De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

OVER DE VERZOENING (6)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OVER DE VERZOENING (6)

6 minuten leestijd

Zoals beloofd, zou ik deze week nog iets schrijven over de gang van zaken na het synodebesluit van nov. 1966. Dit besluit toch was zowel meerderheidsrapport als minderheidsnota met studiemateriaal enz. toe te zenden naar de classicale vergaderingen.

De uitvoering van dit besluit is door het Moderamen van de Synode opgeschort tot de januarivergadering 1967. Het Moderamen heeft het recht een door de synode genomen besluit op te schorten totdat een volgende synodevergadering dit besluit herroept of opnieuw sanctioneert. Voor de opschorting van een besluit moeten dan wel zeer gewichtige redenen zijn. Naar ik meen is dit nooit eerder gebeurd. Welke redenen waren daarvoor? Ik waag mij niet aan gissingen, maar houd mij aan de feiten.

De eerste oppositie tegen dit synodebesluit kwam van één van de kerkelijke hoogleraren, n.l. prof. dr. Jonker, die niet op de synode tegenwoordig was geweest, toen dit besluit viel. Hij had uit de pers vernomen tot welke beslissing de synode gekomen was. In een brief aan het moderamen schreef hij zijn bezwaren tegen de gang van zaken. Hoewel deze brief in de stukken aan alle synodeleden werd toegezonden en dus in de openbaarheid is gekomen, ga ik op deze brief liever niet in. Zo nodig kom ik er later op terug.

Een tweede oppositie tegen het synodebesluit kwam van de commissie voor de verzoening zelf. Uit de voorgaande artikelen is gebleken, dat de commissie die verantwoordelijk was voor het meerderheidsrapport ter synode een stortbad kreeg. Men was teleurgesteld over de ontvangst van het rapport. Prof. dr. Lekkerkerker achtte, gehoord de bespreking op de synode, het niet raadzaam dit stuk de kerk in te zenden. Hij adviseerde het Moderamen de beslissing van de synode aan te houden tot de volgende januarivergadering en via een nieuw te benoemen commissie een eenheidsrapport samen te stellen.

De leden van de commissie, die het meest verwant waren aan het rapport, te weten mevr. Flesseman-van Leer, dr. K. Strijd en prof. dr. A. v. d. Woude, vonden, dat hun bedoelingen blijkbaar niet goed waren overgekomen. Zij achtten het beter, dat 't rapport niet uitging. Bij dit advies sloten zich aan prof. dr. G. Sevenster en dr. A. de Wilde. De voorzitter dr. H. Schroten was van een andere mening en schreef een brief aan het Moderamen. Naar mijn mening gevraagd, heb ik het Moderamen geschreven, dat ik moeilijk verantwoordelijkheid kon dragen voor het meerderheidsrapport, omdat ik juist daartegen een minderheidsnota geschreven had. Gezien echter de jarenlange arbeid van de commissie en gezien de uitvoerige samensprekingen in de raad voor Kerk en Theologie, waarbij allerlei kritische opmerkingen gemaakt werden over het meerderheidsrapport, die niet verwerkt waren, kon moeilijk van een haastwerk gesproken worden.

Bij alle verdriet over de tegenstellingen inzake de kardinale vragen, kwamen de verschillen, die in de commissie èn in de kerk leven, in het meerderheidsrapport en in de minderheidsnota onversluierd aan de orde. Noch de commissie, noch de synode kon er uitko­men. Dan bleef er maar één weg over n.l. dat hopelijk de gemeenten en de classicale vergaderingen er op de rechte wijze mee worstelen zouden.

Derhalve was mijn advies: het besluit van de synode uitvoeren en de kerk er mee bezig laten zijn.

Zoals bekend, heeft intussen de synode het vorig besluit herroepen, mede omdat de commissie haar werkstukken niet wilde afstaan en niet aan een omwerking of herziening van haar meerderheidsrapport wilde werken. Men kan zeggen: de commissie legde het bijltje erbij neer.

Toen heeft de synode prof. dr. Lekkerkerker, geassisteerd door prof. dr. Jonker en v. d. Woude, opgedragen een nieuw rapport te schrijven. Zij mogen dan gebruik maken van de bestaande rapporten en uiteraard van de besprekingen op de generale synode, waar de vraag klemmend aan de orde kwam: Is schuld overdraagbaar of niet?

Men bedoelt geen harmonisatie. De verschillen mogen er duidelijk inkomen.

Wat daarvan te zeggen? Dat het een verdrietige zaak is. Prof. Lekkerkerker stelt in „Kerk en Theologie" van 1-1-1967 de vraag, of de wel aangename tijd voor de arbeid van raden en commissies voorbij is, althans in de Hervormde Kerk. Leden van raden en commissies hebben doorgaans verdriet, zijn soms bitter gestemd over het niet-welslagen van hun arbeid. Misschien — zo besluit hij — zullen wij het voorlopig moeten hebben van de arbeid van de individuele theologen, wier geschriften gezag met zichzelf moeten meebrengen.

Ik kan de gevoelens van prof. Lekkerkerker verstaan. Tegelijk zullen wij de nuchterheid hebben te betrachten, dat de arbeid van de raden en commissies zeer betrekkelijk is. Ik kan mij niet onttrekken aan de indruk, dat het eigenlijke leven van de kerk zich maar zeer matig weerspiegelt in de arbeid van deze raden en commissies. Hoezeer bezinningscentra nodig zijn en blijven, wanneer in rapporten enz. niet het Woord Gods duidelijk weerklinkt en de hartader van de belijdenis niet wordt geraakt, schuift het allemaal over de gemeenten heen en beroert het haar niet. Wij dienen in al onze commissoriale arbeid de prediking, de gemeenten en ons volk duidelijk voor ons te hebben. De gemeenten zijn er niet terwille van de raden en de commissies, maar wij zijn: — waar wij ook staan — dienaren van Christus en van Zijn gemeenten.

Deze gemeenten dienen veel nauwer bij het werk van de raden en de commissies betrokken te worden. Een réveil is bij mijn weten zelden of nooit begonnen bij hogere organen, maar steeds bij het volk.

Wij hebben het vandaag zo druk over de mondigheid van de mensen. Welnu, laten wij de mondigheid van de gemeente erkennen en diepgaande verschillen (b.v. over de verzoening) niet voor de gemeenten verbergen, 't Is haar zaak, 't is haar leven, 't is haar geloof. Deze gemeente heeft niets aan schoolmeningen, maar alles aan het klare Woord van God. Het zal zich in onze kerk bitter wreken, wanneer de synode met de haar omkransende raden zichzelf overbelast, maar weinig of geen voeten heeft in de gemeenten.

Wat verbindt? Het waarachtig geloof in zijn inhoud en in zijn kracht. Dat de welaangename tijd voor de raden en commissies voorbij zou zijn, acht ik een minder grote ramp dan dat de prediking verschrompelt en een geest van diepe slaap zich breed maakt over voorgangers en gemeenten. Het zal zaak zijn, dat de organen van de kerk niet meer onzekerheden onder voorgangers en gemeenten scheppen dan er al zijn, maar dat zij een klaar en duidelijk antwoord geven op de vragen, die er zijn. Dat is voor God en de gemeente verantwoord en daarop heeft God altijd Zijn zegen gegeven. (Slot volgt).

Katwijk aan Zee  G. Boer

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

OVER DE VERZOENING (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's