De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

Hoofdstuk V. Artikel 10.

11 minuten leestijd

En diensvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onze troost heeft geopenbaard; uit het getuigenis des H. Geestes, Die met onze geest getuigt, dat wij kinderen en erfgenamen Gods zijn; eindelijk uit de ernstige en heilige oefening van een goede consciëntie en van goede werken.

En zo de uitverkorenen Gods deze vaste troost in deze wereld niet hadden, dat zij de overwinning behouden zullen, mitsgaders dit onbedrieglijk pand der eeuwige heerlijkheid, zo zouden zij de ellendigste van alle mensen zijn.

Artikel 10 bestrijdt niet de bevinding.

De roomse en de remonstrantse leringen waren dus, dat er voor de zekerheid des heils een bijzondere openbaring van Godswege nodig is, die niet in het Woord Gods is te vinden. Het moet een openbaring zijn zonder of buiten het Woord. De Leerregels wijzen deze gedachte af. Dat hebben ze ook reeds gedaan in Hfdst. I, 12, waar zij positief de verzekering met deze woorden belijden: Van deze hun eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheidene trappen en met ongelijke mate verzekerd; niet, als zij de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der Verkiezing, in het Woord Gods aangewezen (als daar zijn: et waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.), in zichzelf met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen (2 Cor. 13 : 5).

Deze verkiezingszekerheid of heilszekerheid rust dus niet op een bijzondere openbaring. Het is daarom merkwaardig, dat ik hier twee geschriften voor mij heb, die beiden een toelichting bedoelen te geven op de Dordtse Leerregels en die juist ons artikel aangrijpen om de nadere reformatie, de bevindelijken, het valse mysticisme, te bestrijden. Ik lees b.v. naar aanleiding van de voorstelling der Remonstranten aangaande de noodzaak van een bijzondere openbaring: „Dergelijke onjuiste voorstellingen omtrent de weg om tot verzekering te komen, koesteren velen nog in onze dagen. Of wordt ook tegenwoordig zelfs in sommige Gereformeerde kringen nog niet de mening gevonden, dat de verzekering door een bijzondere openbaring tot stand komt, gegeven in de vorm van een gezicht, of van een stem, of van een met kracht op het gemoed vallend Schriftwoord? Wie niet ten enenmale een vreemdeling is in het Jeruzalem van onze dagen, weet dat de Gereformeerde Kerken nog niet allerwege gezuiverd zijn van dergelijke remonstrantse gedachten.”

Het merkwaardige is nu, dat „een met kracht op het gemoed vallend Schriftwoord" gelijkgesteld wordt met een bijzondere openbaring zonder of buiten het Woord. Ik kan mij wel verenigen met de bestrijding van een grond . zoeken in gezichten of stemmen, buiten het Woord om, hoewel ik helemaal niet zou willen ontkennen, dat een mens tot nadenken kan worden gebracht door bepaalde woorden die hij hoort en die een grote invloed kunnen hebben. Ik betwijfel of er kringen zijn, die de zekerheid gronden op een gezicht. In elk geval worden deze gronden van zekerheid door de nazaten der nadere reformatie meestal nadrukkelijk bestreden. Ik denk aan enkele zinnen uit een preek van ds. J. C. Philpot over Fil. 1 : 6. Hij predikt, evenals Calvijn, dat er een wonder aan een zondaar moet gebeuren, opdat hij zou (kunnen) geloven. Het geloof is n.l. voor hem beslissend en niet welke bevinding ook. Zonder geloof in de Zoon van God, kan er geen zaligheid zijn. „Maar zijn wij bekwaam om dit geloof in ons eigen hart op te wekken? Neen, wij kunnen diepgaande en krachtige overtuigingen van zonde ondervinden; de eeuwige werkelijkheden kunnen met groot gewicht en kracht op ons gemoed liggen; wij kunnen onszelf in een verloren toestand zien en gevoelen; onder de last der schuld mogen we onze zonden belijden voor het aangezicht van Hem, tegen Wien wij zo ontzettend overtreden hebben; wij mogen onszelf haten en van onszelf walgen in ons eigen oog, uit oorzaak van onze ongerechtigheden; maar wat is dit alles, als wij het geloof in de Zone Gods missen?

Dat is nu een prediker uit die verdorven mystieke kringen, zoals men pleegt te zeggen, maar is dat nu verkeerd als een prediker de grond der zaligheid alleen legt in het geloof in Christus?

Maar hoe krijgen wij het geloof? Hier ligt wel het hoofdverschil tussen de ware navolgers van de reformatie en de nadere reformatie èn hen, die slechts de naam „gereformeerd" willen voeren. Volgens hen kan de mens, met de Bijbel in de hand, wel tot het geloof komen, met de helpende genade van Gods Geest. Voor hen is het daarom alleen een zaak van de onwil en de ongehoorzaamheid en de verkeerde opvoeding der kerkgangers, als zij niet geloven. Maar voor Calvijn en zijn geestelijke zonen is het ook een zaak van onmacht. In het vorig artikel heb ik Comrie aangehaald om te laten zien waar wij de grond der zaligheid zoeken n.l. in de belofte Gods. Deze maakt dan ook melding van Inst. III, 2, 6 en 7, waarin Comrie zijn eigen leer verklaard ziet. Calvijn stelt daar, „dat het geloof gedurig op het Woord ziet en daarvan evenmin kan worden afgescheiden als de stralen van de zon". Het Woord is als een spiegel, waarin het geloof God ' bemerkt en aanschouwt. Dat Woord kan God ook geven buiten de prediking of wat ook om. Dat Woord richt niet alleen op, doch werpt ook neer, en is in beide gevallen Gods Woord. „Ondertussen bekennen wij evenwel dat des geloofs ambt is Gods waarheid te ondertekenen en voor enkel waarheid te houden, zo dikwijls Hij iets spreekt, alles wat Hij spreekt, en op wat wijs en manier Hij spreekt." Maar dan zijn er ook woorden bij, waarvoor de mens siddert. Getroost en bevestigd wordt het geloof alleen door de belofte der genade in Christus. Is het nu genoeg deze wetenschap van Gods goedheid uit mensenmond verkregen te hebben? Volstrekt niet. De wetenschap van Gods goedheid heeft niet veel te beduiden, als God Zelf ons daarop niet doet rusten en gerust zijn. „Het is echter zeer ver daarvan af, dat des mensen verstand, gelijk het blind is en verduisterd, zou doordringen en opklimmen om Gods wil te begrijpen, en dat ook zijn hart, gelijk het door gedurige twijfeling geslingerd en gedreven wordt, in die verzekering vast en gerust zou blijven.

Daarom moet het verstand van elders verlicht, en het hart gesterkt worden, opdat het Woord Gods volkomen geloof bij ons verkrijgen mocht.”

Hoe komen wij nu tot die zekerheid volgens Calvijn? Daar komen wij toe door openbaring. God moet ons dus iets doen zien, dat wij tevoren niet zagen. Zou dat niet met een tekst kunnen? Het krijgen van een tekst kan een heel nieuw licht doen opgaan, of het krijgen van een bepaald inzicht in een tekst. Denk eens aan Luther. Hoe is hij tot de zekerheid van zijn zaligheid gekomen? Doordat God hem iets liet zien in een tekst, dat hij tevoren niet gezien had. Toen kreeg hij een vaste kennis van Gods goedwilligheid voor hem door een openbaring. Daar moet een uitwendige leermeester zijn en dat is de Schrift. Doch er moet ook een inwendige leermeester zijn, zegt Calvijn, en dat is de H. Geest. Velen bestrijden de bevinding en de ondervinding van Gods volk. Maar wat stellen zij ervoor in de plaats? De prediking van het Woord, zeggen ze, en daar zit alles in, dat moet je zonder meer geloven. Maar dan vraag ik of Calvijn zo erg ongelijk had, toen hij schreef: „Ons verstand is zozeer genegen tot ijdelheid, dat het Gods Woord nimmermeer kan aanhangen, en zo bot en stomp, dat het Gods licht niet kan aanschouwen. Derhalve wordt er door het Woord zonder de verlichting des H. Geestes, niet met al uitgericht." De ziel, zegt Calvijn, moet een nieuwe scherpzinnigheid ontvangen. Dit betekent o.a. dat de mens soms ineens een Schriftgedeelte of een tekst gaat verstaan. Maar dat mag niet van de bedoelde schrijvers, want dat is een openbaring zoals de remonstranten die bedoelen.

Hoe kreeg — ik kom daarop terug — Luther zijn vast geloof? Door een openbaring. Zo spreekt ook Calvijn erover, als hij schrijft: „Nu zullen wij een rechte beschrijving des geloofs hebben, indien wij n.l. zeggen, dat het geloof is een vaste en zekere kennis van Gods goedwilligheid t' onswaart, die op de waarheid van Zijn genadige belofte in Christus gegrond zijnde, door de H. Geest ons geopenbaard en in onze harten verzegeld wordt.”

Hoe ging het met Luther. Hij was al weken bezig met Rom. 1 : 17 en zat in de bekende toren nog eens te over­ peinzen. En opeens is het hem, alsof een sluier wordt afgenomen, zodat hij ziet, wat Paulus bedoelt. De gerechtigheid, waarvan Paulus spreekt is niet de rechtvaardige wedervergelding Gods, ze is de gerechtigheid, die God schenkt, die de gelovige toegerekend wordt. God ziet de gelovige in Christus als rechtvaardig aan uit genade. En die genade is niet iets, dat wij verdienen moeten, of dat ons door het sacrament wordt ingegoten, zij is de gunst Gods voor een iegelijk die gelooft. Nadat Luther deze tekst gekregen had, leek de hele wereld voor hem veranderd. Hij zegt: Ik had het gevoel alsof ik wedergeboren was en door open poorten het paradijs was binnengegaan. Direct zag de gehele Schrift mij volkomen anders aan.”

Dit is nu echt een voorbeeld van het krijgen van (de betekenis van) een tekst. Daarmee kwam Luther echter niet te rusten op die gebeurtenis, maar op het Schriftwoord dat hij met kracht gekregen had en van daaruit op de hele Schrift. Ik wil er mee laten zien, dat men ons artikel 10 niet gebruiken moet om het werk van de Heilige Geest te bestrijden, zoals reformatie en nadere reformatie dat predikt.

Nu eerst die stemmen. Hier ligt het anders dan met de openbaring van teksten en hun inhoud. Nog altijd komt het voor, dat God Zijn Zoon in de harten openbaart en dat het geloof verkregen wordt op de wijze zoals Calvijn het als noodzakelijk voorschrijft n.l. door de openbaring van de belofte Gods door de H. Geest. Moet nu deze openbaring door stemmen geschieden? Dit wordt niet geëist. Philpot is in de lijn van de reformator uit Geneve, als hij het geloof een gave Gods noemt. Hij vraagt: „Hoe wordt het geloof geschonken? " Hij antwoordt: „Door enige geestelijke en genadige ontdekking van de Zone Gods aan de ziel; door enige openbaring van de Persoon en het werk van Jezus als gepast voor onze verloren, hulpeloze toestand." Maar nu die gezichten en stemmen. Philpot schrijft: „Wanneer ik over een openbaring van Christus spreek, gelijk ik dikwijls doe, dan ijver ik niet voor enige verschijning. Dromen, stemmen, verschijnselen in de lucht, gezichten en klanken, kruizen in de lucht, en verschijnselen aan de legerstee, moet ik aan anderen overlaten. Ik geloof, dat zij voor het merendeel het deel zijn van dwepers en geestdrijvers ... Maar de algemeenheid van Gods volk en de gewone wijze der goddelijke bearbeiding nemende, dan is de openbaring van Christus aan de ziel een genadige inwendige ontdekking door de kracht des Geestes, Hem aan de ogen des geloofs openbarende. Er wordt Zijn heerlijke Persoon evenzeer tuigen gezien of gehoord; en nochtans wordt Zijn heelijke Persoon evenzeer gezien, en Zijn stem evenzeer gehoord, als of oog en oor Zijn heerlijkheid aanschouwde en naar Zijn woorden luisterde”?

Het is niet goed om met behulp van artikel 10 het werk van de H. Geest te willen bestrijden, maar het geeft ons toch ook weer gelegenheid misvattingen, die hier en daar mochten bestaan, uit de weg te ruimen: geen stemmen, geen gezichten als grond. Zelfs geen bevindingen als grond van ons geloof. Doch wat het laatste betreft: geen geloof, dat niet gepaard gaat met bevinding. We hebben gezien, dat geloof alles voor waar houdt, wat God zegt. Welnu, hoe zou men de dreigingen Gods kunnen geloven, zonder verschrikt te zijn? Wie, die zich door Gods wet veroordeeld ziet, dus gelooft, dat de wet de waarheid zegt, zou niet bevinden, dat hij beeft en siddert en bezwaard gaat onder de last zijner zonde? Geloof zonder bevinding is dood, evenzeer dood als geloof zonder werken.

De Schrift zegt: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde, hebben vrede. Dit is een vrede na oorlog. Eerst is er de strijd, het ongenoegen Gods. Dan grijpt het geloof Christus aan. Ook dit geloof kan niet zijn, zonder de bevinding van de vrede met God. Nog eens: hier gaat de onvrede, de zware last aan vooraf. Jezus ontvangt (alleen) de belasten. Wat moeten de anderen bij Hem doen daar zij immers geen rust in Hem nodig hebben? Luther schreef: „Wie niet met Christus sterft en in de hel afdaalt, die zal niet met Hem opstaan en ten hemel varen". Dat zijn zaken der bevinding. Luther is in de hel geweest. Hij heeft de vrees gekend verdoemd te zijn. De leer van de eeuwige verwerping door God is voor hem werkelijkheid geworden. Rome had deze leer praktisch terzijde geschoven, zoals het Protestantisme dit vandaag doet. Maar alleen wie in de hel geweest is, kan verstaan, wat de heerlijkheid van het paradijs is. Laat men met de bevinding niet spotten en laat men de noodzakelijkheid ervan niet weg willen redeneren.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's