De Dordtse Leerregels
Hoe de gelovigen de zekerheid niet verkrijgen.
Hoofdstuk V. — Artikel 10. En diensvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onze troost heeft geopenbaard; uit het getuigenis des H. Geestes, Die met onze geest getuigt, dat wij kinderen en erfgenamen Gods zijn; eindelijk uit de ernstige en heilige oefening van een goede consciëntie en van goede werken. En zo de uitverkorenen Gods deze vaste troost in deze wereld niet hadden, dat zij de overwinning behouden zullen, mitsgaders dit onbedrieglijk pand der eeuwige heerlijkheid, zo zouden zij de ellendigste van alle mensen zijn.
Hoe de gelovigen de zekerheid niet verkrijgen.
De Dordtse vaderen hebben gestreden voor de leer van de zekerheid des heils. Is dit nu wat anders dan de zekerheid des geloofs? Ik antwoord: Die twee horen bij elkaar. De zekerheid van zijn eigen verlossing, heil, zaligheid kan men alleen krijgen door het geloof. Dit geloof is in zijn wezen zekerheid. Wie gelooft heeft een vaste overtuiging, dat God is en dat Hij rechtvaardig, heilig en genadig is, allemaal op grond van wat Gods Woord over de Almachtige zegt. Het geloof heeft een vaste overtuiging van eigen verlorenheid en strafwaardigheid op grond van de Schrift. Daar is nog meer. Het geloof is overtuigd, verzekerd van alles wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Daar kan veel twijfel in de mens zijn, maar het geloof als zodanig sluit een volstrekte zekerheid in. Dat kan men het duidelijkste zien aan de zekerheid van de eeuwige verdoemenis. Want immers, ik hoop dat niemand dit vergeet, de zekerheid des geloofs heeft twee trappen. De Heilige Geest onderwijst ons eerst in de zekerheid onzer eeuwige verlorenheid. Daar begint trouwens het Doopsformulier reeds mee, als het de ouders laat beamen, dat onze kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn en daarom aan allerhande ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelf onderworpen. Als Gods Geest een uitverkorene komt bekeren begint Hij met dit stuk aan de ziel te verklaren. Immers het grote werk van de H. Geest is in het eerste stuk om ons onze diepe val te doen verstaan. Van daaruit brengt Hij ons tot de zekerheid der behoudenis in Christus. Het echte geloof immers heeft een speciaal voorwerp, dat het kent en waarop het vertrouwt. Het object of voorwerp van het zaligmakend geloof is Christus, de persoon van Christus. In Hem is Gods genade. Hij is de Goddelijke barmhartigheid jegens ons. Het zaligmakende geloof is kennen en vertrouwen. Dit is hier ongeveer hetzelfde. De kennis die Calvijn en de Catechismus bedoelen is meer een zaak van het hart dan van het verstand. Het is een kennis, die de Heilige Geest werkt en die betrekking heeft op dezelfde Christus als waarop het vertrouwen zich richt. Deze kennis neemt door Goddelijk licht Christus in zich op en dat niet in het koele verstand alleen, maar
in de hele mens. Kennis en vertrouwen zijn door vele draden met elkaar verbonden. Zij staan — om het zo te zeggen — in een organisch verband, zoals wortel en takken van een boom in een organisch verband staan. Het kennen en vertrouwen van het ware geloof, dat men wel onderscheiden, doch niet van elkaar scheiden mag, heeft slechts dit ene doel: hristus persoonlijk in zich op te nemen en aan te nemen, opdat Hij door het geloof in ons wone. Het is dus niet voldoende, als wij een leer aannemen. Waar het op aan komt is dat wij persoonlijk de persoon van Christus aannemen, gelijk Hij in het evangelie ons aangeboden wordt. Het geloof is dus heit middel waarin wij in een nieuwe verhouding tot God komen te staan. Eerst immers wordt onze verhouding bepaald door Adam. God rekent ons voor zondaren om met Rom. 5 : 19 te spreken. In de wedergeboorte echter worden we losgemaakt van de oude Adam en vastgemaakt aan Jezus Christus. De wedergeboorte is immers dat God ons verstand verlicht en ons hart overbuigt. Daardoor laten we de eerste Adam, het werkverbond, de zaligheid uit de werken der wet, alle mogelijke eigenrechtvaardiging, alle hoop op onze werken en vroomheid los, om te erkennen, dat wij rechtvaardig verloren liggen. Wij leggen ons hoofd op het blok. De Heere doe wat recht is in Zijn ogen. De wedergeboorte als daad van God kan men gelijkstellen met de krachtdadige, inwendige, bijzondere roeping. Wij laten nu rusten, wat er aan voorafgaat. Maar het geloof betekent altijd een verlaten van de wereld, een loslaten van zichzelf en een aangrijpen van Christus. Op dat ogenblik ziet de mens zijn volkomen verlorenheid en sterft door de wet aan de wet. De wateren van Gods toorn dreigen hem te overspoelen. Hij zal het moeten laten gebeuren, want hij is een machteloos man. Gods kinderen zijn geen remonstranten. De laatsten zeggen: Dat ik mij heb kunnen bekeren, daar mag ik God voor danken. Dat ik mij heb willen bekeren, daarvoor dank ik mijzelf." Zo is het niet. De ware gelovige ziet zich naar kunnen en willen geheel verloren. Maar zijn verstand wordt verlicht en hij ziet Christus, die hem aangrijpt. Ook wordt zijn hart van alle wantrouwen bevrijd en overgebogen, zodat hij zich gaarne door Christus laat zaligen en van zijn kant Christus aangrijpt. De mens krijgt een verrukkend gezicht van Christus' uitnemendheid in de spiegel van het Evangelie. Hij ziet Hem als een volle, gewillige en gepaste Zaligmaker. Hij neemt Hem aan in de plaats van alles. Het ware geloof betekent dus die grote weldaad van het genadeverbond, waardoor wij Christus worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.
Nu komt er een vraag, die aansluit bij het begin van artikel 10. Daar wordt gezegd, dat de zekerheid der verkiezing niet voortspruit uit enige bijzondere openbaring. Nu is de zekerheid der verkiezing een vrucht van het geloof, zoals Hfdst. I, 12, verklaart. Als het geloof nu een vrucht is van de wedergeboorte of van de krachtdadige roeping, zoals ik hierboven trachtte te beschrijven, is dan het geloof niet een vrucht van bijzondere openbaring buiten het woord om? Hierop wil ik gaarne met neen antwoorden. Voor het geloof is wedergeboorte nodig, een bijzondere werkzaamheid van de H. Geest, een krachtdadige roeping, maar er is geen bijzondere openbaring voor nodig. Dat is de leer van Rome. Rome beweert dat volstrekte zekerheid der zaligheid, (volgens ons een deel van de zekerheid des geloofs), slechts het deel is van enkele gelovigen, die haar door een bijzondere openbaring ontvangen hebben, maar volstrekt niet voortvloeit uit de natuur des geloofs. Wat bedoel ik dan, als ik stel, dat er geen bijzondere openbaring nodig is om te geloven? Of juister gezegd, ik stel dit niet, maar het is algemeen-reformatorische leer. En waarom is er dan zoveel arbeid van de H. Geest nodig? Om met dit laatste te beginnen, de mens is van nature dood in zonde en misdaden, hij vindt zijn lust in het kwade, er is niemand die God zoekt, hij is blind voor de eeuwigheid, blind voor God en blind voor zichzelf. Calvijn schrijft: „Ons verstand is zozeer genegen tot ijdelheid, dat het Gods waarheid nimmermeer kan aanhangen en zo bot en stomp, dat het Gods licht niet kan aanschouwen. Derhalve wordt er door het Woord, zonder de verlichting des H. Geestes niet met al uitgericht. Waaruit ook blijkt, dat het geloof 's mensen verstand en bereik ver overtreft." Inst. Hl, 2, 33. Zo gaat het bij Calvijn verder. „Het Woord des Heeren is wel degenen, die het gepredikt wordt gelijk een zon, die ieder beschijnt, maar zonder enige uitwerking voor de blinde.”
De verlichting is dus nodig en ook de overbuiging. Maar wat is de vrucht van deze verlichting? Dat de zondaar God ziet in Zijn algenoegzaamheid, zichzelf in zijn helwaardigheid en Christus in Zijn dierbaarheid. Hij ziet de Zaligmaker in de beloften van het Evangelie. Aan wie wordt deze Christus gepredikt, aangeboden, geschonken? Aan allen die het evangelie horen. Welke voorwaarden moeten er vervuld worden om deze Heiland en Zaligmaker te verkrijgen? Het geloof heeft geen condities, welke de mens eerst vervullen moet, om te mogen geloven. Het recht om te geloven ligt voor ieder in de Schrift, in de ernstige roeping Gods en in de ernstige belofte om allen die tot Hem komen en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven te schenken, zoals de Leerregels in III/IV 8 zeggen. Christus mag en moet door de predikers iedere hoorder aangeboden worden. Er hoeft geen bijzondere openbaring te geschieden om te zeggen, dat ik Hem mag hebben. Maar wel moeten mijn ogen er voor geopend worden, dat dit in de Schrift staat, en waar niemand van nature deze Christus hebben wil, moeten wij tot Hem getrokken worden en gewillig gemaakt Hem aan te nemen.
Dus geen bijzondere openbaring. Ten eerste voor het geloof niet; ten tweede voor de heilszekerheid niet en ten derde voor de zekerheid der verkiezing niet. Dat leerden de remonstranten wel, maar de gereformeerden niet. De gehele zaligheid, die God schenkt aan ons arme zondaars, die niets als hel en verdoemenis waardig zijn en die niets hebben of doen kunnen om die zaligheid te verkrijgen, is een gave, die God ons in het evangelie voorstelt, aanbiedt en uit vrije genade schenkt. Maar nu is het nodig, dat Gods Geest dit aanbod zo doet indringen in onze harten, dat wij overtuigd worden, dat het ook ons gedaan is.
Dit artikel wil ik eindigen met een aanhaling uit Comrie's verklaring van Zondag 7, waarin duidelijk uitkomt, dat het geen bijzondere openbaring is, die ons de zekerheid schenkt, doch wel een bijzondere werking van Gods Geest.
„De algemene aanbieding (gelijk de algemene roeping) of het schenken van Christus wordt allen, waar het Evangelie verkondigd wordt, gedaan, opdat zij zich daarvan bedienen zouden en de gave Gods aannemen en het zegel zetten op Gods getuigenis, dat Hij waarachtig is. Ofschoon, nu dit een recht geeft om de weldaad, die God aanbiedt of schenkt, voor zich in het bijzonder te omhelzen ... zo zijn we nochtans zo zorgeloos, dat we dit verwaarlozen ... vermits wij zo geheel dood in de zonden zijn, dat wij geen besef hebben, noch van onze rampzaligheid, waarin wij gedompeld zijn, noch van de zaligheid, die ons om niet geschonken of aangeboden wordt.
Ondertussen, de Heilige Geest, als het Hem behaagt, werkt alzo dat Hij dit aanbod, hetwelk in 't algemeen gedaan wordt, door deszelfs onmiddellijke, krachtdadige en onwederstandelijke werking zo doet indringen in onze harten, met Goddelijke overtuiging, dat wij overtuigd worden, dat datgene wat God in het algemeen aanbiedt aan anderen, dat hij dit alles om niet voor onszelf in het bijzonder aanbiedt en schenkt. Dit is in het kort wat de grote Calvijn, Inst. III, 2, 6 en 7, leert. En dus kunt gij zien, dat de onmiddellijke indringing van het onwederstandelijk licht en de kracht des H. Geestes in onze harten het is waardoor datgene, wat in het algemeen lag, bijzonder wordt gemaakt voor oiis en dat niets in ons aanmoedigt de belofte ons in het bijzonder toe te passen, maar dat al ons recht en vrijmoedigheid gegrond is buiten ons, op het aanbod hetwelk de H. Geest, als Gods stem, in het bijzonder tot ons in onze ziel zo inspreekt, niet door onmiddellijke openbaring, maar door Zijn onmiddellijke stem bij en in het evangelie — waardoor hij dat Woord zo doet indringen, dat wij begrijpen en overtuigd worden, dat God ons al die weldaden schenkt."
Delft L. Vroegindeweij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's