaardigde de kerkeraad in X het plaatselijk gebod uit, dat alle ambtsdragers in een gemengde kerkdienst zouden moeten worden bevestigd. Er zouden twee predikanten aan te pas moeten komen, die samen de dienst zouden moeten leiden. Wie weigerde, en niet kwam, zou als een verstoorder van de openbare kerkelijke orde worden beschouwd en voortaan van zijn ambtelijke roeping vervallen worden geacht.
Terecht bekritiseert prof. van Itterzon de ongeestelijke houding van genoemde kerkeraad. Maar daarbij bleef het niet.
Intussen gingen de broeders in X nog verder. Toen enige orthodoxe broeders in de befaamde bevestigingsdienst niet waren verschenen, vonden de twee vrijzinnige predikanten, samen met nog 27 ambtsdragers het oorbaar aan de lidmaten der gemeente in januari j.l. een circulaire te zenden met 5 punten. Ze betoogden daarin, dat de ambtsdragers, die zich niet hadden laten bevestigen, geen ambtsdragers meer waren en dat dezen zich niet op Ord. 1-19-1 konden beroepen. Ze gaven daarbij een uitlegging van het genoemde wetsartikel, alsof ze het in X voor het uitleggen hadden en hun argumenten niet door anderen onder kritiek konden worden genomen. Zo nodig, komen we op deze wetsbepaling en haar uitlegging wel eens terug. Nu zou dit alles niet zo'n vaart genomen hebben, als in dezelfde gemeentelijke circulaire, die bij de gemeenteleden huis aan huis verspreid werd, niet gesteld was, dat de rechtzinnige predikant nu ook geen sacramenten meer kon bedienen, en als de vrijzinnige kerkeraadsleden, onder aanvoering van hun vrijzinnige predikanten, de avondmaalsbediening der rechtzinnigen (wat een nare situatie toch!) niet in de war hadden proberen te sturen. Doch als een klap op de vuurpijl deelde de vrijzinnige circulaire ten slotte nog mede, dat „de bevestigde ambtsdragers en de predikanten..." in de vergadering van hadden „besloten bij de regionale commissie voor opzicht en tucht een aanklacht in te dienen tegen ds. IJ. (de orthodoxe predikant dus) en de rechtzinnige broeders, die zich in de gemeenschappelijke dienst van niet hebben laten bevestigen. Zij hebben daarmee gehandeld in strijd met de behoorlijke vervulling van ambten, die volgens Ord. 11, art. 4, lid 1 strekt tot opbouw van het geestelijk leven der gemeente en tot bewaring van de orde in het leven en werken der Kerk”.
In het hierboven gegeven citaat spreekt de schrijver over een „in de war proberen te sturen van de Avondmaalsbediening der rechtzinnigen". Dat maakt de gehele zaak, nog afgezien van de kerkordelijke aspecten, zo verdrietig. En dat heet dan: geestelijke integratie. Men krijgt de indruk dat deze integratie in de praktijk neerkomt op het doordrukken van een vrijzinnig/ middenorthodoxe wil. Daarmee wordt het geestelijk leven der gemeente niet gebouwd.
We kunnen de verzuchting van prof. van Itterzon verstaan:
Of denkt men werkelijk, dat men met onverdraagzame kerkeraadsbesluiten en tuchtrechtelijke dwangmaatregelen metterdaad het geestelijk leven der gemeente zou kunnen opbouwen? Wat is de reactie, als men in een gemeente zo fel tegenover elkaar staat en vrijzinnigen dermate enghartig zijn, dat ze een ander, die orthodox is en in een nauwsluitend, bekrompen, negentiendeeeuws gareel zich niet bewegen kan en wil, voor de tuchtrechter brengen? Wat betekent dan het bewaren van een orde, die er niet is? Wat spreekt men daar van het leven en werken der kerk, als men nu al jaren elkaar de nodige levens-en werkruimte onthoudt?
Onverantwoorde kritiek.
De heer A. v. d. Meiden, o.a. schrijver van de pocket: „Het gezicht van de Kerk", heeft op een teach-in in Den Haag verklaard dat het de grootste giller van deze eeuw zal worden dat we kerkgebouwen hebben opgericht en kerkbouwacties hielden.
De grootste giller dezer eeuw. Zo'n kreet doet het bij velen. Als we daarbij bedenken dat de heer v. d. Meiden leerling van prof. Hoekendijk wil zijn en bovendien in de sociologische hoek zit, dan is het duidelijk dat zijn uitlating niet op zichzelf staat.
In het Geref. Weekblad (Uitg. Kok, Kampen) van 17 maart gaat dr. C. Gilhuis op deze uitspraak nader in. Hij wijst erop dat we allerlei „profetieën" uit de sociologische hoek met een flinke korrel zout moeten nemen. Nog geen tien jaar geleden kwam uit die hoek het advies: Vorm wijkgemeenten met wijkkerken. Vandaag zijn de wijkgemeenten voor velen achterhaald en moet het de categorale gemeente zijn.
Jarenlang is gezegd: Kerken moeten liturgisch verantwoord gebouwd worden. Ze moeten gelegenheid bieden aan wijkactiviteiten. Voor dat alles is geld gegeven en zijn offers gebracht. Nu zou dat alles „de grootste giller dezer eeuw" zijn?!
Uiteraard heeft deze uitspraak een bepaalde achtergrond. We citeren dr. Gilhuis:
Misschien is het beter te wijzen op de achtergrond van deze uitspraak. Men meent dat de kerkbouw een giller, de giller dezer eeuw wordt, omdat men zich later verbaasd zal afvragen, hoe is het mogelijk geweest dat die christenen kerken gebouwd hebben terwijl er in de wereld nog zoveel achtergebleven gebieden waren.
Ik zou hierover willen opmerken, dat in de tijd — en alles moet toch ook naar zijn tijd beoordeeld? — waarin deze gereformeerde kerken gebouwd werden, deze zelfde kerken in het vrijwillig bijeen brengen van gaven voor genoemd doel vooraan stonden, al hadden ze meer kunnen doen.
In de tweede plaats, als kerkbouw (want er hadden zoveel mensen voor dat geld naar de ontwikkelingsgebieden kunnen gestuurd worden!) de giller van de eeuw wordt zal het dan niet de allergrootste giller worden dat ik en u en v. d. Meiden in deze eeuw onze huizen in prima staat hebben laten brengen, dat geen van ons nagelaten heeft zijn positie te verbeteren, dat niemand een salarisverhoging heeft afgewezen, dat we dure vakantiereizen maakten, enz. Wat zou daar al niet op bespaard kunnen zijn geworden voor de noodgebieden.
Laten we daar eerst eens over praten, dan kunnen de kerken voorlopig nog wel met rust gelaten worden.
Nu men de mond vol heeft over hulp aan ontwikkelingslanden zou ik wel eens willen dat ieder die er over gaat spreken, eerst het bewijs moest tonen dat hij er zelf per jaar minstens een procent van zijn inkomen aan geeft. Er kon dan wel eens een dodelijke stilte ontstaan!
U wilt wel van mij aannemen dat ik vuur en vlam ben voor de bovengenoemde hulp, maar moet het een en ander uitsluiten, moeten we de gebouwde kerken onafbetaald laten staan en moet het bij woorden blijven?
Behalve deze praktische heeft de „profetie" van V. d. Meiden ook een theoretische achtergrond. Die is te vinden in zijn Hoekendijkiaanse opvattingen. Ze zijn bekend. De macrokerk moet verdwijnen voor de microkerk. In het bovengenoemde boekje vraagt v. d. M. zich af: „moeten we inderdaad nog vasthouden aan de ene plaatselijke kerk met zijn vaste patronen van kerkdienst en sacramenten, ambten en gebouwen, of moeten we andere wegen bewandelen? " (p. 28).
In confesso is dat gegroeide vormen en structuren niet sacrosanct verklaard mogen worden. Maar waar blijft o.a. het gezicht der kerk als ze haar openbare erediensten niet meer heeft? De microkerk moet alle aandacht hebben, het bijeen komen van Bijbelkringen, straatgemeenschappen enz., maar niet met verwaarlozing maar op basis van de macrodiensten.
Ik wil hier momenteel niet verder op ingaan en verwijs naar de indringende vragen die De Loor de Hoekendijkianen gesteld heeft, evenals ds. Wiersma dat deed in „Woord en Dienst”.
De geciteerde zin van v. d. Meiden geeft overigens heel wat aanleiding tot overdenking.
Ambt en gebouwen worden o.a. fraglich gesteld. Wordt met de gebouwen ook het ambt de giller van deze eeuw? Van alle eeuwen, zou je moeten zeggen, want ambten en gebouwen waren er van de eerste eeuwen af!
Zijn de ambten niet de gaven van de verhoogde Heer en mogen die weggewerkt worden op sociologische gronden? In elk geval hangt het ageren tegen kerkgebouwen en kerkbouw samen met een complex van andere kritische vragen. Men vergete echter niet dat er eens een beeldenstorm geweest is waarvan nu ieder zegt: hoe is het mogelijk geweest. Laat er thans geen kerkenstorm losbreken waarvan men later hetzelfde zal zeggen.
Hier zou nog heel wat over te zeggen zijn. De achtergrond van v. d. Meiden's uitspraak wordt gevormd door een bepaalde kerkbeschouwing. De beschouwing van de „Kerk binnenste te buiten". Wij kunnen de theorieën van prof. Hoekendijk niet met een handomdraai af doen. Terecht is destijds in dit blad door een recensent erop gewezen dat het apostolair besef, dat bij Hoekendijk c.s. zodanig overheerst dat ambt en kerk haast uit het gezicht verdwijnen, onder ons vaak te zeer ontbreekt. Bezinning van uit de Schrift op de verhouding van de kerk tot de wereld blijft geboden.
Maar laat men dan niet door onverantwoorde kreten, om geen ergere kwalificatie te gebruiken, deze bezinning niet van meet af aan onmogelijk maken. Met exclamaties als „de giller dezer eeuw" komen we er echt niet. Men kan dat misschien op een teach-in „verkopen", maar wie het nuchter bekijkt, kan er niets mee beginnen. En wie toch meent met dergelijke kreten de kerk te dienen, zou er goed aan doen om 't artikel van de Groninger hoogleraar, prof. de Vos, over de „Theologia exclamationum (theologie der kreten) — verschenen in Kerk en Theologie, april 1966 — eens met aandacht te lezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's