De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

13 minuten leestijd

De „nieuwe theologie” en de chr. school.

Het Herv. Weekblad „De Geref. Kerk" heeft in de nummers van 6 en 13 april het referaat opgenomen dat Prof. Dr. G. P. van Itterzon heeft uitgesproken voor één van de onderwijsorganisaties. Het referaat droeg de titel „Christelijke School zonder God? " De referent gaat hierin uitvoerig in op de z.g.n. „God-is-dood-theologie", en de eventuele consequenties voor de christelijke scholen.

Het zal duidelijk zijn, dat een christelijke school in deze atmosfeer niet bloeien kan. We begrijpen de nieuwe theologen, als zij God niet kunnen volgen en zijn doen en laten hun volkomen ontgaat. Want daarin staan zij niet alleen. De mens van alle tijden heeft geworsteld met de vraag van de God, die Zich verborgen houdt en die het water soms over de lippen en nog hoger laat komen. De dichter van Psalm 42 wist niet, hoe hij zich de spotters van het lijf moest houden, die hem de ganse dag in het nauw brachten met de pijnlijke vraag: Waar is uw God? En bij die hoon van buiten voegde zich de aanvechting vanbinnen: o God, waarom vergeet Gij mij? Waarom verstoot Gij mij? En: waarom slaapt Gij? Ontwaak! Verstoot niet voor eeuwig! Waarom verbergt Gij uw aangezicht, vergeet Gij onze ellende en verdrukking? Wie herinnert zich niet het lied van de Man van Smarten: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Ik roep des daags en Gij antwoordt niet. Nabij is de nood en er is geen helper.

Neen, de strijd om de God, die Zich vaak verborgen houdt, is niet van de laatste tijd alleen. Zelfs op Golgotha kwam er geen antwoord en lag de duisternis drie uren lang over de gehele streek. Toch is er verschil tussen vroeger en nu. En het christelijk onderwijs heeft de keuze tussen een God, die wij in onze moderne maatschappij niet meer plaatsen kunnen en daarom afschrijven, dood, afwezig, als een volkomen verouderde en afgedane voorstelling, en de God van de psalmdichter. Want als deze al Gods baren en golven over zich heen voelde slaan, als hij zich door God verlaten en verstoten voelde, als hij dag en nacht tranen schreide en in het zwart ging, met een doodsteek in zijn beenderen, bleef hij doorgaan met roepen en bidden: Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God!

Terecht herinnert v. Itterzon aan Pascal, die in de zoom van zijn kleed het document van zijn bekering met zich meedroeg en die bij al zijn kennis van de exacte wetenschappen zijn geloof beleed in de God van Abraham, Izaäk en Jakob, niet in de God der filosofen en geleerden, en die in Hem, de God en Vader van Jezus Christus, zekerheid en vrede gevonden had.

Ook wijst de Utrechtse hoogleraar de uitweg af van hen die menen dat Jezus Christus de plaats kan innemen van de afwezige God. Als de christelijke school zou ingaan op de uitdaging van deze moderne theologie en een aangelegenheid zonder God zou moeten worden, zou zij toch een instelling kunnen blijven met Christus? De nieuwe theologie van Sölle e.a. wil immers zijn een „theologie van de Zoon zonder de Vader" (v. Niftrik). v. Itterzon betoogt dat een dergelijke Christusbeschouwing vreemd is aan de Bijbel.

Bij deze nieuwe theologie over Christus krijgt zijn middelaarschap geen plaats. Als wij als zelfstandige, vrije mensen, de Vader geredelijk kunnen missen, is er tussen die overbodig geworden Vader en ons geen Middelaar meer nodig. Voorts: als de Vader uit ons gezicht raakt en God afwezig en deze God voor goed van het toneel verdwenen is, is niet alleen alle gebed een onmogelijke zaak geworden, een lege vorm, waaraan we geen enkele wezenlijke inhoud meer kunnen geven, maar is ook elke belijdenis van zonde en schuld een overbodige, religieus verouderde acte geworden. Als de Vader voor ons heeft afgedaan, zijn wij geen verloren zonen meer, die opstaan en tot de Vader gaan om het aan zijn vaderhart te bekennen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. Geen zonde en schuld? Dan ook geen genade en vergeving. Dan geen verlossingswerk van Christus, geen verzoening, geen kruiswoord: het is volbracht. Dan geen opstanding ten derden dage, geen leeg kruis, geen uitzicht op zijn wederkomst. Dan alleen de strenge eis der wet van navolging en medemenselijkheid met de dreiging, dat er geen uitzicht op een nieuwe toekomst en het komen van een nieuwe God zal zijn, als wij in ons volgen van Jezus van Nazareth te kort schieten.

Uit afkeer van een God boven ons, die nog als een Koning en een Vader zou regeren, wordt alles wel bij uitstek in het aardse, menselijke, horizontale vlak getrokken Alles hierbeneden, in de menselijke geschiedenis, zonder enig uitzicht „omhoog". Over onze verhouding tot de heilige God kan dan worden gezwegen. In plaats van zonde en schuld komt dan een begrip als „vevreemding", dat m.i. niet typisch bijbels kan worden genoemd. Religie en godsdienst, kerkgang en gebed, geloofsvertrouwen en aanbidding worden dan merkwaardige, antieke zaken, die in een historisch verleden worden weggezet. Een christelijke school zou met deze tuigage een bezienswaardige driemaster worden, geen zeewaardig passagiersschip op de grote vaart van deze tijd.

Graag geven we dit pleidooi om in het christelijk onderwijs „het pand, ons toevertrouwd", te bewaren, aan u door. Inderdaad, wanneer het christelijk onderwijs de consequenties zou gaan trekken uit deze nieuwe vrijzinnigheid, zou zij haar bestaansrecht opgeven. Dat neemt niet weg, dat juist wie wil buigen voor de Schrift, in de confrontatie met deze nieuwe theologie tot zelfonderzoek genoopt wordt.

De nieuwe theologie: Een onbetaalde rekening?

We geven nog eenmaal het woord aan Prof. v. Itterzon. Hij besluit zijn referaat met de volgende opmerkingen:

Intussen dienen wij ons terdege af te vragen, of de vernieuwingstheologen ons geen spiegel voorhouden, waarin wij bepaalde fouten en tekortkomingen onzerzijds te zien krijgen. Een gesprek met hen zal niet alleen in een vaststellen van de standpunten over en weer mogen bestaan. Standpunten zijn statisch; daar zit, zo lang het standpunten blijven, geen beweging in. Een gesprek kan ook niet vruchtbaar zijn, als wij elkaar onze bezwaren kenbaar maken, al zal het zonder de nodige bestrijding zeker niet gaan. Maar zonder te vervallen in theologische of filosofische beschouwingen, die wij in strijd achten met het duidelijk getuigenis der Heilige Schrift kunnen we toch ons voordeel doen, als we vragen, wat anderen op ons belijden en beleven hebben aan te merken. De volgende vragen zijn al gesteld: Schieten wij, als christenen, op het punt van medemenselijkheid en naastenliefde niet veel te kort? Maakt ons dienen en vrezen van God een ander jaloers, of zijn we lauw of koud? Is de Bijbel voor ons een levensboek dat we niet missen kunnen, omdat we er uit leven of is er bij ons nog veel dode vorm en dagelijkse sleur? Is de opgestane Heiland voor ons een levende werkelijkheid; is er in ons gebed een hartelijke omgang met God; geloven wij metterdaad, als gehoorzame kinderen, in de trouwe zorg van onze hemelse Vader? Spreken vrij veel over de toekomst des Heren, maar vergeten wij al te gemakkeijk, dat wij ook aan deze zijde onze talenten moeten gebruiken en dat wij hiermede geen enkele dag de hand mogen lichten? Is onze liefde tot de kinderen en de zorg voor hun onderwijs en opvoeding bij ons nog even levend als bij onze vaderen in de dagen van de schoolstrijd, of is het zenden van onze jeugd naar een school met de bijbel een versleten gebruik geworden? Zijn wij nog offerbereid, of zijn we met de minste moeite gebaat en is de indruk, die wij bij anderen wekken, die van mensen, voor wie welvaart en een goed leven het een en het al zijn? Wij zullen de onbetaalde rekeningen, die ons ook in deze tijd worden gepresenteerd, niet zonder schade kunnen weigeren. Als we ze vandaag niet voldoen, komen ze over enige tijd met deurwaarderskosten terug.

Christelijke school zonder God? Christelijke school zonder Christus? Christelijke school zonder bijbel? Misschien is het het beste, dat uzelf "en antwoord geeft. Hét antwoord. Het enig juiste.

Het openbaringskarakter van de Heilige Schrift.

Er is binnen de Geref. Kerken een bepaalde ontwikkeling aanwezig ten aanzien van de Schriftopvatting en het Schriftgezag. Op de Geref. Predikantenvergadering heeft Prof. Dr. H. Berkhof onder meer opgemerkt, dat de Gereformeerden zich honderd jaar afzijdig hebben gehouden en nu bezig zijn een achterstand in te lopen. Dat er inderdaad standpunten veranderen, blijkt zonneklaar b.v. uit het boekje van Drs. Tj. Baarda over de historische betrouwbaarheid van de evangeliën. In het Geref. Weekblad (uitgave Kok, Kampen van 7 april) schrijft Prof. Dr. G. P. Hartveld onder meer:

De bijzondere moeite die wij met een en ander hebben hangt samen met het m.i. terecht door prof. Berkhof gestelde, dat wij de „laatste 100 jaren" niet hebben meegedaan, — d.w.z. wij hebben gemeend dat wij datgene wat „van de andere kant" kwam, moesten afwijzen. Onze leermeesters hebben dat geargumenteerd gedaan, maar de afwijzingen-van-toen komen niet meer óver, omdat onze omgang met de Schrift anders geworden is. Wij hebben er meer dan vroeger oog voor gekregen dat de Schrift een boek is dat geschreven is door mensen. Onze dogmatici hebben voor dit laatste ook een term geïntroduceerd: nl. organische inspiratie. Wij hebben lang gedacht dat wij met dit woord het opmerkelijke taal-en stijlverschil tussen de verschillende schrijvers konden verklaren, — alsof dat het enige probleem was. Maar er blijkt meer aan de hand te zijn. Natuurlijk wist ieder die de prediking als zijn opdracht had, dat er „moeilijke passages" in de Schrift stonden. Velen hebben ze laten liggen omdat zij er geen raad mee wisten. Thans wordt door velen een poging gedaan die „moeilijkheden" te ontraadselen door op het thema van „organische" inspiratie voort te borduren.

Of deze ontwikkeling inderdaad toe te juichen is, valt nog te bezien. Volgens Prof. Hartveld leidt juist de onderscheiding tussen feit en verhalende interpretatie tot een beter verstaan van de Schrift. Ook Kuyper en Bavinck zouden het zo vandaag hebben kunnen zeggen, zo meent hij. We zouden willen zeggen: Dat moet nog aangetoond worden. Wie ziet op welke wijze b.v. in het boekje van Baarda de historisch-kritische benadering van de Schrift wordt toegepast, vraagt zich met zorg af: In welke richting gaat dit? Wat blijft er over van het openbaringskarakter van de H. Schrift. Dreigt b.v. het getuigenis van het Evangelie niet omgevormd te worden tot een brok gemeentetheologie, waarin de oergemeente allerlei woorden Jezus in de mond gelegd heeft.

Trouwens niet ieder is even gelukkig met deze benadering, waarbij het menselijk karakter van de Bijbel zo'n grote nadruk krijgt, dat het openbaringskarakter in de mist verdwijnt.

In de Mededelingen van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte (maart 1967) gaat Prof. Dr. Ir. H. v. Riessen in op de Schriftopvatting van Dr. Kuitert, zoals hij deze uiteengezet heeft in zijn boek „De realiteit van het christelijk geloof". Kuitert legt daarin grote nadruk op het traditum, het overgeleverde geloofsgoed. Deze traditie, dit geheel van overgeleverde geloofsgetuigenissen die in de verkondiging tot ons komen, mag niet door de term canon vervangen worden, aldus Kuitert, want hier zit de gezagsvraag van de H. Schrift aan vast, die juist in het geding is.

Van Riessen stelt nu de vraag: Als het zwaartepunt verplaatst is van de Bijbel naar de traditie, wat is dan voor Kuitert de Bijbel. Zijn opvatting van de Bijbel blijkt duidelijk uit het volgende citaat: „Van huis uit is m.a.w. dat wat wij canon noemen — i.e. het Oude en Nieuwe testament — niet minder toe-eigenings-en doorgeefgestalte van het geloof, dan al die toe-eigenings-en doorgeefgestalten die daarop gevolgd zijn. Structureel ligt hier geen verschil, willen we tenminste blijven bij de aard van Gods Zelfopenbaring zoals we die menen gevonden te hebben. Er is gezagsverschil, te weten dat verschil wat de eerste oog-en oorgetuigen markeert en tot uitzondering maakt boven alle anderen die van hun getuigenis afhankelijk zijn”.

Hij zegt het bij deze summiere opmerking te willen laten en merkt in een noot op, dat hij volledigheidshalve kort op deze kwestie is ingegaan. Men wrijft zijn ogen uit, want van deze kwestie hangt de hele beschouwing, hangt de vervanging van de Bijbel door het traditum n.b. af.

Structureel is er dus geen verschil tussen Johannes, Paulus, Augustinus en de dominee, die zondag gepreekt heeft. Het gezags-verschil is uitsluitend gelegen in het dichterbij of verder af staan van het historische feit, waarom het gaat. In deze volgorde neemt het gezag dus gradueel toe: De dominee, Augustinus, Paulus, Johannes.

Beslissend in het citaat is natuurlijk de aard van Gods Zelfopenbaring. Deze voltrekt zich historisch in de omgang van God met de mensen, en impliceert een historische respons, n.l. in de toeëigening. Deze respons van de bijbelschrijvers is de Bijbel. „Wij hebben in de Schrift Gods Zelfopenbaring in de vorm van Israëls kennis daarvan, d.w.z. in een vorm die onlosmakelijk verbonden is met een bepaalde cultuur-historisch definieerbare tekst”.

Ten overvloede trek ik de conclusie: de Bijbel is het menselijk, belijdend antwoord op de Zelfopenbaring van God in de omgang met de bijbelschrijvers. Hij is dus als zodanig niet Gods Woord. Vandaar dat het traditum de Bijbel vervangt. Gods omgang met de mensen gaat immers voort. Ook in de preek, zodat ik mij voortaan met meer eerbied daaronder zou moeten stellen dan ik gewend ben. Dat is volgens Kuitert's opvatting ook maar beter ook, want zij die de theologie niet kunnen hanteren, kunnen zoals nog zal blijken, de Bijbel niet goed lezen.

Het is nu deze gedachtengang, die ik uit de grond van mijn hart afwijs. Maar dat behoeft de lezer niet te interesseren. Van belang is, dat de Heilige Schrift op vele plaatsen getuigt Gods Woord te zijn (b.v. Joh. 10 : 35; Hand. 24 : 14; 2 Tim. 3 : 16; 2 Petr. 1 : 20; Op. 22 : 18). Kuitert besteedt aan dit zelfgetuigenis van de Schrift geen woord.

Jezus Christus zelf leert ons in de eerbied, waarmee Hij de Schriften aanhaalt en blijkens Zijn verlangen om deze Schriften te vervullen, dat zij Gods Woord zijn en niet een belijdend mensenwoord, dat met behulp van de theologie eerst ontleed dient te worden om uit de historische verpakking het betrouwbaar getuigenis te halen. Nooit gaat Hij, Gods Zoon, zo te werk.

We hebben om het belang van de zaak een uitvoerig citaat gegeven. Uit Kuitert's standpunt vloeien allerlei dingen voort, zoals b.v. het onderscheid wat hij maakt tussen het getuigenis en de historische verpakking. De vraag komt dan direct boven: Wie is hier dan de schiftende instantie? Dreigen we op deze wijze toch niet te vervallen in een vorm-inhoud schematiek, dat niet uitkomt boven de 19de eeuwse oplossing: „Gods Woord is in de Bijbel"? Heeft de theologie die historisch-kritisch te werk gaat dan 't laatste woord? En wat moet de eenvoudige bijbellezer aan met een dergelijke opvatting. Hoe moet hij gaan onderscheiden? Is hij niet overgeleverd aan de inzichten van de deskundigen? Of vragen we zo teveel en is dit toch niet de bedoeling van Kuitert c.s. In elk geval, we menen met prof. van Riessen dat hier een weg wordt betreden die niet tot verheldering leidt en veeleer de onzekerheid zal bevorderen. Laat men toezien dat men met allerlei wetenschappelijke onderscheidingen de Schrift zelf als gezaghebbend Woord Gods niet kwijtraakt.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's