Het Paasappèl
„altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere". 1 Korinthe 15 vs. 58.
Wie Pasen viert, kan geen pas op de plaats maken. Zeker, hij moet standvastig en onbewegelijk zijn, maar dat is heel iets anders. Bij het Paasappèl wordt niet geroepen: op de plaats, rust; het voorwaarts, mars, klinkt daar aan het slot van 1 Korinthe 15. Met Pasen komt het werk des Heeren op gang, en mag de Kerk des Heeren er de gang in houden: Altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren.
Er is werk aan de winkel. Wij lezen het niet van de zerken: Zijn leven was werken. Wij lezen het in het Woord, dat leven werken is. Niet om het leven te verkrijgen, maar omdat het leven geschonken werd. Paulus bedoelt hier de goede werken, de vruchten van het geloof, waarin de liefde van zich doet spreken. Daartoe wekt hij de gemeente op; Christus werd immers opgewekt. Het is gevaarlijk, wanneer iemand niets omhanden heeft; geestelijke luiheid is een oorkussen van de duivel. Er zijn mensen, die altijd met bespiegelingen, diepzinnige bespiegelingen bezig zijn. Zij maken in het Koninkrijk Gods niet veel klaar. Anderen zitten voor zich uit te staren, het hoofd tussen de handen. Ziet u ze, dan denkt u: die moeten nodig aan het werk, de handen eens uit de mouwen steken. Een mens moet wat te doen hebben, een mens die tot een nieuw leven met Christus werd opgewekt, moet ook aan de slag gaan, in gezin en gemeente, werkkring en omgeving. Weest daarin ijverig. Het is eigenlijk nooit genoeg. Altijd overvloedig zijnde. Wat is overvloedig? Wel, wanneer weet u, dat een vat vol' is? Wanneer het water over de rand heenvloeit. Nu, dat wat meer is dan u kunt, maakt het werk overvloedig. Het brengt ons op de knieën, het maakt ons werkzaam voor Gods aangezicht. En deze werkzaamheid is vaak omgekeerd evenredig aan de drukte die wij maken in., woord en daad.
Het gaat hier over het werk des Heeren. Dat strekt tot stichting van de gemeente. Zodra Christus-uit de doden verrezen was, 'nam Hij het werk ter hand dat Hem werd toevertrouwd: Het vergaderen van Zijn gemeente. Hij is er de hele dag mee bezig, de herder loopt de schapen na en brengt de verstrooide kudde weer bijeen. Maria Magdalena, de wandelaars naar Emmaüs; de discipelen vooral. Thomas inbegrepen. Het werk des Heeren is kerkewerk. Dat is het heden nog. Door Zijn Woord en Geest is Christus nog werkzaam Zijn gemeente te bouwen en te bewaren. Zijn Woord wordt verbreid tot aan de einden der aarde, en de Geest doet mee. Dat is de opdracht in Zijn nalatenschap: Gaat dan heen in de gehele wereld. Daar bidt Hij voor, nu Hij verheerlijkt is aan de rechterhand des Vaders. Het werk des Heeren is bij uitstek Zijn werk. Zijn leven is werken.
In dat werk wil Hij mensen gebruiken, die vaak denken: wat moet Hij met mij? Paulus kondigt de komst van Timotheüs naar Corinthe zo aan: Want hij werkt het werk des Heeren, gelijk als ik. Hij stelt de gemeente de waag: Zijt gij niet mijn werk in de Heere? Dat werk des Heeren mag niemand verbreken door menselijke doordrijverij, zo vermaant hij de gemeente van Rome. Het is een groot en hoog werk, wij kunnen er niet in bezig zijn wanneer wij onszelven niet verloochenen en de Heere Christus aanhangen. Wie er toe geroepen wordt, wordt in de Heere geroepen. U denkt aan de predikanten, de ouderlingen, de diakenen. Wie wil ontdekken, wat de ambten betekenen, moet de brieven van Paulus op dit punt maar eens nalezen. Kort gezegd: zij moeten het werk des Heeren doen. Hen wordt bij deze: standvastigheid en overvloedigheid toegewenst.
Toch mogen wij dit werk des Heeren niet aan hen uitbesteden, zodat de andere leden der gemeente, hen alleen maar wat op de handen zitten te kijken. Allen worden aan het werk gezet. De lidmaten, die bevestigd werden; man en vrouw wier huwelijk bevestigd werd. Bevestigd worden is immers: tot de dienst. Zo zijn wij dan broeders en zusters, medewerkers. Wij behoren tot de arbeidende stand, daarin werden wij bevestigd. Wee ons, wanneer wij ons daaraan onttrekken.
Ieder mag zich wel afvragen of hij werkelijk bezig is. En niemand kijke vreemd op bij dit Paasappèl alsof hij hier nog nooit van gehoord had. Bij de bediening der sacramenten werd het telkens genoemd, bij de bevestiging tot lidmaat. En, om dat nu eens te beklemtonen, bij de kerkelijke huwelijksbevestiging werd voor de kinderen, die het God zou believen u te geven, gebeden, dat zij tot stichting der gemeente en tot verbreiding van Zijn heilig evangelie zouden worden groot gebracht. Bent u dat vergeten, vader en moeder; vertelde u dat nooit aan uw kinderen? Zou daaraan het predikantentekort te wijten zijn, en het tekort aan medewerkers, waarmee vele - ook de zogenaamde goede, ook onze- gemeenten te kampen hebben? Ik vraag maar. Als u maar bedenkt, dat het werk des levens ten doel gesteld werd, en het appel daarom ter zake is.
De broeders en zusters zijn in verschillende takken van dienst bezig; als ze maar bezig zijn. De ijver voor het huis des Heeren is een kenmerk van het christelijk leven. IJverig m de dienst des Heeren, dat is de gemeente bouwen. Dicht bij huis in voorbede en voorbeeld samenwerking geboden: het meervoud doet mee met dit paasappèl. Op de zondagsschool en op de Christelijke school. Wat hebben onderwijzers en onderwijzeressen een roeping. In het gemeentewerk, door Godvruchtige handel en wandel. Meent u niet, dat u het werk des Heeren kunt laten liggen. Doet er eens een schepje op. Ieder werkt op zijn eigen akkertje en de akker des Heeren ligt braak. Dat is een veeg teken. Waar leven wij eigenlijk voor? Waar leeft Christus voor?
Alles goed en wel, zegt u, nu u dit leest. En u wringt zich in allerlei bochten, om hier onder uit te komen. Dat: geliefde broeders: dat geeft u een kans: daar hoor ik niet bij. Of u hebt er de geven niet voor, het ligt u niet, u hebt geen tijd, u hebt zoveel omhanden. Als u eens wist, hoe dit bezig zijn, tot de geestelijke zegen strekt in een mensenleven.
Anderen zuchten. Zij tillen er zwaar aan en zien er soms geen gat meer in. Broeders en zusters, hoe houden wij het vol? Mag ik het antwoord doorgeven: wanneer wij standvastig en onbewegelijk zijn. Het werk des Heeren wordt in de kracht des Heeren gedaan. Het is geen onbegonnen werk, sinds Hij uit de doden is verrezen, en ons over het dode punt heen helpt. Het is ook geen tevergeefs werk: als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere. IJdel betekent hier: tevergeefs, zonder vrucht. De prediking is niet ijdel, enkel omdat Christus is opgestaan.
Zeker, het is niet gemakkelijk, dat werk des Heeren; het ligt boven onze macht. Het kost inspanning; de arbeid is zeer bepaald zware arbeid; wij zullen ons de moeite moeten getroosten. De aanvechting is niet van de lucht: tevergeefs. Dat denkt die moeder, die haar kinderen voor de Heere begeert groot te brengen. Dat denkt die onderwijzer, die het goede zaad uitstrooit in de harten van zijn leerlingen. Dat denkt eigenlijk ieder, die in het werk des Heeren echt bezig is. En de moeilijkheden vermenigvuldigen zich ten aanzien van de gemeente! Hoe kan het ons verlammen, in deze tijd. Heeft het wel zin, treft het wel doel? Al klagende zouden wij gaan luieren. Er is veel gelamenteer, dat arbeidsschuwheid verraadt, ook in de Christelijke gemeente. Slechte tijden beleven wij, en de jeugd van tegenwoordig ... Ondertussen nemen wij er ons gemak van, dat ziet de duivel graag. Hij is bang voor het werk des Heeren, zijn rijk wordt erdoor verstoord.
Niet alzo ! Als die weet. - Weet van de overwinning. Weet, dat de dood overwonnen is. De dood, die de arbeid verijdelt. Geloven wij in de dood, dan blijven wij in machteloze zuchten en wensen steken. Welgelukzalig die geloven in Hem, die uit de doden werd opgewekt; hij is in alle zwakheid tot werken in staat. Niet ijdel in de Heere, lezen we hier. In de gemeenschap met Christus, dat is door de Heilige Geest, kunt u trouw en moedig heel wat werk verzetten, tot uw eigen verbazing en beschaming. Uw krachten zijn niet toereikend, uw voornemens evenmin. Maar Hij! Hij leeft. Hij heeft alle macht. Hij brengt Zijn werk tot een goed einde. En Hij zegt nooit: Knap dat nu maar eens alléén op. Het werk is in strikte zin: werk des Heeren. Onze bekwaamheid is uit Hem. Wie overvloedig is in het werk des Heeren, die zal het zijn in de Heere. Hoe anders? In de Heere is er geen twijfel aan: het heeft zin, het heeft doel, het doet kracht, het draagt vrucht. De Heere, uit de doden opgewekt, roept de dingen die niet waren, en ze zijn «r. Ezechiël stond er van te kijken.
Broeders. Mag ik mij tenslotte tot ambtsbroeders richten, mededienaren van het evangelie, broeders van de kerkeraad. Hoe eenzaam voelen zij zich vaak, en wat kan gemeenschap ons sterken. Zijt standvastig, niet vasthoudend aan eigen meningen, maar stand houdend bij het Woord. Onbewegelijk, al wil alles en iedereen u van uw plaats dringen en uw roeping verijdelen. Altijd overvloedig in het werk des Heeren. Want het is Pasen. U weet, u kunt, u moogt het weten: dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere. Wij kijken de kring eens rond en vragen: broeders, bidt voor ons, arbeidt met ons. Hoeveel getuigenissen zijn er in het verleden en in het heden: niet ijdel. Toch niet tevergeefs. Wat heeft Christus een kracht in de zwakheid der broeders volbracht. En wat de toekomst betreft: Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's